Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AV4173

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2006
Datum publicatie
09-03-2006
Zaaknummer
335612 / KG 06-282 SR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Op grond van alle zich thans voordoende omstandigheden heeft de Gemeente in redelijkheid kunnen concluderen dat het vooralsnog noodzakelijk is om preventieve maatregelen tegen eiser te nemen. De aard en omvang van de toegepaste verstoring wordt ook proportioneel geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 127
AB 2006, 389 met annotatie van J.G. Brouwer
NJF 2006, 251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SR/MA

vonnis 9 maart 2006

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t n u m m e r s 335612 / KG 06-282 SR v a n:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r bij dagvaarding van 15 februari 2006,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

advocaat mr. S.F.J. Smeets te Utrecht,

t e g e n :

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon de GEMEENTE AMSTERDAM, zetelende te Amsterdam,

2. de BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM, in zijn functie van Burgemeester en belast met de handhaving van de openbare orde, zetelend te Amsterdam,

g e d a a g d e n ,

procureur mr. E.A. Minderhoud.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 22 februari 2006 heeft eiser gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. Eiser woont met zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen in [woonplaats].

b. Op 8 juni 2005 is eiser, in aanwezigheid van zijn echtgenote en hun kinderen, door een arrestatieteam van de politie bij een inval in zijn woning aangehouden. Bij die inval is tevens in de bij de woning behorende kelderbox aangetroffen en aangehouden [M. H. ]. De woning is volledig doorzocht en er zijn spullen in beslag genomen. Onder die spullen bevinden zich een videoband met een compilatie van berichten over de moord op Theo van Gogh en de bedreigingen aan [kamerlid1] en [kamerlid2] en een diskette met daarop brieven geschreven door [M. B.], de moordenaar van Theo van Gogh.

c. Op 10 juni 2005 is eiser in bewaring gesteld. Na twee weken is eiser in vrijheid gesteld. Zijn gevangenhouding is niet door de officier van justitie gevorderd.

d. Bij brief van 10 augustus 2005 heeft de officier van justitie de raadsman van eiser meegedeeld dat hij voornemens is eiser verder te vervolgen ter zake van het misdrijf van artikel 205 Sr. wegens de verdenking dat eiser twee postings op de MSN-groep ‘MuwahiddinDeWare Moslims’ heeft gedaan tot werving voor de gewapende strijd tegen de ongelovigen. Verder heeft de officier van justitie meegedeeld:

Ik ben niet voornemens uw cliënt verder te vervolgen ter zake van deelneming aan een organisatie ex artikel 140 of 140 Sr. Hoewel:

- bij uw cliënt op 10 december 2004 een diskette is gevonden met de “Open brief aan de liegende” en de “Open brief aan de wethouder van Amsterdam” _ geschreven door [M. B.] en ook bij andere verdachten aangetroffen,

- bij uw cliënt ook een videoband is gevonden met een compilatie van berichten over de moord op Van Gogh en de bedreigingen aan [kamerlid1] en [kamerlid2],

- de verdachte [Z. L. A. ] bij uw cliënt korte tijd onderdak heeft gevonden,

- ook de kennelijk sterk geradicaliseerde [M. H.] bij uw cliënt onderdak heeft gevonden, en deze [M. H. ] heeft verklaard dat uw cliënt dezelfde denkbeelden over de jihad aanhangt als hijzelf,

- er historisch telefonische links zijn vastgesteld tussen de GSM van uw cliënt en die van de ‘Hofstad’-verdachten [J. W.], [Z. L. A. ], [M. H. ], [El B.], [T.], [B.], [E.] en [A. L.],

- uw cliënt door [El B.] ook bij [M. B.] thuis is gezien,

- en uw cliënt en de medeverdachte [El F.] samen gebruik maakten van hetzelfde hotmailaccount,

acht ik dit, bij gebreke van voldoende duidelijkheid over de inhoud van de genoemde contacten, onvoldoende voor het bewijs van deelneming aan de organisatie ex art. 140(a) Sr zoals ik die in het ARLES-dossier zie. (..)

e. Begin november 2005 is eiser aangesproken door de buurtregisseur met de mededeling dat hij door de politie in de gaten wordt gehouden.

f. In antwoord op een brief van 11 januari 2006 van de raadsman van eiser aan de burgemeester van Amsterdam, heeft de raadsman van de burgemeester bij faxbrief van 31 januari 2006 – onder meer – geschreven:

(..) dat juist is dat jegens uw cliënt (..), in opdracht van de Burgemeester en op grond van artikel 12 Politiewet verstoringmaatregelen worden toegepast. De buurtregisseur heeft dit aan de heer [eiser] in november 2005 al medegedeeld. (..)

Het verstoren vindt onder andere zijn grond in de omstandigheid dat de heer [eiser] contacten heeft onderhouden c.q. mogelijk opnieuw contacten zal onderhouden met (uit voorlopige hechtenis ontslagen) leden van de Hofstadgroep en uw cliënt actief is geweest op het internet met het plaatsen van zogenaamde “postings”. Tijdens de doorzoeking van de woning van de heer [eiser] in het kader van een recent strafrechtelijk onderzoek is voorts belastend materiaal aangetroffen.

Sinds de aanvang van het verstoren werd aanvankelijk vijf keer per dag op gezette tijden door een herkenbare politieauto in een rustig tempo door de straat gereden waar de heer [eiser] woont. Deze frequentie is in december 2005 teruggebracht tot drie keer per dag. De buurtregisseur van de politie Amsterdam-Amstelland en een collega bezoeken de heer [eiser] sinds november 2005 zo’n twee keer per maand. De verstoringsactiviteiten worden periodiek geëvalueerd. Ik berichtte u dat de Burgemeester van Amsterdam zich op maandag 6 februari 2006 nader zal uitlaten omtrent het staken van de verstoring.

(..)

Ik wijs er voorts op dat de heer [eiser] jegens de buurtregisseur heeft erkend dat de verstoring blijkt te beantwoorden aan zijn doel, het bieden van weinig gelegenheid activiteiten te verrichten die een bedreiging vormen voor de openbare orde en anderzijds om de aantrekkelijkheid en het gewicht van de heer [eiser] binnen het netwerk te verminderen. Mede als gevolg daarvan heeft de Burgemeester aanleiding gezien om de surveillance in december 2005 te verminderen tot drie maal per dag.

(..)

g. Bij faxbrief van 9 februari 2006 heeft de raadsman van de burgemeester de raadsman van eiser meegedeeld dat de burgemeester de eerder gegeven instructies met betrekking tot het verstoren niet heeft gewijzigd.

2. Eiser vordert:

I) gedaagden te verbieden hem nog langer te verstoren, bestaande uit lastig vallen, hinderlijk volgen, voor de deur posten, aanspreken of opbellen, dan wel op een andere hinderlijke wijze te verstoren en gedaagden te gebieden eenieder die rechtstreeks onder hun gezag staat te verbieden deze gedragingen te plegen;

II) gedaagden te gebieden zorg te dragen voor een schriftelijke interne instructie welke zal worden uitgereikt aan alle bij de verstoring van eiser betrokken ambtenaren, waarin duidelijk wordt meegedeeld dat aan de verstoring van eiser direct een einde is gekomen en dat zij eiser voortaan met alle egards zullen moeten behandelen, met verstrekking van een afschrift daarvan aan eiser;

III) gedaagden te veroordelen tot het betalen van een voorschot van € 2.500,= op een nader vast te stellen immateriële schadevergoeding vanwege de psychische schade welke gedaagden eiser, zijn vrouw en hun kinderen hebben toegebracht.

3. Eiser stelt hiertoe het volgende.

Hij wordt niet meer verdacht van het behoren tot een criminele organisatie. Van enig strafvonnis ten aanzien van hem is geen sprake en de onder hem in beslag genomen goederen zijn teruggeven. Van een aantal strafbare feiten staat zelfs al vast dat eiser daarvan in het geheel niet meer wordt verdacht. Hoewel de strafzaak officieel nog niet tot een einde is gekomen lijkt op basis van het dossier voor de hand te liggen dat eiser op een aantal punten ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Desalniettemin meent de Burgemeester dat hem dwangmiddelen toekomen zelfs wanneer die strafrechtelijk niet geëffectueerd kunnen worden. Door de verstoring wordt zo een (gewezen) verdachte die strafrechtelijk niet (meer) kan worden aangepakt, alsnog via de achterdeur het leven zuur gemaakt.

Het verstoren van eiser en zijn gezin bestond aanvankelijk uit het vijf keer per dag stelselmatig verstoren. Vanaf 1 december 2005 is dit teruggebracht naar drie keer per dag. De verstoringen bestaan uit het stapvoets rijden van als zodanig herkenbare politieauto’s door de straat van eiser; het ongeveer 5 tot 10 minuten stilstaan van politieauto’s voor het huis van eiser, ook met draaiende motor en gedurende de nachtelijke uren; het staren naar eiser wanneer hij zijn huis verlaat; het volgen van eiser wanneer hij zijn huis verlaat; het langskomen bij eiser door politieagenten en het bellen door politieagenten voor een afspraak terwijl daartoe geen enkele aanleiding is. Eiser heeft door de verstoringen een psychisch ziektebeeld ontwikkeld en zich onder behandeling gesteld van een psychiater, die hem medicatie heeft voorgeschreven. Ook zijn vrouw slaapt ’s nachts niet meer en heeft ernstige psychische problemen. Uiteraard heeft dit alles ook impact op de kinderen. Zij zijn ernstig getraumatiseerd geraakt door de inval en de daarop volgende verstoring.

De verstoring vormt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser, zoals beschermd in artikel 8 EVRM. Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is slechts gerechtvaardigd voor zover voldaan is aan de in artikel 8 lid 2 EVRM omschreven voorwaarden. Ten eerste dient de inbreuk bij wet voorzien te zijn. Daarvan is geen sprake: de bevoegdheid kan niet op artikel 12 Politiewet gebaseerd worden. De algemene bevoegdheden van de burgemeester kunnen de inbreuk evenmin dragen. Artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geeft de mogelijkheid aan het openbaar gezag om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer, zoals beschermd in artikel 8 EVRM, doch aan de vereisten die in dit artikel zijn gesteld is niet voldaan. Overigens kan de bevoegdheid van de burgemeester krachtens artikel 12 Politiewet slechts gelden wanneer er een concreet gevaar is voor de openbare orde, hetgeen in het onderhavige geval niet zo is. De verdenking ex artikel 205 Sv is flinterdun. De zaak is nog steeds niet op zitting gebracht. Van enige concrete aanwijzingen dat eiser zich op dit moment zou inlaten met leden van de Hofstadgroep, dan wel zich zou bezighouden met illegale activiteiten, blijkt niets. Het is eiser niet bekend waarom leden van de Hofstadgroep zijn telefoonnummer en foto’s van eiser c.q. eisers’ woning in hun mobiele telefoon zouden hebben opgeslagen. Eiser betwijfelt overigens of die bewering van de politie wel waar is. Hij kent de door de politie genoemde personen slechts uit de moskee. [M. H.] had hem gevraagd of hij bij hem mocht overnachten, omdat hij als illegaal geen onderdak had. Eiser heeft hem daarop toegestaan in zijn kelderbox te overnachten. De verstoring kan dan ook niet noodzakelijk worden geacht in een democratische samenleving. Voortzetting van de verstoring zou dan ook buitenproportioneel zijn en daarmee onrechtmatig, aldus eiser.

4. Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd, hetgeen hierna, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil aan de orde zal komen.

Beoordeling van het geschil:

5. Terecht heeft de Gemeente aangevoerd dat de Burgermeester een bestuursorgaan is zonder rechtspersoonlijkheid en als zodanig onderdeel uitmaakt van de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Amsterdam, zodat eiser in zijn vordering jegens de Burgemeester niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Gedaagde sub 1 wordt in het hiernavolgende de Gemeente genoemd.

6. Vaststaat dat eiser sinds begin november 2005 op gezag van de Gemeente wordt verstoord. Sinds december 2005 houdt, volgens de verklaring van de Gemeente, de instructie aan de politie in, dat de politie driemaal per etmaal met als zodanig herkenbare voertuigen door de straat van eiser rijdt en voor de woning van eiser stil houdt. Dat aanvankelijk de instructie was gegeven om dit vijf maal per etmaal te doen, speelt thans bij deze beoordeling geen rol meer. Uit hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht, is gebleken dat aanvankelijk ook gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de buurtregisseur en eiser, maar dat, nadat eiser op 21 januari 2006 tegenover de buurtregisseur had verklaard geen contact meer te willen, eiser nadien niet meer door de politie is aangesproken. Niet aangetoond is dat op instructie van de Gemeente thans, naast het driemaal per etmaal door de straat van eiser rijden en voor zijn huis stilhouden, nog andere verstoringsmaatregelen worden toegepast.

7. Anders dan de Gemeente heeft aangevoerd, vormt deze verstoring wel degelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser, zoals beschermd door artikel 8 EVRM. Door middel van de verstoring wordt immers dagelijks aan eiser bekend gemaakt dat hij in de gaten wordt gehouden, hetgeen ook de buurt waarin eiser woont niet zal ontgaan. Het feit dat de surveillance niet heimelijk plaatsvindt en slechts betrekking heeft op het waarnemen van gedragingen in de openbare ruimte en niet binnen in de woning van eiser, maakt dat niet anders. Het doel van de surveillances is immers, zoals de Gemeente zelf heeft aangegeven, onder meer om aan eiser een signaal af te geven en hem daardoor te beïnvloeden zich niet in te laten met radicale criminele groeperingen. Het is dus de bedoeling dat van het verstoren druk op eiser uitgaat, hetgeen als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser moet worden beschouwd.

8. De volgende vraag die beantwoord moet worden is of deze inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser gerechtvaardigd is. Het tweede lid van artikel 8 EVRM somt de voorwaarden op waaronder dat het geval is.

9. In de eerste plaats dient de inbreuk bij de wet te zijn voorzien. Daarbij wordt als uitgangspunt genomen dat verstoren geen vastomlijnd begrip is en al naar gelang de feitelijke handelingen, die ten grondslag liggen aan het verstoren van een bepaald persoon, geoordeeld moet worden of daarvoor een wettelijke grondslag aanwezig is. Eiser heeft betoogd dat artikel 126g Sv de mogelijkheid geeft om een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer te maken, maar dat in het onderhavige geval niet aan de vereisten van dit artikel is voldaan. Anders dan eiser heeft betoogd kan echter het driemaal per dag met een politieauto door de straat van eiser rijden en voor zijn huis stoppen niet beschouwd worden als stelselmatig volgen en waarnemen als bedoeld in artikel 126g Sv. In het laatste geval gaat het overigens om het verzamelen van bewijs van strafbare feiten, terwijl in het onderhavige geval voldoende aannemelijk is geworden dat het gaat om het voorkomen van strafbare feiten. Derhalve is voor de verstoring, zoals deze in het onderhavige geval plaatsvindt, geen verdenking van een misdrijf noodzakelijk, zoals dat wel het geval is bij stelselmatige observatie in de zin van 126g Sv.

10. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gezien aard en omvang van de in het onderhavige geval toegepaste verstoring, de wettelijke grondslag voor de inbreuk op artikel 8 EVRM, gevonden kan worden in artikel 12 van de Politiewet, welk artikel de burgemeester de bevoegdheid geeft om aanwijzingen te geven aan de onder zijn gezag staande politie ten behoeve van de ordehandhaving. Het driemaal per dag door de straat rijden en stilhouden voor de woning komt neer op een bepaalde vorm van surveillance. Deze vorm van surveillance wordt ook toegepast in bepaalde wijken of naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen en heeft tot doel te laten merken dat de politie er is. Het uiteindelijke doel is preventie in het belang van de openbare orde. De bevoegdheid om deze aanwijzingen te geven geldt niet alleen ten aanzien van groepen, maar ook ten aanzien van een individu. Nu het om preventie gaat behoeft er, anders dan eiser heeft betoogd, geen sprake te zijn van een concrete verdenking.

11. De tweede voorwaarde waaraan volgens artikel 8 lid 2 van het EVRM dient te zijn voldaan om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer te rechtvaardigen, is dat de inbreuk een legitiem doel dient. Naar mag worden aangenomen probeert de Gemeente met de verstoring de in artikel 8 lid 2 EVRM vermelde doelen te dienen, zoals het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Aan deze voorwaarde is dan ook voldaan.

12. Tenslotte dient de inmenging in de persoonlijke levenssfeer krachtens het bepaalde in artikel 8 lid 2 van het EVRM noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving. Daaronder moet tevens worden begrepen dat de inbreuk proportioneel dient te zijn.

13. De Gemeente heeft aangevoerd dat uit onderzoek van de Dienst Centrale Recherche te Amsterdam (“Fakir”) naar de moord op de cineast Theo van Gogh, en onderzoek van de Nationale Recherche (“Piranha”) naar S. A. en onderzoek (“Arles” of “RL8026”) naar de Hofstadgroep, is gebleken dat eiser contact heeft of heeft gehad met leden van de Hofstadgroep en met [M. B.], de moordenaar van Van Gogh.

Meer in het bijzonder zou het de volgende personen betreffen, welke personen allen zijn aangehouden op verdenking van deelneming aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht: [M. El B.]; [Y. E. ]; [Z. L. A. ]; [N. El F.]; [M. H.]; [A. H. ]; [J.T.J. W.]; [Z. T.] en [M. B.]. Tussen deze personen en eiser zouden onder meer de volgende verbanden zijn geconstateerd.

[El B.]: foto’s van de woning van eiser opgeslagen in zijn mobiele telefoon. Sommige foto’s gemaakt in de woning van eiser, waarbij eiser is afgebeeld samen met [El B.] en [El F.] en [Z. L. A. ].

[E.]: het telefoonnummer van eiser opgeslagen in zijn mobiele telefoon.

[Z. L. A. ]: het telefoonnummer van eiser opgeslagen in zijn mobiele telefoon. Tevens foto’s van de woning van eiser in zijn mobiele telefoon opgeslagen, alsmede foto’s van eiser zelf in zijn woning tezamen met [El B.] en [El F.]. Veelvuldig telefonisch contact tussen eiser en [Z. L. A. ].

[N. El F.] (gearresteerd in het bezit van een machinepistool op het station Cornelis Lelylaan in Amsterdam-West): op foto’s in de woning van eiser, welke foto’s zijn aangetroffen in de mobiele telefoons van [Z. L. A. ] en [El B.].

[M. H.]: aangetroffen in de kelderbox van eiser.

[A. H. ]: veelvuldig telefonisch contact met eiser.

[J.T.J. W.] (bij zijn aanhouding in Den Haag is een handgranaat naar de politie gegooid): het telefoonnummer van eiser opgeslagen in zijn mobiele telefoon en veelvuldig telefonisch contact tussen hem en eiser.

[Z. T.]: het telefoonnummer van eiser opgeslagen in zijn mobiele telefoon.

[M. B.] (de moordenaar van Theo van Gogh): diverse contacten met eiser in de periode voor 2 november 2004.

De als informant ter zitting verschenen commissaris van politie [informant] heeft desgevraagd bevestigd dat deze informatie in de strafdossiers van de betrokken personen is opgenomen. Hoewel de raadsman van eiser, die eiser ook in de strafzaak bijstaat, heeft verklaard niet bekend te zijn met deze informatie, mag vooralsnog in deze procedure worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Eiser heeft niet ontkend dat hij de genoemde personen kent, ook al is dat volgens eiser alleen van moskeebezoek. Voor het feit dat meerdere van bovengenoemde personen zijn telefoonnummer en foto’s van zijn woning, al dan niet met eiser zelf daarop afgebeeld, in hun mobiele telefoons hebben opgeslagen, heeft eiser geen verklaring gegeven. Eiser heeft verder erkend dat hij [M. H.] een slaapplaats in zijn kelderbox heeft aangeboden.

14. Bij de onder 13 genoemde omstandigheden komt nog dat op dit moment de verdenking wegens overtreding van artikel 205 Sr., de verdenking van het plaatsen van postings op MSN met een oproep tot de jihad, er nog steeds is. Indien eiser meent dat dit onderzoek stilligt en niet tot verdere vervolging zal leiden, kan eiser een verklaring van niet verdere vervolging uitlokken. Voorts loopt het proces tegen de Hofstadgroep nog en is niet uitgesloten dat binnenkort leden van die groep zullen vrijkomen. Op grond van alle zich thans voordoende omstandigheden heeft de Gemeente in redelijkheid kunnen concluderen dat het vooralsnog noodzakelijk is om preventieve maatregelen tegen eiser te nemen.

15. De aard en omvang van de toegepaste verstoring wordt ook proportioneel geacht. De huidige instructie behelst, zoals gezegd, het door de politie driemaal per etmaal met herkenbare voertuigen door de straat van eiser rijden en voor zijn woning stilstaan. Daar eiser op de tweede verdieping woont, is het inkijken in de woning vanaf straatniveau daarbij niet mogelijk. In zoverre is de inbreuk dan ook beperkt. Uit de door eiser in het geding gebrachte verklaring van de behandeld psychiater kan slechts opgemaakt worden dat eiser zich in augustus 2005 bij hem heeft gemeld en dat eiser daar één maal per kwartaal een consult heeft. In de verklaring is geen verband te vinden tussen de verstoring en het zich onder behandeling stellen van een psychiater. Overigens is de verwijskaart in augustus 2005 afgegeven en is de verstoring eerst vanaf november 2005 aangevangen.

16. Het voorgaande betekent dat de verstoring zoals die thans jegens eiser wordt uitgeoefend, vooralsnog rechtmatig zijn. Bij wijziging van de zich thans voordoende omstandigheden zal opnieuw bezien moeten worden of dat nog steeds het geval is.

17. Op grond van het voorgaande moet de conclusie zijn dat alle drie de gevraagde voorzieningen een rechtsgrond ontberen om welke reden zij zullen worden geweigerd. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Weigert de gevraagde voorzieningen.

2. Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van gedaagden begroot op:

- € 248,= aan vastrecht en

- € 816,= aan salaris procureur.

3. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door de vice-president mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 9 maart 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: