Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AX8590

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
337951 / KG 06-517 P
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter wijst in kort geding de rectificatie als gevorderd door eiser niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

P/EB

vonnis 27 april 2006

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t n u m m e r s 337951 / KG 06-517 P v a n:

[eiser],

wonende te [woon[woonplaats],

e i s e r bij gelijkluidende dagvaardingen van 3 april 2006,

procureur mr. H.M. Meijerink,

advocaat mr. S. Spans te [woonplaats],

t e g e n :

1. de besloten vennootschap UITGEVERIJ PROMETHEUS B.V., handelende onder de naam Samenwerkende Uitgeverijen Prometheus, Bert Bakker en Vassallucci en Van Goor,

gevestigd te Amsterdam,

procureur mr. W. van Baren,

advocaat mr. M.E. Verwoert te Amsterdam,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

beiden in persoon verschenen,

g e d a a g d e n.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 11 april 2006 heeft eiser, verder te noemen [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde sub 1, verder ook afzonderlijk te noemen de uitgeverij, en gedaagden sub 2 en 3, verder ook te noemen de auteurs, hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de auteurs van het op 23 november 2005 gepubliceerde boek getiteld “De oorlog van de sergeanten, Surinaamse militairen in de politiek”, verder te noemen het boek. Het boek is uitgegeven door de uitgeverij.

b. Pagina 133 van het boek bevat de volgende passage:

“Een van de afnemers van zijn ([eiser], vzr.) magische middelen was legerleider Bouterse. Als extra betaling kreeg [eiser] een baan als ambtenaar bij het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling met als standplaats Moengo.”

c. Het boek bevat op pagina 307 een “Woord van dank”, dat voorzover van belang luidt:

“Ook [eiser] heeft ons bij tijd en wijle over de binnenlandse oorlog verteld (...)”

d. Bij brief van 25 november 2005 aan de uitgeverij heeft [eiser] geëist dat de onder b en c vermelde zinnen uit het boek zouden worden verwijderd. Met instemming van de auteurs heeft [hoofdredacteur], hoofdredacteur van de uitgeverij, bij brief van 30 november 2005 aan de advocaat van [eiser], aangeboden om de volgende tekst in een erratumvel op te nemen:

“Eveneens op pagina 133 staat de zinsnede ‘Een van de afnemers van zijn magische

middelen was legerleider Bouterse. Als extra betaling kreeg [eiser] een baan als ambtenaar bij het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling met als standplaats Moengo.’ Dat [eiser] als extra betaling een baan kreeg aangeboden, is onjuist. Volgens sommige informanten was Bouterse een van [eiser]s afnemers, wat [eiser] overigens ontkent.(...)

Op pagina 307 staat dat [eiser] de auteurs bij tijd en wijle over de

binnenlandse oorlog heeft verteld. Dat is niet juist. [eiser] heeft alleen met [gedaagde 2] gesproken, volgens hemzelf overigens niet over de binnenlandse oorlog”.

Het aanbod van de uitgeverij omvat tevens de toezegging dat de gemaakte fouten in herdrukken van het boek zullen worden gecorrigeerd. [eiser] heeft dit aanbod afgeslagen.

2. [eiser] vordert, samengevat, gedaagden te veroordelen om hem schriftelijk in kennis te stellen dat zij voldoen aan de door [eiser] voorgestelde rectificaties, te weten:

a. een erratumvel in elk nog te verkopen boek met de onder a. van het petitum vermelde tekst;

b. bij herdruk van het boek de gewraakte zinsnede op pagina 133 weglaten;

c. bij een herdruk van het boek de naam van [eiser] uit het Woord van dank schrappen;

d. een persbericht te doen uitgaan naar het ANP, diverse Nederlandse en Surinaamse dagbladen en tijdschriften en radio-omroepen alsmede de Nederlandse Vereniging van Openbare Bibliotheken;

alsmede:

e. gedaagden te verbieden om [eiser] verder in diskrediet te brengen;

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom;

f. gedaagden te veroordelen tot betaling van € 30.000,= bij wijze van voorschot op de schadevergoeding;

g. gedaagden te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

h. dat de voorzieningenrechter een zodanige beslissing neemt als deze vermeent te behoren;

i. gedaagden te veroordelen in de proceskosten.

3. Aan zijn vordering legt [eiser], samengevat, ten grondslag dat gedaagden ten onrechte de indruk hebben gewekt dat ten tijde van het bewind van Bouterse in Suriname sprake zou zijn geweest van een samenwerking tussen [eiser] en Bouterse en dat [eiser] door toedoen van Bouterse als wederdienst een baan als ambtenaar zou hebben gekregen. Verder hebben gedaagden ten onrechte de indruk gewekt dat [eiser] medewerking zou hebben verleend aan de totstandkoming van het boek. Door [eiser] op deze lichtzinnige wijze verdacht te maken hebben gedaagden onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Door de publicatie heeft [eiser], een vooraanstaand lid van de Marron gemeenschap in zowel Nederland als Suriname, reputatieschade geleden. Gevolg hiervan is dat [eiser], die in Nederland een therapeutische praktijk heeft, zijn cliëntèle heeft zien teruglopen. De schade die [eiser] hierdoor lijdt dient door gedaagden te worden vergoed.

4. Ter afwering van de vordering hebben gedaagden, samengevat, gesteld dat de auteurs het door hun verrichte onderzoek zorgvuldig hebben uitgevoerd. Zij hebben zich daarbij op gezaghebbende bronnen gebaseerd. De uitgeverij had geen reden om aan de zorgvuldigheid van de auteurs te twijfelen. Een afweging van het belang van de vrijheid van meningsuiting van gedaagden en het belang van [eiser] bij bescherming tegen lichtvaardige verdachtmaking en bescherming van zijn reputatie dient in het voordeel van gedaagden uit te vallen. Door vast te houden aan de rectificatie zoals voorgesteld door [eiser], heeft het er de schijn van dat hij zijn rol in de geschiedenis wil herschrijven. Hij vordert immers een rectificatie, onder meer inhoudend dat ten onrechte de indruk is gewekt dat er een vorm van betrokkenheid heeft bestaan tussen [eiser] en Bouterse. Die betrokkenheid was er echter wel degelijk. Hij is immers in 1985 benoemd tot politiek adviseur van U.E. Aron, de voorzitter van de Nationale Assemblee. Het is ondenkbaar dat deze benoeming heeft plaatsgevonden zonder toestemming van Bouterse. In december 1985 is [eiser] benoemd in het Kabinet van de Districts-Commissaris van het district Marowijne, welke benoeming eveneens de instemming van Bouterse moet hebben gehad. Bij brief van 8 juli 1986 is [eiser] bevorderd tot Stafambtenaar B 2e klasse (schaal 11), een benoeming die niet in overeenstemming was met zijn functie en zijn opleiding. De auteurs menen dat van hen dan ook niet kan worden gevergd dat zij zeggen dat er geen betrokkenheid heeft bestaan tussen [eiser] en Bouterse. [gedaagde 2] heeft voorts aangevoerd met [eiser] te hebben gesproken en dat daarbij ook de binnenlandse oorlog ter sprake is gekomen. De aangeboden rectificatie was een aanbod ter voorkoming van een procedure en gedaagden zijn dan ook niet langer bereid hiertoe over te gaan. Wel zijn zij bereid de gewraakte zinnen in een volgende druk weg te laten.

Beoordeling van het geschil

5. Ingevolge artikel 6:167 van het Burgerlijk Wetboek heeft als uitgangspunt te gelden dat rectificatie kan worden bevolen indien sprake is van publicatie van onjuiste of door onvolledigheid misleidende gegevens van feitelijke aard. De uiting dient te worden beoordeeld in het kader waarin zij werd gedaan, met oog voor plaatselijke opvattingen en omstandigheden en de overige context. Bij de beoordeling of een publicatie moet worden gerectificeerd, dient enerzijds het belang te worden betrokken dat burgers of rechtspersonen niet door publicaties worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en anderzijds het belang dat men zich (in het openbaar) kritisch, informerend, opiniërend of waarschuwend moet kunnen uitlaten om te voorkomen dat door een gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken, kunnen blijven voortbestaan. Welk van deze belangen zwaarder dient te wegen, hangt af van de omstandigheden van het geval.

6. In het boek wordt ruim één pagina gewijd aan [eiser]. In de op hem betrekking hebbende tekst staan twee zinnen die volgens [eiser] onjuist zijn. [eiser] stelt dat hij in 1973 als ambtenaar is aangesteld en dat het dienstverband, anders dan de auteurs hebben geschreven, sindsdien niet is verbroken. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij in de periode van 1979 tot oktober 1980 niet heeft gewerkt, omdat hij in die periode met onbezoldigd verlof was. De auteurs hebben deze lezing van de feiten niet bestreden. Daarmee is aannemelijk geworden dat [eiser] zijn aanstelling reeds heeft verworven voordat Bouterse in augustus 1980 aan de macht kwam, zodat daarmee tevens aannemelijk is dat de zin ‘Als extra betaling kreeg [eiser] een baan als ambtenaar bij het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling met als standplaats Moengo’ onjuist is. Verder betwist [eiser] de stelling van de auteurs dat Bouterse een van de afnemers van zijn magische middelen was. De auteurs stellen daartegenover dat deze bewering door verschillende bronnen is bevestigd, maar dat zij dit niet hard kunnen maken, omdat hun informanten daarover niet wensen te getuigen in deze zaak. Tot slot heeft [eiser] met betrekking tot het dankwoord in het boek gesteld dat hij nooit met de auteurs heeft gesproken over de binnenlandse oorlog. [gedaagde 3] heeft erkend dat hij nooit met [eiser] heeft gesproken, maar [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat hij meerdere malen met [eiser] heeft gesproken, waarbij ook de oorlog ter sprake is gekomen.

7. De auteurs hebben in hun boek de roerige Surinaamse periode van 1980 tot en met 1993 beschreven. Het werk beslaat 267 pagina’s tekst en is voorzien van negentien pagina’s noten en negen pagina’s literatuurverwijzingen, hetgeen wijst op zorgvuldig onderzoek. Het is onvermijdelijk dat in een historisch werk van deze omvang ook enige feiten zijn opgenomen die later geheel of gedeeltelijk onjuist blijken te zijn. Het feit dat één zin uit het boek niet correct is en dat van één zin de waarheid in dit geding niet kan worden vastgesteld, maakt nog niet dat gedaagden door deze zinnen in de publicatie op te nemen onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld. Voorshands is niet gebleken van omstandigheden die dit anders maken. De enkele omstandigheid dat het voor [eiser] schadelijk is als de mensen uit zijn kring de indruk krijgen dat hij bij het Bouterse-regime betrokken was, is daarvoor onvoldoende. Gedaagden hebben immers voldoende aannemelijk gemaakt dat die betrokkenheid, al dan niet onder druk, er wel degelijk was.

De vraag is dus of er, ondanks het ontbreken van onrechtmatigheid, grond is om gedaagden te veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie. Hierbij staat voorop dat een gebod tot rectificatie niet verder kan gaan dan het rechtzetten van feitelijke onjuistheden. De rectificatie als door [eiser] gevorderd gaat in dit opzicht verder en is in ieder geval niet toewijsbaar.

8. [eiser] heeft erkend met in ieder geval een van de auteurs te hebben gesproken. De vraag of hierbij ook is gesproken over de binnenlandse oorlog wordt door de twee gesprekspartners verschillend beantwoord. Wie van hen hierin gelijk heeft kan in deze procedure niet worden vastgesteld. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat de mededeling in het dankwoord hierover op een relevant punt onjuist is. De vraag of dit gesprek met een of twee auteurs heeft plaatsgevonden is niet van zodanig belang dat dit een rectificatie zou rechtvaardigen. De vordering tot rectificatie van deze mededeling in het dankwoord wordt dan ook afgewezen.

9. Wel staat vast dat de opmerking dat het verkrijgen van een baan als ambtenaar een extra betaling was voor de levering van magische middelen aan legerleider Bouterse onjuist is. Deze onjuistheid is echter niet van zodanig gewicht dat dit een zo vergaande maatregel als het invoegen van een erratumvel in alle nog te verkopen boeken en het doen uitgaan van persberichten als gevorderd kan rechtvaardigen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat [eiser] geen magische middelen aan Bouterse heeft geleverd, de geringe oplage van het boek, het ondergeschikte belang van die mededeling in het gehele boek en de omstandigheid dat [eiser] zelf al in diverse media in Suriname zijn standpunt in deze bekend heeft gemaakt. Tenslotte is van belang dat gedaagden hebben toegezegd in een eventuele herdruk de gewraakte zinnen niet meer te zullen opnemen. Er is geen reden aan deze toezegging te twijfelen, zodat voor een veroordeling op dit punt evenmin aanleiding is. Gelet op het voorgaande is er evenmin aanleiding om de auteurs op straffe van een dwangsom te verbieden om [eiser] verder in diskrediet te brengen.

10. Nu de door [eiser] gestelde onrechtmatigheid niet aannemelijk is geworden, is de vordering tot betaling van schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten evenmin toewijsbaar.

11. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van gedaagden begroot op en te voldoen als volgt:

? aan de uitgeverij:

€ 248,- aan vastrecht, en

€ 816,= aan salaris procureur;

? aan [gedaagde 2]:

€ 248,= aan vastrecht;

? aan [gedaagde 3]:

€ 248,= aan vastrecht.

3. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door de vice-president mr. M.Y.C. Poelmann, voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 27 april 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: