Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AV1546

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
13-02-2006
Zaaknummer
300222
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Geen door verjaring verkregen erfdienstbaarheid van uitzicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

300222 / H 04.3177

18 januari 2006

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR CIVIEL

VONNIS

i n d e z a a k v a n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H.E.M. HOTEL AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Purmerend,

e i s e r e s

procureur mr. S. van der Sluijs,

t e g e n :

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM

(het stadsdeel Slotervaart/Overtoomseveld),

gevestigd te Amsterdam,

procureur mr. E.A. Minderhoud,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(het Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

procureur mr. L.P. Broekveldt,

g e d a a g d e n .

Eiseres wordt HEM genoemd; gedaagden worden afzonderlijk de Staat en de Gemeente genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- gelijkluidende dagvaar-dingen van 13 september 2004, met bewijsstukken,

- conclusie van antwoord van de Gemeente,

- conclusie van antwoord van de Staat, met bewijsstukken,

- conclusie van repliek, met bewijsstukken,

- conclusie van dupliek van de Gemeente, met bewijsstukken,

- conclusie van dupliek van de Staat, met bewijsstukken,

- akte van HEM,

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het volgende vast.

a. HEM exploiteert een hotel, gelegen in stadsdeel Slotervaart/Overtoomseveld. Het bij dit hotel behorende terrein grenst aan de Rijksweg A10-West (hierna ook wel: A10). Het perceel waarop het hotel zich bevindt is eigendom van de Gemeente en gedeeltelijk in erfpacht uitgegeven en gedeeltelijk verhuurd aan HEM.

b. In verband met de uitvoering van de hierna onder 1e. genoemde werkzaamheden is tussen HEM en de Gemeente overleg gevoerd over het treffen van voorzieningen. Een brief van de Gemeente aan HEM van 19 juni 2000 luidt, voorzover thans van belang, als volgt:

“Tijdens het overleg op d.d. 6 juni 2000 (...) is het stadsdeel het volgende met u overeengekomen, namelijk:

(...)

- Het stadsdeel is bereid u een aanvullend contract voor de strook tussen het HEM-Hotel en de brandweerkazerne in huur aan te bieden voor een periode van 2 jaar. (...) de huurprijs is f 25,- per vierkante meter; het stadsdeel vergoedt de kosten van de inrit; de strook zal uitsluitend worden gebruikt voor parkeergelegenheid t.b.v. het HEM-Hotel (...)

- Het Stadsdeel mag op het erfpachtterrein en het verhuurde terrein een bouwweg (kraanbaan) aanleggen t.b.v. het onderheien van de A-10 strook ter plaatse van het Delflandplein. De toegang tot het HEM-Hotel zal daarbij worden gewaarborgd (...)

- Voorts machtigt u het stadsdeel voor een aanvraag van kapvergunning t.b.v. het onderheien van de A-10 strook en gaat u akkoord met het kappen van de bomen op uw erfpachtterrein in zoverre noodzakelijk voor de werkzaamheden van de aannemer (...) ter plaatse van het Delflandplein. (...)”

c. Vóór aanvang van de onder 1e. genoemde werkzaamheden lag de A10 op een zandlichaam. Het talud van dat zandlichaam was ter plaatse van het hotel begroeid met bomen en struiken. Tegen de voet van het talud bevonden zich (insteek)parkeerhavens ten behoeve van HEM, waar zowel personenauto’s van hotelgasten als bussen van touroperators werden geparkeerd. Het terrein waarop zich het talud bevindt is eigendom van de Staat.

d. Op 29 augustus 2000 is aan het hoofd Stadsdeelwerken een vergunning verleend voor het kappen van 367 bomen op het talud. Deze kapvergunning is verleend onder de voorwaarde dat er herplant zal plaatsvinden na de feitelijke realisatie van de parkeergarage.

e. In 2001 zijn er in opdracht van de Staat aan het wegdek van de A10 onderhoudswerkzaamheden (hierna: groot onderhoud) uitgevoerd. Tegelijkertijd werden er in opdracht van de Staat ten behoeve van de Gemeente aan de A10 drie projecten (hierna: de projectwerkzaamheden) uitgevoerd, te weten:

a) geluidssanering van de A10 (inhoudende: het aanbrengen van een fundering voor geluidwerende constructies en het aanbrengen van dubbellaags zeer open asfaltbeton);

b) overbouwing ter plaatse van het Bos en Lommerplein (inhoudende: het aanpassen van een viaduct ten behoeve van de overbouwing ter hoogte van voornoemd plein);

c) onderbouwing van het Delftlandplein (inhoudende: het aanbrengen van een onderheide plaat/wegfundering).

Aan deze samenwerking tussen de Staat en de Gemeente lag een Raamovereenkomst van 7 februari 2000 ten grondslag, waarin was vastgelegd dat de Staat de project werkzaamheden in zijn planning van de onderhoudswerkzaamheden zou integreren. In het verlengde daarvan is overeengekomen dat de Staat de aannemer van de onderhoudswerkzaamheden ook het werk aan de gemeentelijke projecten zou opdragen.

f. Een verslag van een bespreking tussen (vertegenwoordigers van) HEM en de Gemeente van 22 maart 2001 luidt, voorzover thans van belang, als volgt:

“Probleem: Eerder is overeengekomen dat de gemeente in de periode waarin werkzaamheden langs de de de A-10 moeten worden uitgevoerd een bouwweg mag aanleggen en gebruiken op het terrein dat in erfpacht is uitgegeven dan wel verhuurd aan het HEM Hotel. (...)

Analyse: Bij de eerder gevoerde gesprekken heeft geen tekening op tafel (...) gelegen waarop de consequenties (ruimtebeslag) van de bouwweg duidelijk zichtbaar waren. Als zodanig moet worden geconstateerd dat de afspraken toen niet eenduidig zijn vastgelegd. (...) Indien de maatregelen zoals die hieronder zijn aangegeven door de gemeente kunnen worden gerealiseerd kan het HEM Hotel akkoord gaan met de tijdelijke situatie gedurende de bouw.

Maatregelen:

? Vanaf de Rijswijkstaat wordt de parkeerruimte van het hotel veelvuldig oneigenlijk gebruikt door mensen die niet tot de gasten van het hotel horen. Doordat de bouwweg de toegang tot het terrein daar aanzienlijk versmald heeft leidt dit wild parkeren nu regelmatig tot stremming van deze toegang. Door het plaatsen van een afsluitbaar hek wordt het reguleren van de situatie mogelijk. De controle (openen en sluiten) van het hek zal verzorgd worden door het hotel.

? Het als noodbouw uitgevoerde deel van het hotel wordt door een op enige meters uit de gevel geplaatste schutting afgescheiden van het parkeerterrein. Door deze schutting tijdelijk te verwijderen ontstaat voldoende ruimte om – met inachtnening van het volgende punt – een haaks- of schuinparkeerstrook toe te voegen. Door de bielsen waaraan de schutting is bevestigd op te schuiven tot 50 cm uit de gevel kan deze gevel beschermd worden tegen aanrijdschade. Om de strook optimaal te kunnen benutten is het noodzakelijk om in wegenverf een vakindeling op de stelconplaten aan te brengen. (...)

Afspraak: Het stadsdeel zal z.s.m. bepalen en doorgeven aan het hotel of zij bereid is bovengenoemde werkzaamheden voor haar rekening uit te voeren en zo ja wanneer deze kunnen worden uitgevoerd.”

g. Een door de Staat aan de Gemeente verleende vergunning (hierna: de vergunning) op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor het aanbrengen, hebben en behouden van een betonnen plaat in het weglichaam van Rijksweg 10 (A10-west) van 16 juli 2001 bevat onder meer het volgende voorschrift:

“19. Afvoer Hemelwater

a. De vergunninghouder ziet er op toe dat de afvoer van hemelwater te allen tijde is gewaarborgd.

(...)

b. In verband met het onderhoud dienen de kolken en het riool zo te worden geplaatst dat deze bereikbaar zijn en tevens schoongehouden en doorgespoten kunnen worden.”

h. Een brief van 3 september 2001 van HEM aan de Gemeente luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“Na de twee regenbuien in de laatste 2 weken, hadden wij hier reeds de nodige problemen met zand van het talud dat over onze overgebleven parkeerplaatsen stroomde en ons riool heeft verstopt.

Dit zou toen snel opgeruimd worden, hetgeen weer een aantal dagen heeft geduurd, zowel de 1e als de 2e maal verliep dit alles behalve gladjes. De 1e keer werd er zelfs helemaal niet geveegd, en heeft het hotel een enorme inloop van zand te verwerken gekregen. De 2e maal duurde het 4 dagen voordat er een beetje geveegd werd, en weer een enorme overlast in het hotel.

De extra schoonmaak kosten van zowel ramen, vloeren als trappen, maken het niet leuk meer om maar af te wachten dat er eindelijk schoonmaak actie ondernomen wordt door betrokken partijen.

Nu heeft het vannacht niet eens hard geregend, en weer is het talud gaan schuiven en weer is het voorterrein van hotel een zandbak geworden. We zijn het nu toch wel zat, om iedere regenbui af te moeten wachten wat de A10 ons deze keer zal geven. (...)

Wij leggen de volgende zaken bij u neer:

Er wordt per direct goed schoongemaakt, de reeds gemaakte extra schoonmaak kosten worden vergoed, en er worden serieus geprobeerd eens constructief te denken en te handelen over het talud in onze “voortuin”.”

i. Een verslag van een bespreking van 20 september 2001 tussen (vertegenwoordigers van) HEM en de Staat luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“De aannemer heeft aangegeven de werkzaamheden op 1 oktober 2001 gereed te hebben. Voor het hotel betekent dit dat de riolering is aangesloten, het talud is afgewerkt en het terrein van het hotel is hersteld en schoon is opgeleverd.

De heer A (van HEM – rb) uit zijn twijfel over het vermogen van de grondbekleding van het talud om uitspoelingen te weerstaan.

De heer B (namens de Staat – rb) verwacht geen problemen met uitspoelingen maar mochten die zich toch voordoen dan is Rijkswaterstaat verplicht maatregelen te treffen.”

2. De vordering

2.1 HEM vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat gedaagde(n) in het kader van weg- en bouwwerkzaamheden aan de Rijksweg A10-West in de periode februari 2001 tot en met december 2001 gemaakte afspraken jegens HEM niet is dan wel zijn nagekomen, althans onrechtmatig jegens HEM heeft dan wel hebben gehandeld en dientengevolge aansprakelijk is dan wel zijn voor de door HEM geleden schade, althans de door HEM geleden schade dient dan wel dienen te compenseren;

b. gedaagde(n) te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan HEM te voldoen een bedrag aan schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen als naar de wet, vermeerderd met de wetttelijke rente vanaf 13 september 2004, alsmede met de gemaakte kosten ex artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek ad € 4.448,--;

c. gedaagde(n) te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.2 HEM legt aan haar eis ten grondslag dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onder 1e. genoemde werkzaamheden, te weten op de volgende onderdelen:

a. De bouwweg was, in strijd met de gemaakte afspraken, zo aangelegd dat een groot deel van de parkeergelegenheid van het HEM-Hotel niet bruikbaar bleek. De in verband hiermee met de Gemeente in het verslag van 22 maart 2001 (1f.) neergelegde afspraken zijn niet of te laat nagekomen door de Gemeente. In verband daarmee heeft HEM zelf een parkeerplaats moeten aanleggen met een automatisch hek. De tijdelijke parkeerplaats aan de oostzijde van het hotel moest geschikt worden gemaakt voor bussen.

b. Gedurende de uitvoering van de werkzaamheden en na het aanbrengen van het nieuwe talud ontstonden er op het terrein van HEM zand- en wateroverstromingen. De straatkolken bij het hotel liepen vol met zand afkomstig van het talud en raakten verstopt. Gasten en leveranciers brachten zand het hotel binnen, waardoor extra schoonmaakkosten gemaakt moesten worden.

c. Het uitzicht vanuit het hotel op het talud is verslechterd doordat de oorspronkelijk aanwezige bomen en struiken, die het zicht op de A10 beletten, zijn verwijderd en zijn vervangen door gras. Daarmee heeft de Gemeente in strijd gehandeld met haar toezegging dat het talud in de oude, bosrijke toestand zou worden hersteld. Aan de Staat verwijt HEM dat de oude geluidsschermen, die zichtbaar werden na verwijdering van de begroeiing op het talud, niet zijn vervangen.

d. De verbouwingswerkzaamheden gingen gepaard met geluidsoverlast. Als gevolg daarvan heeft HEM zich genoodzaakt gezien kortingen te verlenen aan haar gasten en zijn er boekingen geannuleerd.

2.3 HEM baseert haar vordering op de volgende rechtsgronden.

a. Toezeggingen en afspraken zijn door gedaagden niet nagekomen. Het gaat dan met name om de toezegging van de Gemeente zorg te dragen voor aanpassing van het parkeerterrein, plaatsing van een hek en herstel van het talud in de oude staat.

b. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens het niet functioneren van een deugdelijke afwatering, de verslechtering van het uitzicht vanuit haar hotel en geluidsoverlast.

c. Het handelen in strijd met het beginsel van de “égalité devant les charges publiques” doordat gedaagden geen nadeelcompensatie hebben aangeboden.

d. Handelen in strijd met artikel 5:56 BW door geen schadeloosstelling aan te bieden voor het gebruik van het terrein van HEM voor uitvoering van de werkzaamheden.

3. Het verweer

Gedaagden bestrijden de vordering. Hun verweer zal, voor zover voor de beslissing van belang, hierna bij de beoordeling aan de orde komen.

4. Beoordeling

4.1 De rechtbank zal de door HEM aan haar vordering ten grondslag gelegde schade toebrengende feiten hierna bespreken in de onder 2.2 gehanteerde volgorde.

4.2 De bouwweg

Uit de door HEM overgelegde foto’s (repliek, productie 24 en 25) in combinatie met het gespreksverslag van 11 oktober 2001 (dagvaarding, productie 8) blijkt dat de bouwweg is aangelegd over een gedeelte van het bij HEM in gebruik zijnde parkeerterrein. Voorzover de Staat zijn verweer, dat de bouwweg gelegen was buiten het aan HEM in erfpacht uitgegeven terrein, bij dupliek heeft willen handhaven, ontbreekt daarvoor de motivering. De aanleg van de bouwweg is geschied nadat daarover tussen HEM en de Gemeente overeenstemming is bereikt (1b.), zij het dat partijen zich kennelijk onvoldoende hebben gerealiseerd in welke mate als gevolg hiervan voor HEM bestemde parkeerruimte verloren zou gaan (1f.). In verband hiermee hebben HEM en de Gemeente een aantal tijdelijke maatregelen afgesproken (onder meer het aanbrengen van een schuinparkeerstrook en de realisatie van een parkeerplaats voor bussen op de parkeerruimte tussen het hotel en de brandweerkazerne), waartegenover HEM kon instemmen met de tijdelijke situatie gedurende de bouw. Dat de Gemeente de plaatsing van een afsluitbare hek voor haar rekening zou nemen volgt, anders dan HEM veronderstelt, niet uit de daarop betrekking hebbende passage (“Door het plaatsen van een afsluitbaar hek wordt het reguleren van de situatie mogelijk. De controle (openen en sluiten) van het hek zal verzorgd worden door het hotel”). Gesteld noch gebleken is voorts dat gedaagden in verzuim zijn geraakt bij nakoming van de hiervoor bedoelde afspraken. Ook in artikel 5:56 BW kan geen grond worden gevonden voor toekenning van een schadevergoeding in verband met de aanleg van de bouwweg. Genoemde bepaling beoogt aan degene wiens erf moet worden gebruikt (HEM) voor het verrichten van werkzaamheden de verplichting tot medewerking op te leggen en niet, zoals HEM kennelijk betoogt, een zelfstandige grond voor schadevergoeding te scheppen. HEM heeft, na toezegging van maatregelen door de Gemeente, ingestemd met de tijdelijke situatie gedurende de bouw. Om die reden kan artikel 5:56 geen grond bieden voor schadevergoeding. De vordering van HEM is, voorzover deze betrekking heeft op de kwestie van de bouwweg, dan ook niet toewijsbaar.

4.3 Zand- en wateroverstromingen

Gedaagden hebben erkend dat er meerdere malen uitspoelingen van het talud hebben plaatsgevonden met als gevolg zand- en wateroverlast (van beperkte duur) voor HEM. De oorzaak hiervan was dat de hemelwaterafvoer van het talud niet op de riolering was aangesloten. De Staat heeft aangevoerd dat niet hij maar de Gemeente verantwoordelijk was voor aansluiting op de riolering; daarbij heeft de Staat verwezen naar artikel 19 van de door haar aan de Gemeente verleende vergunning (1g.). Daarmee miskent de Staat echter dat hij, als eigenaar van het talud, eveneens gehouden is tot een zodanige inrichting van haar perceel dat het water niet op het erf van een ander afloopt (art. 5:52 BW); deze verplichting geldt ook ten aanzien van de huurder of erfpachter van het naburige erf.

4.4 Het verweer van de Gemeente, dat de Staat op grond van tussen gedaagden gemaakte afspraken van juli/augustus 2001 voor aansluiting van de hemelwaterafvoer op de riolering diende zorg te dragen, wordt gepasseerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom deze overeenkomst aan HEM kan worden tegengeworpen. Nu uit het hiervoor genoemde vergunningsvoorschrift voortvloeit dat de Gemeente verantwoordelijk was voor de aansluiting (en de Gemeente ook stelt tot tweemaal toe te hebben zorggedragen voor verwijdering van het uitgespoelde zand), staat vast dat het niet functioneren van de hemelwaterafvoer en de daaruit voortgevloeide schade (mede) aan de Gemeente kunnen worden toegerekend.

4.5 Uitzicht

HEM heeft zich in dit verband in de eerste plaats beroepen op een met de Gemeente gemaakte afspraak dat laatstgenoemde voor herstel van het talud in de oude (bosrijke) toestand zou zorgdragen. Nadat de Gemeente een dergelijke afspraak bij antwoord heeft betwist, heeft HEM bij repliek nog aangevoerd dat de Gemeente deze toezegging bij monde van de heer C heeft gedaan en verwezen naar een gespreksverslag van 20 september 2001. Dit betreft echter een verslag van een bespreking waarbij de Gemeente juist niet aanwezig was, terwijl in de door HEM aangehaalde passage ook geen toezegging van de heer C te lezen valt. Ook is niet gebleken dat HEM de Gemeente ter zake van de nakoming van deze afspraak in gebreke heeft gesteld. Integendeel, uit diverse gespreksverslagen (dagvaarding, producties 8 en 10) blijkt juist dat de Gemeente zich tot niet meer heeft verplicht dan tot het inzaaien van het talud.

4.6 De stelling dat sprake is van een door verjaring verkregen erfdienstbaarheid van uitzicht ten laste het terrein van de Staat, op grond waarvan het gedaagden niet is toegestaan het uitzicht op het talud te wijzigen, wordt verworpen. Voor verkrijging van een recht door verjaring is bezit van dat recht vereist. Het hebben van een raam dat uitzicht geeft op een naburig erf zal mogelijk wel inhouden het bezit van het recht om ter plaatse een raam te hebben. Het enkele hebben van een raam houdt op zich zelf echter niet in, dat de eigenaar een recht van erfdienstbaarheid van een bepaald uitzicht wil hebben, en zeker niet dat hij het voor verjaring vereiste openbare en niet dubbelzinnige bezit heeft van een recht inhoudende dat de eigenaar van het dienend erf niets mag doen om uitzicht te beletten. Reeds daarom wordt door het enkele hebben van een raam dat een bepaald uitzicht geeft, niet door verjaring een recht op dat bepaalde uitzicht verkregen (HR 30-1-1970, NJ 1970, 192).

4.7 De vordering van HEM is evenmin toewijsbaar op grond van het gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat de onevenredig nadelige, - dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende – gevolgen van een overheidshandeling of –besluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld. Het (tijdelijk) verloren gaan van het uitzicht op een met bomen begroeid talud is (evenals de gestelde geluidsoverlast) geen onevenredig nadeel als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd (waarvan niet is komen vast te staan dat die niet zijn nagekomen door gedaagden), dat krachtens de vergunning herplant behoort plaats te vinden na realisatie van de parkeergarage en dat HEM van de werkzaamheden tevens voordelen zal hebben.

4.8 Schade

Gedaagden hebben voorts de schade betwist die HEM stelt te hebben geleden als gevolg van de uitspoelingen van het talud. Daartoe hebben zij aangevoerd dat zij het zand en de aarde direct na de uitspoelingen hebben laten verwijderen. HEM heeft in dit verband gesteld dat zij zelf voor verwijdering heeft zorg laten dragen en dat zij aanzienlijke (extra) kosten heeft moeten maken voor het begaanbaar maken van het parkeerterrein en het reinigen van het hotel; daarnaast heeft zij omzetderving als gevolg van de aan gedaagden verweten feiten gesteld. Zij heeft bij dagvaarding een groot aantal facturen in het geding gebracht ter onderbouwing van de door haar gestelde schade. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is, wat het element schade betreft, voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is (HR 17-10-1997, NJ 1998, 241). Aan die voorwaarde is door HEM voldaan, zodat dit onderdeel van het verweer niet aan toewijzing van haar vordering in de weg staat.

4.9 Tegen de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft de Staat het verweer gevoerd dat – nu een verklaring voor recht wordt gevorderd – op grond van de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II uitgegaan behoort te worden van liquidatietarief II in plaats van IV. Hem heeft haar vordering in deze vervolgens niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank een vergoeding volgens liquidatietarief II zal toewijzen, te weten € 904,-- overeenkomend met 2 punten volgens genoemd liquidatietarief.

4.10 Al hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd kan in het licht van het vorenstaande niet tot een ander oordeel leiden. De vordering van HEM is dan ook toewijsbaar voor zover het betreft de hiervoor genoemde zand- en wateroverlast en de gevolgen daarvan, alsmede voor zover het betreft de buitengerechtelijke kosten (gematigd). Gedaagden worden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de kosten.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart voor recht dat gedaagden in het kader van weg- en bouwwerkzaamheden aan de Rijksweg A10-West in de periode februari 2001 tot en met december 2001 onrechtmatig jegens HEM hebben gehandeld door niet te voorkomen er op het bij HEM in gebruik zijnde parkeerterrein zand- en wateroverstromingen vanaf het talud van de Rijksweg A10-West hebben plaatsgevonden en dat gedaagden dientengevolge aansprakelijk zijn voor de door HEM geleden schade;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan HEM van een schadevergoeding in verband met de hiervoor genoemde onrechtmatige daad, op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2004 tot aan de voldoening, alsmede met de gemaakte kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW ten bedrage van € 904,--;

- veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van HEM begroot op € 4.518,40 wegens verschotten en € 1.130,-- wegens salaris procureur;

- verklaart deze betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2006.