Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AX8644

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
13.497.162-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering naar Oostenrijk geweigerd. Overlevering wordt gevraagd voor in het verkeer brengen van vedomi. Uit feitomschrijving blijkt niet dat aan de opgeëiste persoon een strafrechtelijk verwijt wordt gemaakt tav de invoer in Oostenrijk. De vedomi zijn in Nederland in het verkeer gebracht, zodat de feiten worden geacht volledig op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. De ovj heeft niet in redelijkheid tot de vordering kunnen komen om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 13.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.162-2006

RK nummer: 06/1204

Datum uitspraak: 6 juni 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 maart 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 5 januari 2006 door een Judge (Richter) van het Landesgericht für Strafsachen Graz, Oostenrijk,

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

wonende op het [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 mei 2006. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en haar raadsman, mr. F.H. van Alst, advocaat te Someren gehoord.

Op die zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij over de overlevering moet beslissen met dertig dagen verlengd. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig overbelast is dat zij niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrest warrant van het Landesgericht für Strafsachen van 5 januari 2006 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan 7 of 8 naar het recht van Oostenrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat zij niet de Nederlandse, maar de Oostenrijkse nationaliteit heeft en dat zij een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen.

De feiten vallen onder nummer [5] op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Zij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft bij schrijven van 12 mei 2006 laten weten dat de opgeëiste persoon het recht van verblijf in Nederland niet zal verliezen ten gevolge van een haar na overlevering opgelegde straf of maatregel. Op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW moet de opgeëiste persoon in zoverre gelijk worden gesteld aan een Nederlander. Haar overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie is gegeven.

Het Landesgericht für Strafsachen Graz heeft op 3 mei 2006 de volgende garantie gegeven:

In der Strafsache gegen [opgeëiste persoon] de Mitteilung, dass die Staatsanwalt Graz die Auslieferung der Beschuldigten [opgeëiste persoon] nach Österreich beantragt und dass im Falle einer Verurteilung der Beschuldigten zu einer unbedingten Freiheitsstrafe diese Strafe über Antrag in den Niederlanden verbüßt werden kann.

OP 16 mei 2006 heeft het Landesgericht für Strafsachen Graz voornoemde garantie als volgt aangevuld:

In der Strafsache gegen [opgeëiste persoon] wird garantiert, dass im Falle einer Verurteilung zu einer Freiheitsstrafe das Umwandlungsverfahren im Sinne von Artikel 11 des Übereinkommens über die Überstellung verurteilter Personen vom 21.03.1983 zur Anwendung kommen kann..

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan nu de onder 4 bedoelde feiten inderdaad naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De raadsman heeft als verweer aangevoerd dat in de feitsomschrijving wordt gesproken over ‘ruime’ invoer van verdovende middelen. Daarbij is het van belang dat aangetoond wordt dat de opgeëiste persoon de opzet had om de verdovende middelen in Oostenrijk in het verkeer te brengen. De omschrijving die in het EAB is opgenomen is in dat opzicht niet voldoende, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de strafbaarheid het volgende:

Uit de in onderdeel e) van het EAB opgenomen omschrijving van de feiten blijkt ten aanzien van de opgeëiste persoon dat zij in 3 gevallen tussen eind zomer 2003 en eind februari/begin maart 2004 en vier of vijf gevallen tussen december 2003 en augustus 2005 verdovende middelen in het verkeer zou hebben gebracht door deze te verkopen aan een aantal in het EAB genoemde personen. De verdovende middelen zijn vervolgens door deze personen in Oostenrijk ingevoerd.

Uit bovengenoemde feitomschrijving blijkt op geen enkele wijze dat de opgeëiste persoon een strafrechtelijk verwijt wordt gemaakt met betrekking tot de invoer in Oostenrijk, nu nergens wordt gesteld dat zij wist, of had moeten weten, dat de verdovende middelen met dat doel werden gekocht. Tevens wordt in het EAB niet gesproken over samenwerking met de personen die de verdovende middelen in Oostenrijk hebben ingevoerd noch van (mede)daderschap ten aanzien van die invoer.

Nu blijkens de in het EAB aangehaalde paragraaf 28, Abs 2, vierter Fall, de feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd, worden gekwalificeerd als

“in het verkeer brengen van een grote hoeveelheid verdovende middelen” zal de rechtbank de feiten naar Nederlands recht kwalificeren als:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, onder B, van de Opiumwet.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW

Uit de stukken blijkt dat het feit waarvoor de Oostenrijkse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

Enerzijds blijkt dat de opgeëiste persoon een verblijfstitel voor onbepaalde tijd heeft in Nederland en hier reeds vele jaren verblijft. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon een belang heeft bij vervolging en berechting in Nederland.

Anderzijds blijkt dat:

- de feiten waarop het EAB ziet zich slechts gedeeltelijk op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld, te weten: de afgifte van de verdovende middelen zou te Aalst hebben plaatsgevonden;

- de medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] worden in Oostenrijk vervolgd;

- de opsporing van de feiten is in Oostenrijk aangevangen;

- in Oostenrijk de meeste bewijsmiddelen voorhanden zijn;

- schending van de rechtsorde in Oostenrijk heeft plaatsgevonden, nu een grote hoeveelheid verdovende middelen op de markt in Oostenrijk terecht is gekomen.

Het bovenstaande brengt de officier van justitie tot het oordeel dat bij afweging van het belang dat de opgeëiste persoon heeft bij een berechting in Nederland en het belang dat de verzoekende staat heeft bij zijn berechting aldaar, het belang van de verzoekende autoriteiten dient te prevaleren.

De raadsman heeft verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen, nu het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op strafbare feiten die in Nederland zijn gepleegd.

De opgeëiste persoon heeft belang bij een mogelijke vervolging en berechting in Nederland nu zij reeds jarenlang in Nederland verblijft en haar familie ook in Nederland verblijft. Onderzoek en behandeling van de strafzaak in een vreemd land zou een nodeloze verzwaring zijn voor de opgeëiste persoon.

De rechtbank overweegt het volgende:

De rechtbank gaat, gelet op hetgeen hiervoor onder 6. is overwogen, ervan uit dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd voor het in het verkeer brengen van verdovende middelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de opgeëiste persoon de verdovende middelen in Nederland in het verkeer gebracht door de verdovende middelen alhier te verkopen, zodat de feiten worden geacht volledig op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. De afzonderlijk in Oostenrijk vervolgde personen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen als medeverdachten van de opgeëiste persoon bij het in het in Nederland in het verkeer brengen van de verdovende middelen.

De officier van justitie heeft gewezen op de goede rechtsbedeling en aangevoerd dat in dat kader van oordeel te zijn dat de belangen van betrokkene bij berechting in Nederland niet opwegen tegen het grotere belang van Oostenrijk bij overlevering. De argumenten die zij in dat kader heeft aangevoerd zijn voor de rechtbank niet doorslaggevend, zodat het belang van de opgeëiste persoon bij berechting in Nederland zwaarder gaat wegen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen.

8. Slotsom

Het voorgaande brengt mee dat de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid onder a, OLW dient te worden geweigerd.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet

de artikelen 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet

10. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge (Richter) van het Landesgericht für Strafsachen Graz ten behoeve van het in Oostenrijk tegen haar gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor haar overlevering wordt verzocht.

HEFT OP het geschorste bevel gevangenhouding.

Aldus gedaan door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van Sliedregt, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juni 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.