Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AX9227

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2006
Datum publicatie
22-06-2006
Zaaknummer
13.497.179-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Interlocutoire uitspraak. Artikel 6 OLW. De rechtbank heropent het onderzoek om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen zijn verblijfspositie aan de hand van enkele vragen nader te onderbouwen. De rechtbank acht het van belang om een antwoord op deze vragen te verkrijgen teneinde te beoordelen of het aangewezen is prejudiciële vragen te stellen aan het HVJEG over de invulling van het begrip 'ingezetene' uit het kaderbesluit, waar het gaat om gemeenschapsonderdanen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.179-2006

RK nummer: 06/1445

Datum uitspraak: 16 juni 2006

INTERLOCUTOIRE UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 april 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 3 mei 2005 door de justitiële autoriteit, de hoofdofficier van justitie (Leitender Oberstaatsanwalt) bij het openbaar ministerie (Staatsanwaltschaft) Aurich, Bondsrepubliek Duitsland. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende: [adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 juni 2006. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel (Haftbefehl) van het Landgericht Aurich, d.d. 10 juli 1997, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan 42 naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

De rechtbank constateert dat in de Nederlandse vertaling van onderdeel e) van het EAB de beschrijving van de omstandigheden en de aard en wettelijke kwalificatie ontbreken. Derhalve wordt aan deze uitspraak zowel een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de Nederlandse vertaling van onderdeel e) van het EAB als een gewaarmerkte kopie van de oorspronkelijke Duitstalige tekst als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Duitse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt. Zij vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op deze feiten is naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste 3 jaren gesteld.

5. Verweren

De raadsman heeft een aantal verweren gevoerd en de officier van justitie heeft hierop gereageerd. De raadsman en de officier van justitie hebben daarbij onder andere de vraag opgeworpen of voor de opgeëiste persoon de bescherming van artikel 6 van de OLW open staat. Indien de opgeëiste persoon deze bescherming rechtens toekomt kan zijn overlevering alleen worden toegestaan wanneer is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende staat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en deze straf overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 11 van het op 21 maart 1983 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74) zal kunnen worden omgezet in een Nederlandse straf.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de waarborg van artikel 6 van de OLW niet geldt voor de opgeëiste persoon, nu hij niet de Nederlandse doch de Duitse nationaliteit heeft en hij niet beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zij heeft in dit verband verwezen naar van de IND afkomstige informatie over de verblijfsrechtelijke positie van de opgeëiste persoon.

De raadsman heeft aangevoerd dat het de opgeëiste persoon als burger van de Europese Unie vrijstaat in Nederland te verblijven en dat hij op dezelfde wijze moet worden behandeld als een Nederlander. Dat betekent in zijn visie dat voor hem ook de waarborg van artikel 6 van de OLW dient te gelden.

6. Beraadslaging

De rechtbank heeft naar aanleiding van de behandeling beraadslaagd.

Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In het dossier bevinden zich een aantal brieven van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

In de brief van 11 april 2006 wordt het volgende vermeld: Blijkens ons informatiesysteem staat geen aanvraag om een verblijfsvergunning open.

In de brief van 1 juni 2006 is het volgende vermeld: Uit mijn elektronisch systeem blijkt niet dat de betrokken vreemdeling rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Echter sinds de implementatie per 1 mei 2006 van richtlijn 2004/38/EG in de Nederlandse rechtsorde is betrokkene mogelijk wel rechtmatig in Nederland. U stelt dat betrokkene zelf heeft aangegeven reeds 9 jaren in Nederland te hebben verbleven. Hij zal dan zelf moeten aantonen gedurende (een gedeelte van) deze periode rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehad (werkzaam in loondienst, dan wel zelfstandige, en in ieder geval niet ten laste zijn gekomen van de openbare kas (bijstand)).

Ik ga bij de beantwoording van uw verzoek uit van de voor mij beschikbare gegevens, namelijk dat betrokkene in ieder geval voor 1 mei 2006 niet was aan te merken als een gemeenschapsonderdaan, en derhalve geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. In dit geval kan een veroordeling van 15-18 maanden voldoende zijn om verblijf te weigeren, en betrokkene mogelijk ongewenst te verklaren. Uiteraard is dit afhankelijk van de uiteindelijke veroordeling van betrokkene.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet zonder meer duidelijk waarom de officier van justitie uit bovengenoemde informatie afleidt dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake zou zijn van een verblijfsrecht dat direct aan het EU-recht wordt ontleend. Voor het ontstaan en behouden van een dergelijk verblijfsrecht is het ingeschreven staan van een verblijfstitel immers geen constitutief vereiste. Voorts kan ook uit de laatste brief van de IND worden afgeleid dat het niet wordt uitgesloten dat indien meer gegevens over de feitelijke situatie bekend worden de opgeëiste persoon achteraf bezien over een verblijfsrecht hier te lande (heeft) beschikt. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het geraden, alvorens een beslissing te nemen, meer duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke situatie ten aanzien van het verblijf van de opgeëiste persoon en daarmee de officier van justitie in staat te stellen een onderbouwd standpunt in te nemen over de verblijfstatus van de opgeëiste persoon en de eventuele gevolgen van deze status.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de opgeëiste persoon in de gelegenheid stellen zijn verblijfspositie nader te onderbouwen. De rechtbank zou hiertoe de volgende vragen beantwoord willen zien, waar mogelijk met stukken onderbouwd:

1. Wanneer is de opgeëiste persoon Nederland ingereisd?

2. Kan de opgeëiste persoon zijn melding bij de IND of de Vreemdelingenpolitie nog aantonen?

3. Over welke Duitse identiteitsbewijzen beschikt de opgeëiste persoon en wat was daarvan de geldigheidsduur?

4. Kan de opgeëiste persoon een zo volledig mogelijk beeld geven van zijn werkzaamheden in Nederland zowel in loondienst als als zelfstandige?

De rechtbank acht het van belang om een antwoord op deze vragen te verkrijgen teneinde te beoordelen of het aangewezen is prejudiciële vragen te stellen aan het HVJEG over de invulling van het begrip 'ingezetene' uit het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ; Publ. L 190 van 18 juli 2002), waar het gaat om gemeenschapsonderdanen. Dit begrip is door de Nederlandse wetgever in de OLW ingevuld als 'houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd'.

De opgeëiste persoon dient de antwoorden op deze vragen en de ondersteunende documenten uiterlijk 4 juli 2006 in te dienen bij deze rechtbank.

Nadat de opgeëiste persoon de gegevens heeft verstrekt zal de rechtbank de officier van justitie de gelegenheid bieden een nader standpunt in te nemen.

7. Beslissing

De rechtbank heropent het onderzoek en schorst dit tot de zitting van vrijdag 14 juli 2006 te 14.30 uur.

De rechtbank beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen bovengenoemde zittingsdatum met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,

mrs. J.C. Boeree en A.I. van der Kris, rech-ters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juni 2006.