Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AX1557

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-01-2006
Datum publicatie
15-05-2006
Zaaknummer
13.497530-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Portugal geweigerd. De rechtbank neemt bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de OLW het feitencomplex als uitgangspunt, zoals dat aan het onderhavige EAB ten grondslag ligt. Dat de Portugese autoriteiten hebben aangegeven niet te willen vervolgen voor de poging tot invoer van verdovende middelen in Nederland, maakt het feitencomplex niet anders. Het feit heeft daarom geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied plaatsgevonden. Overlevering geweigerd nu de officier van justitie - ook subsidiair - heeft afgezien van een vordering ex artikel 13, tweede lid, OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497530-2005

RK nummer: 05/4052

Datum uitspraak: 6 januari 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 november 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 22 november 2005 door de Public Prosecutor bij de Public Prosecutor's Office (Procuradoria Geral da República), Lissabon, Portugal. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres]

thans gede-tineerd in het huis van bewaring "Demersluis" te Amsterdam,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 januari 2006. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Hoofddorp gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Portugese taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een detention warrant d.d. 12 september 2005 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Portugal strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Portugese nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op dit feit is bovendien naar het recht van Portugal een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a en b, OLW

Artikel 13, eerste lid, OLW luidt:

1. Overlevering wordt niet toegestaan indien het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op een strafbaar feit dat:

a. geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied of buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig te zijn gepleegd; of

b. buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat is gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd.

In het geding is de vraag naar de strekking van artikel 13, eerste lid OLW, meer in het bijzonder de vraag wat moet worden verstaan onder strafbaar feit.

Nu de OLW een Nederlandse wettelijke regeling is dient voor de betekenis van het begrip strafbaar feit aansluiting te worden gezocht bij de invulling die het Nederlandse recht aan dit begrip geeft. In HR 17 december 1963, NJ 1964, 385 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het begrip 'strafbaar feit' in de zin van artikel 68 Wetboek van Strafrecht geoordeeld dat indien sprake is van een "zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en in de schuld van de dader" kan worden gesproken van een zelfde feit. De Hoge Raad sluit bij het begrip 'strafbaar feit' derhalve aan bij het historisch 'feitencomplex' zoals dit in werkelijkheid heeft plaatsgevonden en niet bij de kwalificatie die daaraan kan worden gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank dient ook bij het begrip 'strafbaar feit' in artikel 13 OLW - zijnde een Nederlandse wet - uit te worden gegaan van het feitencomplex zoals dat heeft plaatsgevonden en niet van de juridische kwalificaties die hieraan kunnen worden gegeven. Daaruit volgt dat het strafbare feit niet anders wordt door aan het gebeuren een andere of beperktere kwalificatie te geven.

De Memorie van Toelichting bij de OLW bevat de volgende passage:

Het oordeel over het al dan niet instellen van een vervolging komt toe aan de met strafvervolging belaste autoriteiten van de lidstaat waar de gewraakte gedraging heeft plaats gevonden. Het is aan die autoriteiten te bepalen of en, zo ja, welk strafrechtelijk gevolg ze daaraan willen geven. Dat is ook de reden waarom uitsluitend om reden dat het feit geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de staat van de uitvoerende justitiële autoriteit is gepleegd en dus ongeacht of er wel of niet een strafvervolging is of zal worden ingesteld, de overlevering mag worden geweigerd.

De rechtbank leidt uit deze toelichting af dat indien binnen het feitencomplex, naast de uitvaardigende staat, ook de Nederlandse strafrechter bevoegd is omdat de feiten (deels) op Nederlands grondgebied plaatsvonden, de officier van justitie zich ex art. 13, tweede lid, OLW uit dient te laten of vervolging in Nederland of in de verzoekende staat dient plaats te vinden. De vraag of een strafbaar feit (deels) op Nederlands grondgebied plaats vond - als van belang in artikel 13 van de OLW - dient derhalve te worden beantwoord aan de hand van het feitencomplex als omschreven onder e) van het EAB.

De Portugese autoriteiten hebben in het EAB de overlevering verzocht voor het volgende feit:

In the inquiry proceedings (...) there are strong indicia that, on the 12th September 2005, (...) an individual by the name of [opgeëiste persoon], of Portuguese nationality and who was on route in the Portela's Airport, travelling between Venezuela and Amsterdam, was carrying in the luggage registered in his name, and that was object of an inspection by the custom's officials, 2K 660 g of a product, that the rapid Dik 12 test revealed was cocaine.

Such product was carried in the false bottom of the suitcase that had on it the label TP 877789, which is related to the ticket issued for and used by the said individual and that was apprehended.

According to the Public Prosecutor's Office information the mentioned individual, who followed his journey, is currently being held by the Dutch Police.

Deze feitsomschrijving is identiek aan de omschrijving die door de Portugese autoriteiten is gegeven in het EAB van 12 september 2005. De rechtbank heeft naar aanleiding van dit eerdere EAB op 18 november 2005 de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het feit waar de overlevering voor werd gevraagd geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied had plaatsgevonden nu de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij met een vliegtuig van Venezuela naar Amsterdam reisde met 2,660 kilogram cocaïne in zijn koffer en dat de cocaïne, buiten medeweten van de opgeëiste persoon, in Portela's Airport door de douane is onderschept.

Aan het onderhavige EAB van 22 november 2005 hebben de Portugese autoriteiten, op verzoek van de Nederlandse officier van justitie, de passage toegevoegd dat de overlevering van de opgeëiste persoon niet gevraagd wordt voor de poging tot invoer van de verdovende middelen in Nederland, maar slechts voor de invoer van de verdovende middelen in Portugal.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de omstandigheid dat de Portugese autoriteiten de overlevering van de opgeëiste persoon slechts wensen voor zover dit betreft de invoer in Portugal van de onderschepte cocaïne, er geen sprake is van een geheel of gedeeltelijk gepleegd zijn van het strafbare feit in Nederland.

Ook nadat de officier van justitie door de voorzitter expliciet in de gelegenheid is gesteld om subsidiair, voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat het feit wel geheel of gedeeltelijk in Nederland is gepleegd, een vordering ex artikel 13, tweede lid, OLW te doen, heeft zij hiervan uitdrukkelijk afgezien.

Aangezien de rechtbank bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, OLW het feitencomplex als uitgangspunt neemt zoals dat aan het onderhavige EAB ten grondslag ligt, is voor de hier te beantwoorden vraag niet van belang dat de Portugese autoriteiten thans hebben aangegeven de opgeëiste persoon niet te willen vervolgen voor de poging tot invoer in Nederland. Door deze beperking is immers het feitencomplex niet anders geworden. Dat de rechtbank in haar beschikking van 2 december 2005 tot afwijzing van het verzoek opheffing c.q. schorsing van de overleveringsdetentie spreekt over een beperking van het feitencomplex ten opzichte van het eerdere EAB doet daaraan niet af. Derhalve is de rechtbank, gelijk haar uitspraak op 18 november 2005, van oordeel dat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat het strafbaar feit waar de overlevering voor is verzocht geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden. Artikel 13, eerste lid, onder a van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering.

Nu de officier van justitie, om voor de rechtbank niet begrijpelijke redenen, er voor gekozen heeft om - ook subsidiair - af te zien van een vordering ex artikel 13, tweede lid, OLW kan de rechtbank niet anders dan de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid, OLW - opnieuw - weigeren.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat niet aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden geweigerd.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de OLW.

9. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Public Prosecutor bij de Public Prosecutor's Office (Procuradoria Geral da República), Lissabon, Portugal, ten behoeve van het in Portugal tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

HEFT OP de overleveringsdetentie van opgeëiste persoon.

Aldus gedaan door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,

mrs. L.E. Kalff en P.B. Martens, rech-ters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 januari 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.