Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AV1190

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
07-02-2006
Zaaknummer
13.497.434-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het ontbreken van een plaatsaanduiding leidt in deze niet tot ontoelaatbaar verklaring van de OL.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.434-2005

RK nummer: 05/4051

Datum uitspraak: 27 januari 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 november 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 3 oktober 2005 (per fax ontvangen op 8 november 2005) door de Deputy of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Genoa (Sostituto Procuratore Generale, Procura Generale della Repubblica presso la Corte di Appello di Genova). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting Huis van Bewaring Lelystad te Lelystad,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 januari 2006. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een vonnis d.d. 14 oktober 1988 met nummer 11/88 rg, van the Court of Appeals of Genoa ten grondslag, waarop is gebaseerd een “order of execution no. 117/b/89, dated 7th July 2005”.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende autoriteit van een resterende vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren, 9

maanden en 13 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB en zoals die zijn omschreven in een brief van de Sostituto Procuratore Generale, d.d. 10 januari 2006.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Italiaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt maar geen feiten op de zogenaamde lijst aangekruist.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen – en uitgaande van een brief d.d. 10 januari 2006 van de “Sostituto Procuratore Generale”, heeft zij ten aanzien van de feiten 1 en 2 in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Deze feiten vallen onder de nummers 14 en 18 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Moord en doodslag, zware mishandeling

Georganiseerde en gewapende diefstal

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De overige feiten zijn zowel naar het recht van Italië als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:

Opzetheling;

Diefstal, meermalen gepleegd.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft erkend dat hij schuldig is aan de feiten.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is dan ook niet gebleken.

6. Verweren.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het EAB niet voldoet aan de daaraan gestelde minimumeisen en slordig is opgesteld. Zo is het onduidelijk wat er in de brief van de “Sostituto Procuratore Generale”, d.d. 10 januari 2006 wordt bedoeld met de laatste zin onder 1) en wordt bij feit 3) geen plaats genoemd.

Omdat bij feit 3) geen plaats wordt genoemd, kan voor dat feit niet overgeleverd worden en dient de opgelegde straf verminderd te worden. Bij een vermindering van straf blijft er, mede in overweging genomen de overleveringsdetentie die de opgeëiste persoon thans ondergaat, onvoldoende straf over om te executeren en moet de opgeëiste persoon in vrijheid worden gesteld.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit de laatste zin onder 1) in de brief van 10 januari 2006 voornoemd duidelijk wordt, dat tijdens de vlucht vanaf de plaats delict de politie beschoten is en voorts dat het voor feit 3) niet van belang is om te weten op welke plaats dit feit heeft plaats gevonden, omdat uitdrukkelijk is vermeld welke wapens de opgeëiste persoon heeft verkregen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de laatste zin onder 1) in de brief van 10 januari 2006 voornoemd kan worden opgemaakt, dat de daders geweld hebben gebruikt met het oogmerk om aan zichzelf of andere deelnemers de vlucht mogelijk te maken bij betrapping van de onder 2) genoemde diefstal met geweld.

In het onder 3) omschreven feit wordt geen plaatsaanduiding genoemd, omdat deze nog niet te achterhalen was. Uit de omschrijving blijkt echter ruim voldoende de criminele herkomst van de geheelde wapens en het moment van aanschaf en kan er geen enkele onduidelijkheid bestaan over het soort feit waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld. Het ontbreken van een plaatsaanduiding van de onder 3) genoemde opzetheling kan naar het oordeel van deze rechtbank, in deze, niet leiden tot een ontoelaatbaar verklaring van de overlevering ten aanzien van dat feit. De rechtbank verwerpt dientengevolge het verweer van de raadsman.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2, 5, en 7 van de OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Deputy of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Genoa (Sostituto Procuratore Generale, Procura Generale della Republica presso la Corte di Apello di Genova) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Staat de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Deputy of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Genoa (Sostituto Procuratore Generale, Procura Generale della Repubblica presso la Corte di Appello di Genova) UITDRUKKELIJK NIET TOE voor zover het betreft een vervolging of bestraffing vanwege de verdenking dat Roberto Burdieri zich aan – verdere – executie van de hierboven beschreven vrijheidsstraf heeft onttrokken.

Aldus gedaan door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,

mrs. M.E. Leijten en J.L. Hillenius, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 27 januari 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.