Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AW6508

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
13/421938-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een bewoner van een woning alwaar de politie wil binnentreden, was het uitgangspunt van de wetgever dat het binnentreden altijd voorafgaand moet worden getoetst door een hogere autoriteit dan degene die zijn bevoegdheid tot binnentreden wil uitoefenen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad vloeit echter voort dat voldoende is dat het binnentreden onder toezicht staat van een autoriteit die bevoegd is tot het geven van een machtiging tot binnentreden. Uit artikel 3 lid 1 sub c van de Algemene wet op het binnentreden blijkt dat de hulpofficier van justitie een dergelijke autoriteit is. In zijn uitspraak van 26 juni 1984, NJ 1985, 154, accepteert de Hoge Raad bovendien dat het binnentreden plaatsvindt op grond van een door een hulpofficier van justitie aan zichzelf uitgeschreven machtiging. De Hoge Raad vereist daarbij dat de machtiging schriftelijk wordt opgemaakt. Ook onder de Algemene wet op het binnentreden is het geven van een machtiging aan zichzelf door een hulpofficier van justitie geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/421938-05

Datum uitspraak: 27 april 2006

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2006.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage I aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

...

3. De rechtmatigheid van het verkregen bewijs.

Onrechtmatig verkregen bewijs-verweer ten aanzien van feit 2.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 2. primair als verweer gevoerd, zakelijk weergegeven, dat er sprake is van een onrechtmatige doorzoeking van de woning van zijn cliënt, nu er in de woning zonder rechtsgeldige machtiging is binnengetreden. Inspecteur [inspecteur] heeft zichzelf namelijk gemachtigd binnen te treden, hetgeen in strijd is met de Algemene Wet op het binnentreden, aldus de raadsman. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is geweest van een doorzoeking en dat deze onrechtmatig was, omdat alleen een machtiging was afgegeven voor aanhouding en inbeslagneming en niet voor een doorzoeking. De raadsman is van mening dat de drugs die na het binnentreden in de woning zijn aangetroffen van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt omtrent het primaire verweer als volgt.

Uit het ambtsedig proces-verbaal nummer 2005263263-31 van 03 december 2005, pagina 44 en 45 van het dossier, blijkt dat rechter-commissaris [rechter-commissaris] inspecteur [inspecteur] op 03 december 2005 te 09:15 uur heeft gelast de woning op de [woning waar is binnengetreden], desnoods tegen de wil van de bewoner, binnen te treden teneinde huiszoeking te doen ter inbeslagname van daarvoor vatbare voorwerpen alsmede ter aanhouding van verdachte. Op pagina 46 van het dossier is op de daadwerkelijke machtiging van 03 december 2005 te lezen dat inspecteur [inspecteur], als zodanig hulpofficier van justitie, machtiging geeft aan brigadier [brigadier], vergezeld van 3 personen (de rechtbank begrijpt: politieambtenaren), de woning binnen te treden. Inspecteur [inspecteur] is zelf ook de woning binnengetreden.

Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een bewoner van een woning alwaar de politie wil binnentreden, was het uitgangspunt van de wetgever dat het binnentreden altijd voorafgaand moet worden getoetst door een hogere autoriteit dan degene die zijn bevoegdheid tot binnentreden wil uitoefenen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad vloeit echter voort dat voldoende is dat het binnentreden onder toezicht staat van een autoriteit die bevoegd is tot het geven van een machtiging tot binnentreden. Uit artikel 3 lid 1 sub c van de Algemene wet op het binnentreden blijkt dat de hulpofficier van justitie een dergelijke autoriteit is. In zijn uitspraak van 26 juni 1984, NJ 1985, 154, accepteert de Hoge Raad bovendien dat het binnentreden plaatsvindt op grond van een door een hulpofficier van justitie aan zichzelf uitgeschreven machtiging. De Hoge Raad vereist daarbij dat de machtiging schriftelijk wordt opgemaakt, hetgeen in casu op pagina 46 van het dossier is gebeurd. Ook onder de Algemene wet op het binnentreden is het geven van een machtiging aan zichzelf door een hulpofficier van justitie geaccepteerd, zie Kamerstukken II 1992/93, 19 073, nr. 9, p. 11.

Het binnentreden in de woning van verdachte heeft derhalve met een rechtsgeldige machtiging plaatsgevonden.

De rechtbank verwerpt het primaire verweer.

De rechtbank overweegt omtrent het subsidiaire verweer als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2005263263-1 op pagina 39 en verder van het dossier blijkt dat de inbeslaggenomen verdovende middelen door de politie zijn aangetroffen nadat verdachte deze - toen hem om uitlevering van verdovende middelen was verzocht - had aangewezen. De aangetroffen drugs kunnen derhalve bijdragen aan het bewijs. Of de woning daarna - al dan niet rechtmatig - is doorzocht, kan in het midden blijven.

De rechtbank verwerpt ook het subsidiaire verweer.

4. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1. telastegelegde,

in de periode van 01 december 2003 tot en met 03 december 2005 te Amsterdam meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

ten aanzien van het onder 2. telastegelegde,

op 03 december 2005 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 42,73 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

5. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en de maatregel.

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten 1. en 2. zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren. met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Bovendien heeft verdachte een hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad. Harddrugs, zoals cocaïne, vormen een ernstige bedreiging voor de gezondheid van gebruikers en zijn dan ook verboden. Verdachte heeft met het verkopen van harddrugs bijgedragen aan de overlast die de handel in harddrugs en het gebruik ervan met zich meebrengen.

De rechtbank beschouwt verdachte als een belangrijke schakel in de bij de cocaïnehandel betrokken personen, waaronder zijn medeverdachten, nu hij als tussenpersoon achter de schermen de straathandel in belangrijke mate faciliteert.

Bij de strafoplegging bestaat evenwel aanleiding, mede gelet op de strafoplegging van de medeverdachte en op wat gebruikelijk is wat betreft de hoogte van de straf ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten, om af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Verbeurdverklaring.

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 18 t/m 21 op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage II aan dit verkorte vonnis is gehecht, die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen uit de baten van het bewezen geachte zijn verkregen.

Onttrekking aan het verkeer.

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 1 t/m 10, 13 en 16 op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage II aan dit verkorte vonnis is gehecht, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot althans met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1. en 2. is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd: de voorwerpen met de nummers 18 t/m 21 op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage II aan dit verkorte vonnis is gehecht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen met de nummers 1 t/m 10, 13 en 16 op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage II aan dit verkorte vonnis is gehecht.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van: de voorwerpen met de nummers 11, 12, 14, 15 en 17 op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage II aan dit verkorte vonnis is gehecht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. van den Brink, voorzitter,

mrs. G.A. Bouter-Rijksen en A. Tegelaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hirzalla, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 april 2006.