Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AX9079

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
AWB 05-650
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een verzorgingshuis vraagt in 2000 subsidie voor de afkoop van boekwaarde, omdat de boekwaarde een belemmering vormt voor het financieren van een renovatie. Het College voor Zorgverzekeringen (CvZ) voerde een met de Regeling College voor zorgverzekeringen subsidiering verzorghuizen 2000 samenhangende praktijk waarbij subsidie voor afkoop boekwaarde mogelijk was indien concrete bouwplannen aanwezig waren en het niet verstrekken van de subsidie zou betekenen dat noodzakelijke renovatie niet gerealiseerd kon worden. Het CvZ heeft bij besluit van 28 november 2001 de aanvraag van het verzorgingshuis afgewezen omdat er geen concreet bouwplan aanwezig was. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CvZ na 1 januari 2001 geen beslisbevoegdheid meer heeft met betrekking tot (de subsidiëring van) verzorgingshuizen, omdat deze bevoegdheid samenviel met het van kracht zijn van de Overgangswet verzorgingshuizen, die op 1 januari 2001 expireerde. Verweerder had zich daarom onbevoegd dienen te verklaren. Het beroep wordt gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven geheel in stand omdat een nieuwe beslissing op het bezwaar niet tot een toekenning zou kunnen leiden. Wel spreekt de rechtbank een proceskostenveroordeling uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05 - 650 BESLU

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2006

in de zaak van:

Stichting Fontis Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. M. Boyer, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het College voor Zorgverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2001 heeft verweerder het bij brief van 19 december 2000 door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam en het Zorgkantoor Amsterdam aan verweerder gedane voorstel om, in verband met een ingrijpende renovatie van verzorgingshuis De Bogt, een bedrag van ƒ 4.100.000,--

(€ 1.860.499,--) aan eiseres beschikbaar te stellen voor de afkoop van de boekwaarde van het verzorgingshuis, niet overgenomen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 28 december 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 december 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

In haar uitspraak van 26 november 2004 heeft de rechtbank dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 24 december 2004 (opnieuw) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 31 januari 2005, aangevuld bij brief van 8 maart 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 april 2006, alwaar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door H. Moeskops (Raad van bestuur van eiseres), bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. van Dijen en J. Knollema, beiden werkzaam bij verweerder.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is, onder meer, exploitant van verzorgingshuis De Bogt in Amsterdam (hierna: het verzorgingshuis).

2.2 Bij brief van 19 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam en het Zorgkantoor Amsterdam verweerder voorgesteld een bedrag van ƒ 4.100.000,-- beschikbaar te stellen ten behoeve van afkoop van boekwaarde van verzorgingshuis De Bogt.

2.3 Verweerder heeft zich - voor zover relevant- op het volgende standpunt gesteld. De brief van 19 december 2000, door verweerder ontvangen op 2 januari 2001, is aangemerkt als een aanvraag van eiseres in aanmerking te komen voor subsidiëring van het genoemde bedrag. De aanvraag voldoet echter niet aan de voorwaarden uit de Regeling College voor zorgverzekeringen subsidiering verzorghuizen 2000 (hierna: de Regeling). Er is geen concreet bouwplan waarvoor verweerder vooraf toestemming heeft verleend, als bedoeld in artikel 24 van de Regeling. Op 1 januari 2001 verviel, door het expireren van de Overgangswet verzorgingshuizen (Ovw), de bevoegdheid van verweerder om goedkeuring te geven aan bouwplannen. Het was daardoor niet opportuun om eiseres uit te nodigen om alsnog een bouwplan in te dienen. Dit bouwplan kon onmogelijk nog in het jaar 2000 worden ingediend, laat staan dat verweerder daarover een beslissing had kunnen nemen in het jaar 2000.

Voorts kan het grootstedelijk gemeentelijk plan van 15 maart 2000 niet als een individuele subsidieaanvraag worden beschouwd. Een dergelijk gemeentelijk plan heeft een geheel andere status.

Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder aangevoerd dat door de betrokken medewerker met betrekking tot verzorgingshuis Het Schouw destijds een fout is gemaakt. De boekwaarde had nimmer zonder concreet bouwplan vergoed mogen worden, aldus verweerder.

2.4 Eiseres heeft gesteld dat het besluit onrechtmatig is en dat verweerder in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Eiseres heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het gemeentelijk plan van 15 maart 2000 als een subsidieaanvraag van eiseres voor de afkoop van boekwaarde had moeten worden aangemerkt. Voorts heeft eiseres gesteld dat verweerder een beleid voor de afkoop van boekwaarde had en dat beleid bekend had moeten maken. In elk geval had verweerder eiseres na 15 maart 2000 op dit beleid moeten wijzen. Tot slot heeft verweerder bij de toekenning van afkoopwaarde geen gelijke behandeling toegepast ten opzichte van eiseres. Bij verzorgingshuis Het Schouw heeft verweerder zonder concreet bouwplan toch een subsidie voor afkoop boekwaarde toegekend.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 De Owv voorzag onder meer in de bevoegdheid van verweerder om subsidies, waaronder bouwsubsidies, te verstrekken ten behoeve van verzorgingshuizen en instellingen. Ter uitvoering van artikel 13 van de Owv heeft verweerder de Regeling, voornoemd, vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de gewijzigde Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) en de Wet ziekenhuisvoorzieningen is met ingang van 1 januari 2001 niet langer verweerder, maar het College bouw ziekenhuisvoorzieningen het in dit kader bevoegde orgaan.

2.7 De aanvraag van 19 december 2000 was gericht op het verkrijgen van een subsidie voor de afkoop van de boekwaarde van verzorgingshuis De Bogt. De Regeling voorzag met zoveel woorden niet in de mogelijkheid tot het verstrekken van een dergelijke subsidie. In de praktijk bleek dat de afschrijvingslasten van verzorgingshuizen veelal een belemmering vormden om noodzakelijke renovaties te kunnen financieren. Om die reden hanteerde verweerder een praktijk waarbij een subsidie kon worden aangevraagd teneinde de boekwaarde van het verzorgingshuis te kunnen afkopen. Zodoende kon alsnog de gewenste renovatie gerealiseerd worden.

2.8 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het stellen van voorwaarden aan subsidieaanvragen als de onderhavige in redelijkheid kunnen aansluiten bij de relevante vereisten uit de Regeling, waaronder het vereiste van concrete bouwplannen waarvoor verweerder vooraf toestemming moet geven. Niet in geschil is dat ten tijde van de aanvraag aan dit vereiste niet was voldaan.

2.9 Gelet op het onder 2.6 overwogene moet worden geconcludeerd dat de aanvraag nimmer op grond van de Owv en de daarop gebaseerde Regeling tot toekenning zou kunnen leiden. De bevoegdheden van verweerder met betrekking tot (de subsidiëring van) verzorgingshuizen vielen immers samen met het van kracht zijn van de Owv. Nu de Owv met ingang van 1 januari 2001 is vervallen, was verweerder na die datum niet meer bevoegd op de aanvraag te beslissen.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de melding van de plannen tot renovatie op 15 maart 2000 door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan verweerder niet als een aanvraag om subsidie kan worden beschouwd.

2.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder zich onbevoegd had dienen te verklaren. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb, in stand te laten, nu een nieuw door verweerder te nemen besluit niet kan leiden tot toekenning van het verzoek van eiseres. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het besluit voor vernietiging vatbaar was en derhalve door eiseres reden bestond tot het instellen van beroep aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 bepaalt dat de gevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

3.4 veroordeelt het College voor Zorgverzekeringen in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal

€ 644,--, welk bedrag het College voor Zorgverzekeringen aan haar dient te betalen;

3.5 gelast dat de het College voor Zorgverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht van € 273,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. F.F.W. Brouwer en A.P.W. Duijkersloot, rechters, en op 12 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.