Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AX1292

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2006
Datum publicatie
11-05-2006
Zaaknummer
341380/KG 06-838 SR
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8071, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 11 mei 2006 bepaald dat het boek “De Endstra-tapes” niet uit de handel behoeft te worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 385
IER 2006, 53 met annotatie van F.W. Grosheide
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SR/SK

vonnis 11 mei 2006

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t n u m m e r s 341380/KG 06-838 SR v a n:

1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats],

e i s e r s bij dagvaarding van 4 mei 2006,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

advocaat mr. J.P. Koets,

t e g e n :

1. de besloten vennootschap UITGEVERIJ NIEUW AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagdeM],

3. [gedaagdeV],

beiden werkzaam voor gedaagden sub 1 en aldaar gedagvaard,

g e d a a g d e n ,

procureur mr. P.C. Veerman,

advocaat mr. H. Struik te Utrecht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 8 mei 2006 hebben eisers, verder te noemen de zonen, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden, verder ook afzonderlijk te noemen de Uitgeverij, M. en V., hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht om vonnis te wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. De zonen zijn (meerderjarige) kinderen van wijlen de vastgoedhandelaar W. Endstra. (hierna: Endstra.).

b. In de periode van 20 maart 2003 tot 28 januari 2004 heeft E. in het geheim een vijftiental gesprekken gevoerd met drie ambtenaren van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: C.I.E.) van de Amsterdamse politie.

c. De eerste veertien gesprekken vonden plaats in een rondrijdende auto van de C.I.E., het laatste gesprek was een telefoongesprek.

d.Op 17 mei 2004 is Endstra in Amsterdam op straat doodgeschoten.

e. Van de gesprekken (hierna ook: ‘de achterbankgesprekken’) zijn geluidsopnamen gemaakt. De C.I.E. heeft deze opnamen uitgewerkt als volgt:

* van gesprek 1 en gesprekken 11 tot en met 14 werd een weergave van de inhoud (samenvatting) op papier gezet;

* van gesprekken 2 tot en met 10 werd een letterlijke weergave (transcript) op papier gezet;

* van gesprek 15 (het telefoongesprek) werd gedeeltelijk een letterlijke weergave en gedeeltelijk een samenvatting op papier gezet.

f. De uitwerkingen van de gesprekken zijn op 13 september 2004 door de C.I.E. ter beschikking gesteld aan de Nationale Recherche, die daarvan op 25 januari 2006 een proces-verbaal (hierna: het PV) heeft opgemaakt.

g. Op 30 januari 2006 zijn door de Nationale Recherche 14 verdachten, waaronder W. H. aangehouden op verdenking van, kort gezegd, afpersing van vastgoedhandelaren als Endstra.

h. M. en V. hebben de beschikking gekregen over een kopie van het PV en hiervan melding gemaakt in artikelen in het Parool van 20 maart, 25 maart en 13 april 2006. Ook in andere media zijn artikelen verschenen over het PV.

i. Op 2 mei 2006 heeft de Uitgeverij het boek “De Endstra-tapes” van M. en V. uitgegeven. Het boek bevat een inleiding van 14 pagina’s van M. en V. , de schriftelijke uitwerking van de transcripten -met een enkele bewerking door het weglaten van teveel “eeh”’s, puntjes en bepaalde persoonlijk gegevens, alsmede op enkele plaatsen een korte toelichting tussen vierkante haakjes-, een herschreven versie van de gesprekken 1 en 11 tot en met 14, alsmede een nawoord van 5 pagina’s.

j. Op 2 mei 2006 heeft het tijdschrift Quote het integrale PV voor downloaden beschikbaar gesteld op haar website

2. De zonen vorderen thans, samengevat, gedaagden te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis alle door de Uitgeverij uitgegeven boeken onder de naam “De Endstra-tapes” uit de handel te halen, hen te bevelen alle teruggenomen en in voorraad zijnde boeken binnen twee dagen na voldoening van het hierboven genoemde bevel te vernietigen onder gelijktijdige toezending van bewijsstukken, die daarop betrekking hebben en hen te verbieden om de integrale gesprekken opnieuw op deze wijze in boekvorm uit te brengen of tot druk over te gaan, alles op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,= per dag, en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3. De zonen stellen daartoe, samengevat, het volgende. ‘De achterbankgesprekken’ die Endstra met de rechercheurs van de C.I.E. heeft gehad, zijn gevoerd in interviewvorm, waarbij de rechercheurs vragen stelden en Endstra uitgebreid antwoordde. Gedaagden hebben het PV in bezit gekregen en de daarin uitgewerkte gesprekken in boekvorm opgenomen en uitgegeven, voorzien van een voor- en nawoord van M. en V. . Dit voor- en nawoord beslaat echter maar een klein deel van het boek. Over het publiceren van ‘de achterbankgesprekken’ is geen overleg geweest met de erven van Endstra en zij hebben hier ook geen toestemming voor gegeven.

De interviews zijn aan te merken als werken in de zin van de Auteurswet 1912 (Aw) en op de interviews rust derhalve auteursrecht. Het auteursrecht komt (mede) toe aan Endstra. Zijn erfgenamen hebben thans het recht zich tegen de publicatie te verzetten. De stelling dat de interviews, de gesprekken met Endstra auteursrechtelijk beschermde werken zijn, wordt ondersteund in de literatuur en door een terzake deskundig hoogleraar in een door de zonen verzochte opinie van 8 mei 2006. Of de gesprekken nu als getuigenissen danwel als interviews moeten worden aangemerkt, het gaat in ieder geval om urenlange gesprekken die Endstra heeft gevoerd, waarbij het onderwerp was “de afpersing en bedreiging door H.” en waarin hij op systematische wijze zijn verhaal heeft gedaan. Daarbij heeft Endstra een vorm gekozen die een eigen en persoonlijk karakter heeft. Het gaat hier niet om een gesprek voor de vuist weg, maar een gesprek met een bedoeling, aldus de zonen.

In verband met artikel 10 EVRM stellen de zonen dat er geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de auteursrechten, met een beroep op artikel 10 EVRM, moeten wijken. Er is geen ander dan een commercieel doel beoogd met de uitgave en er worden met “De Endstra-tapes” geen misstanden aan de kaak gesteld.

Hoewel er al eerder over of uit het PV is gepubliceerd, staat dat niet in verhouding tot de nu verschenen volledige uitwerking en die eerdere publicaties kunnen dan ook niet als rechtvaardiging dienen. Dit geldt ook voor de publicatie door Quote op het internet.

Door de publicatie wordt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de zonen gemaakt, hetgeen onrechtmatig is. De zonen lopen risico’s voor represailles door de zeer gedetailleerde en uitvoerige wijze waarop Endstra als getuige verklaringen heeft afgelegd. Tevens speelt het algemeen belang mee dat het afgelopen moet zijn met het lekken en commercieel uitwinnen van niet-openbare getuigenverklaringen die deel uitmaken van een lopend strafproces. Aldus nog steeds de zonen.

4. Gedaagden voeren als verweer, samengevat, het volgende aan. Als de zonen al een auteursrechtelijke claim hebben, kan die alleen gelden voor de gesprekken 2 tot en met 10, aangezien de overige gesprekken samenvattingen betreffen van de rechercheurs van de C.I.E. Het in het PV opgenomen telefoongesprek is door M. en V. niet gekopieerd maar weergegeven in een eigen vormgeving en sterk ingedikt. Op de gesprekken 2 tot en met 10 rust echter geen auteursrecht, aangezien zij niet voldoen aan de voor bescherming gestelde eisen: het moet gaan om een werk van letterkunde, wetenschap of kunst dat een eigen, oorspronkelijk karakter moet hebben en het persoonlijk stempel van de maker moet dragen. Iemand moet iets hebben gemaakt en deze persoon moet zich ervan bewust zijn dat hij iets voortbrengt waaraan hij een bepaalde vorm wil geven. Dit bewustzijn moet ook in dat wat hij voortbrengt tot uiting komen. Een gewoon gesprek is geen auteursrechtelijk werk en dit standpunt wordt in de literatuur onderschreven, alsmede door een (ander) terzake deskundig hoogleraar in zijn door gedaagden verzochte opinie van 7 mei 2006.

De gesproken tekst van Endstra is volgens gedaagden tijdens ‘de achterbankgesprekken’ spontaan uit zijn mond gerold, mede naar aanleiding van korte tussenwerpingen van de rechercheurs. Aan deze spontaan voortgebrachte woorden ontbreekt iedere vormgeving in auteursrechtelijk relevante zin. Van een interview in de zin van een enigszins gestructureerd vraaggesprek is geen sprake. De gesprekken zijn nagenoeg alleen gericht op het zakelijk uitwisselen van feitelijke informatie.

M. en V. zijn er van overtuigd dat het uitbrengen van de complete weergave van de gesprekken gerechtvaardigd wordt door het algemeen belang dat journalisten, vanuit hun rol in een democratische samenleving moeten dienen. In dit geval dient de grondrechtelijke vrijheid van het doorgeven en kennisnemen van informatie te prevaleren boven eventuele beperkingen waarop de zonen het oog hebben. M. en V. voeren daartoe een vijftal omstandigheden aan. Daarvan is de voornaamste omstandigheid dat slechts door kennisneming van de complete gesprekken overtuigend duidelijk gemaakt kan worden op welke bedenkelijke of verwerpelijke wijze de politie ten aanzien van Endstra als informant heeft geopereerd. Daarnaast vormt het PV het hart van het bewijs in een zeer belangrijke strafzaak die midden in de publieke belangstelling staat en voorwerp is van maatschappelijk debat. In krantenartikelen kunnen bepaalde aspecten niet goed belicht worden. Verder geldt dat Endstra niet meer leeft. Hij zal niet meer kunnen spreken in de strafzaak of zijn rol nader kunnen verklaren. De Uitgeverij is als uitgever onderdeel van de media en van wezenlijk belang voor de vrijheid van verkrijging en doorgifte van informatie.

De zonen hebben niet concreet duidelijk gemaakt waarom de publicatie van “De Endstra-tapes” op deze wijze, in deze vorm en op dit moment onrechtmatig is. Mocht het al zo zijn dat de gesprekken vertrouwelijk waren, dan is dat voor journalisten geen reden om af te zien van publicatie als zij de beschikking krijgen over die informatie. Endstra heeft in de gesprekken geen omstandigheden onthuld die de zonen persoonlijk betreffen; zij worden zelfs helemaal niet genoemd. Dat gedaagden het PV te gelde zouden maken is een misleidend en ongeldig argument. De zonen hebben bij staking van de verkoop van “De Endstra-tapes” ook geen belang nu het PV op internet is geplaatst. Aldus steeds gedaagden.

Beoordeling van het geschil.

5. Uitgangspunt in deze zaak is dat ingevolge artikel 10 Aw een werk van letterkunde, wetenschap of kunst dat een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt, auteursrechtelijk wordt beschermd.

Het auteursrecht beschermt de geestelijke schepping, die in een vorm tot uiting is gekomen. De aan die geestelijke schepping gestelde vereisten zijn laag, doch er is een drempel en niet elk werk is auteursrechtelijk beschermd. Het enkele feit dat iemand in een gesprek op een bepaalde manier spreekt verleent hem nog geen auteursrecht op dat gesprek. Een gewoon gesprek is doorgaans geen werk, dat auteursrechtelijk beschermd wordt. Voor auteursrecht op een gesprek is nodig dat voor de vorm van dat gesprek creatieve keuzes worden gemaakt.

6. Allereerst dient derhalve te worden vastgesteld of er auteursrecht op de gesprekken van Endstra rust. Het boek “De Endstra-tapes” is gebaseerd op gesprekken die Endstra, op de achterbank van een auto van de C.I.E., heeft gevoerd met medewerkers van de C.I.E. Partijen zijn het erover eens dat de gesprekken werden gevoerd met een man die in doodsnood verkeerde en bescherming zocht bij de politie. De gesprekken werden gevoerd met als doel om justitie informatie te verschaffen, teneinde te kunnen optreden tegen de afpersing van Endstra door W.H. c.s. Het doel van de gesprekken was dan ook niet het vormgeven van een verhaal. De gesprekken die Endstra met de rechercheurs van de C.I.E. heeft gevoerd zijn aan te merken als zakelijke informatieoverdracht, waarbij Endstra weliswaar op eigen wijze heeft gesproken in een soort vraag- en antwoordmodel, hij heeft hierbij echter voor de vorm van het gesprek geen creatieve keuzes gemaakt. In de wijze waarop Endstra zijn verhaal heeft verteld komt immers niet tot uiting dat hij bewust een geestelijke creatie wilde scheppen door zijn verhaal een bepaalde vorm te geven. Er kan dan ook niet vanuit worden gegaan dat Endstra er bewust voor heeft gekozen zijn verhaal op deze manier, in deze vorm en in deze specifieke omgeving te doen. Niet aannemelijk is geworden, dat het feit dat de gesprekken ter bescherming van Endstra voornamelijk op de achterbank van een auto van de C.I.E. zijn gevoerd, van invloed is geweest op de wijze waarop Endstra zijn verhaal heeft verteld.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op de zogenaamde ‘achterbankgesprekken’ geen auteursrecht rust. Dat betekent dat met de uitwerking van de gesprekken in het PV en de publicatie hiervan in “De Endstra-tapes” geen auteursrecht van Endstra en daarmee van de zonen is geschonden.

7. Daarnaast hebben de zonen gesteld dat de publicatie onrechtmatig is, nu de publicatie op deze wijze, in deze vorm en op dit moment in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Bij de beoordeling hiervan is er enerzijds het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de zonen, tegenover anderzijds de (commerciële) belangen van gedaagden bij persvrijheid en vrijheid van meningsuiting.

8. Wat betreft het door de zonen ingeroepen algemeen belang dat het afgelopen moet zijn met het lekken van vertrouwelijke informatie, geldt dat, ook al is deze stelling op zich juist, het niet op de weg van de zonen maar op de weg van de daarvoor aangewezen autoriteiten ligt om tegen het lekken op te treden.

9. Wat betreft de persoonlijke levenssfeer hebben de zonen gesteld dat het hun niet te doen is om de persoonlijke levenssfeer van Endstra zelf, maar om hun eigen persoonlijke levenssfeer. De zonen worden echter niet in het boek vermeld. Het is daarom niet aannemelijk dat zij (juist) door “De Endstra-tapes” (meer) bedreigd worden. Immers, verdachten en advocaten in het strafproces van W.H. c.s. beschikken ook over het PV en er zijn eerder al artikelen over de (inhoud van de) gesprekken gepubliceerd. Niet aannemelijk is dat door het boek “De Endstra-tapes” de kans voor de zonen groter is geworden dat zij, zoals zij hebben gesteld, als getuigen moeten optreden dan wel dat zij meer voor represailles moeten vrezen. De belangen van gedaagden bij de publicatie dienen dan ook zwaarder te wegen, waarbij speelt dat gesprekken die Endstra heeft gevoerd en de samenhang daarmee met de strafzaak tegen W.H. c.s. in het centrum van de maatschappelijke belangstelling staan. Voorts geven de gesprekken inzicht in de wijze waarop de C.I.E. met Endstra is omgegaan.

10. Dat met de uitgave van het boek wellicht commercieel gewin wordt behaald maakt het voorgaande niet anders. Uitgeverijen en journalisten dienen, om hun werk te kunnen doen, nu eenmaal inkomsten te verwerven.

11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van de zonen niet worden toegewezen. De zonen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt Endstra c.s. in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de Uitgeverij, M. en V. begroot op:

- € 248,= aan vastrecht en

- € 816,= aan salaris procureur.

3. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door de vice-president mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 11 mei 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: