Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AW6545

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/4788
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het werk als schipper op een rondvaarboot in Amsterdam is geen seizoenmatige arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 05/4788

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser]

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.C. Kool,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 mei 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft verweerder eisers aanvraag om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) voor de periode 1 december 2004 tot en met 31 maart 2005 afgewezen aangezien het in zijn werk als schipper van een rondvaartboot gebruikelijk is dat hij in deze periode niet werkt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 maart 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Kool. Verweerder is met kennisgeving vooraf niet verschenen.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser werkzaam is in een cyclus omdat er sprake is van een zich herhalend wisselend arbeidspatroon waarin hij perioden van volledig werken afwisselt met perioden van niet-werken. Er is geen sprake van seizoensarbeid. Het gaat om arbeid die vanwege klimatologische omstandigheden geconcentreerd is in bepaalde jaarlijkse perioden, waarbij geen sprake is van sluiting ten gevolge van diezelfde klimatologische omstandigheden. De stelling van eiser dat aan collega’s die onder dezelfde voorwaarden bij dezelfde werkgever hetzelfde werk hebben verricht en wel een WW-recht is toegekend, kan verweerder niet nagaan omdat eiser de daarvoor benodigde gegevens niet heeft overgelegd.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat de door hem verrichte arbeid bij de rederij naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden is, althans hieraan direct is gerelateerd. Hij voert hiervoor aan dat het maken van een rondvaart voornamelijk een zomerse activiteit is en dat het voor toeristen, voor zover die al naar Amsterdam komen, te koud is. Daarnaast kan er in de winter sprake zijn van bevroren grachten, zoals in de winter van 2004, waardoor de rondvaartboten niet kunnen varen en de werkzaamheden die eiser pleegt te verrichten helemaal stil komen te liggen. Verder voert hij aan dat staking van bedrijfsactiviteiten geen vereiste is voor het kwalificeren van arbeid als seizoenmatige arbeid, het is slechts een extra grond om aan te nemen dat arbeid seizoenmatige arbeid is. De activiteiten die in de winter plegen te worden verricht, bestaan nagenoeg niet uit het varen met rondvaartboten maar enkel uit het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Weliswaar kan er formeel niet gesproken worden van een bedrijfssluiting, maar toch wel in materiële zin. Tot slot stelt eiser dat hij slechts geanonimiseerde specificaties kan verstrekken van toekenningen aan twee collega’s maar dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep een beroep op het gelijkheidsbeginsel een uitdrukkelijke weerlegging vraagt.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, is -voor zover hier van belang- de werknemer werkloos die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de WW, wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. Op grond van artikel 16, zevende lid, aanhef en onder b, van de WW, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent de berekening van het verlies van arbeidsuren met betrekking tot wisselende arbeidspatronen.

Aan deze bepaling is uitvoering gegeven in de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren van 18 december 1986, en in het bijzonder in artikel 4b van de Regeling. Met ingang van 1 januari 2006 is laatstgenoemd artikel komen te vervallen (Scrt. 2005, 251). De rechtbank beoordeelt het geschil aan de hand van de regelgeving zoals deze ten tijde van het bestreden besluit luidde.

Op grond van artikel 4b, eerste lid, van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren, zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit, (hierna: Regeling oud) worden voor de beoordeling van het arbeidsurenverlies van de werknemer die in een wisselend arbeidspatroon met een cyclus werkzaam is of is geweest dan wel aansluitend aan het intreden van de werkloosheid in een wisselend arbeidspatroon gaat werken, de kalenderweken waarover de cyclus van dat arbeidspatroon zich uitstrekt in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4b, zesde lid, van de Regeling oud, is dit artikel niet van toepassing op de werknemer die seizoenmatige arbeid heeft verricht. Onder seizoenmatige arbeid wordt verstaan arbeid die naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden is of hieraan direct is gerelateerd en daardoor slechts gedurende één of meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of wordt verricht. Er is geen sprake van seizoenmatige arbeid als de werkzaamheden slechts uit bedrijfseconomische motieven of om organisatorische redenen geconcentreerd zijn in één of meer jaarlijks terugkerende periodes.

Uit de gedingstukken leidt de rechtbank het volgende af. Eiser is met ingang van 1 april 2004 in dienst getreden als rondvaartschipper in Amsterdam bij [naam werkgever]. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het dienstverband van rechtswege eindigt aan het einde van het seizoen, doch minimaal duurt tot en met 30 november 2004 en maximaal tot en met 28 februari 2005. De werkzaamheden van eiser zijn per 1 december 2004 geëindigd. Blijkens een telefoonnotitie is namens [naam werkgever] aan verweerder verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van 1 december 2004 tot april 2005 niet gestaakt worden, maar dat er wel minder bedrijfsactiviteiten zijn. Ook blijkt hieruit dat [naam werkgever] eiser weer in dienst wilde nemen voor de duur van het (nieuwe) seizoen; gebleken is dat eiser in maart 2005 weer voor [naam werkgever] is gaan werken. Ter zitting is verder gebleken dat [naam werkgever] in z’n totaliteit beschikt over zo’n 11 à 12 boten waarvan in de wintermaanden zo’n vier à vijf boten gebruikt worden voor de rondvaarten. Aan de overige boten laat [naam werkgever] op de werf onderhoudswerkzaamheden verrichten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser werkzaam was in een cyclisch arbeidspatroon.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de werkzaamheden van eiser bij [naam werkgever] seizoenmatig van aard zijn als bedoeld in de Regeling zoals die van toepassing was ten tijde van het besluit. Dit is van belang omdat indien de werkzaamheden niet seizoenmatig van aard zijn, geen relevant arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16 WW wordt geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de arbeid van eiser niet moet worden aangemerkt als seizoenarbeid en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [naam werkgever] ook in de wintermaanden, zij het in mindere mate, rondvaarttochten aanbiedt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de activiteiten van [naam werkgever] in de winter substantieel, nu bijna de helft van zijn boten in de vaart wordt gehouden en er inkomsten gegenereerd worden. De gezichtsbepalende en wezenlijke activiteit van [naam werkgever] vindt derhalve ook in de wintermaanden plaats.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van arbeid naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden, noch van arbeid die direct gerelateerd is aan klimatologische gronden en daardoor slechts gedurende een of meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of wordt verricht.

De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 28 december 2005 die eiser naar voren heeft gebracht over de arbeid in een attractiepark en een buitenmuseum (LJN AV 2483 en AV2176) zijn hier niet van overeenkomstige toepassing aangezien in die zaken de gezichtsbepalende en wezenlijke activiteit van het bedrijf niet meer kon worden uitgeoefend omdat er geen publiek op het park werd toegelaten en geen inkomsten meer werden gegenereerd.

Ook de uitspraken waarop eiser zich heeft beroepen handelend over arbeid in de glastuinbouw van 28 december 2005 (LJN AV2445 en AV2480) zijn hier niet van toepassing omdat in deze gevallen de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van een bepaald gewas afhankelijk waren van de hoeveelheid buitenlicht. Van een dergelijke klimatologische afhankelijkheid is hier niet gebleken.

Het beroep van eiser op de overgangsregeling vermeld in een brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werk van 1 mei 2001 faalt reeds omdat de betreffende zinsnede ziet op werknemers die eerder in een cyclus hebben gewerkt en eiser ter zitting heeft verklaard niet eerder in een cyclus te hebben gewerkt.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat, voor zover er al sprake is van vergelijkbare gevallen, dit beginsel niet zo ver strekt dat verweerder daardoor gehouden is een besluit te nemen in strijd met de voorschriften.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser

tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M.A. van Eck, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: