Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AV0521

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
05/1380, 05/1381, 05/1382
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwleges. Met ingang van 1 januari 2000 geen legesvrijstelling ex artikel 88 Woningwet meer voor sociale verhuurder.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/316
FutD 2006-0249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

nevenzittingsplaats Haarlem

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummers: AWB 05/1380, 05/1381 en 05/1382

Uitspraakdatum: 26 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Stichting X,

kantoorhoudende te P, eiseres,

gemachtigde mr. J.H.S. van Doesburg, advocaat te Woerden,

en

de heffingsambtenaar van stadsdeel Amsterdam Oud Zuid,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij de navolgende kennisgevingen bij eiseres ter zake van het in behandeling nemen van bouw- en sloopvergunningen leges in rekening gebracht:

Dossiernummer Soort vergunning Datum kennisgeving Bedrag

02/188 Bouwvergunning 24-05-2002 € 4.060,00

02/189 Bouwvergunning 31-07-2002 € 1.360,50

02/190 Bouwvergunning 26-07-2002 € 1.632,59

02/191 Bouwvergunning 14-08-2002 € 3.797,65

03/272 Bouwvergunning 02-07-2003 € 3.997,53

03/305 Sloopvergunning 02-07-2003 € 300,00

03/381 Sloopvergunning 20-10-2003 € 300,00

03/382 Sloopvergunning 20-10-2003 € 300,00

03/383 Sloopvergunning 20-10-2003 € 300,00

04/031 Bouwvergunning 13-01-2004 € 149.437,66

04/284 Bouwvergunning 17-11-2004 € 1.720,00

04/285 Sloopvergunning 11-11-2004 € 310,00

04/292 Bouwvergunning 29-10-2004 € 1.290,00

04/293 Sloopvergunning 25-10-2004 € 310,00

04/294 Bouwvergunning 29-10-2004 € 1.290,00

04/295 Sloopvergunning 25-10-2004 € 310,00

04/296 Bouwvergunning 29-10-2004 € 1.290,00

04/297 Sloopvergunning 25-10-2004 € 310,00

Tegen elke kennisgeving heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft bij drie uitspraken op bezwaar, alle gedagtekend 7 maart 2005, de bezwaren in de zaken met de dossiernummers 02/188, 03/305, 04/293, 04/295 en 04/297 niet-ontvankelijk verklaard, de overige bezwaren ongegrond verklaard en de kennisgevingen in die zaken gehandhaafd.

Eiseres heeft bij beroepschrift van 14 april 2005, aangevuld bij brief van 2 mei 2005, tegen deze drie uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank gesplitst en geregistreerd onder de nummers 05/1380, 05/1381 en 05/1382. Deze beroepen zijn, blijkens het beroepschrift en het op dit punt namens eiseres ter zitting verklaarde, uitsluitend gericht tegen de uitspraken op bezwaar voor zover het de dossiernummers betreft waarin de kennisgevingen zijn gehandhaafd.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

De beroepen met de registratienummers 05/1380, 05/1381 en 05/1382 zijn gevoegd en ter zitting behandeld op 3 november 2005. Namens eiseres is verschenen A, manager in dienst van eiseres, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen mr. B en mr. C. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres heeft de hiervoor onder 1 genoemde bouw- en sloopvergunningen in 2002, 2003 en 2004 aangevraagd.

2.2. Eiseres is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet en daarmee een sociale verhuurder als bedoeld in het Besluit woninggebonden subsidies 1995 (hierna: BWS 1995).

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is of eiseres recht heeft op vrijstelling van legesheffing op grond van artikel 88 Woningwet in verbinding met artikel 34 BWS 1995.

Blijkens de verklaringen van partijen ter zitting is de hoogte van de in rekening gebrachte legesbedragen niet in geschil.

3.2. Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan wordt verwezen naar de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Artikel 88 (deel uitmakend van hoofdstuk V) van de Woningwet luidt:

1. Alle stukken, opgemaakt ter uitvoering van de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk, voor zover die stukken betrekking hebben op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven categorieën van woningen, standplaatsen of woonwagens, zijn vrij van legesheffing, van de kosten van legalisatie en van griffiekosten.

2. De in het eerste lid bedoelde vrijdom van legesheffing geldt niet ten aanzien van bij de in dat lid bedoelde algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van legesheffing. Bij die algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven.

4.1.2. Artikel 34, eerste lid, van het Besluit luidt:

1. De vrijdom van legesheffing, van de kosten van legalisatie en van griffiekosten ten aanzien van stukken als bedoeld in artikel 88 van de Woningwet, is van toepassing op door sociale verhuurders te verhuren woningen waarvan de geraamde kosten van het verkrijgen in eigendom niet hoger zijn dan ƒ 186 000, woonwagens en standplaatsen, ten aanzien waarvan toepassing wordt gegeven aan artikel 22, alsmede op woningen, beheerd door een sociale verhuurder, waaraan voorzieningen worden getroffen waarvan de kosten meer bedragen dan € 22 689,01. Het in de eerste volzin eerstgenoemde bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd, indien daartoe aanleiding bestaat wegens wijziging van de prijzen in verband met het bouwen van woningen.

4.2. Uit vorenstaande bepalingen in samenhang gelezen volgt dat voor toepassing van de legesvrijstelling aan twee vereisten moet zijn voldaan. In de eerste plaats moet het gaan om stukken die zijn opgemaakt ter uitvoering van de afdelingen 4 en 5 van hoofdstuk V van de Woningwet. In de tweede plaats geldt de legesvrijstelling uitsluitend voor zover die stukken betrekking hebben op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven categorieën van woningen, standplaatsen of woonwagens.

4.3.1. Niet in geschil is dat tot 1 januari 1998 de legesvrijstelling door verweerder werd toegepast op legeskosten ter zake van het in behandeling nemen van bouw- en sloopvergunningen. Naar verweerder ter zitting heeft verklaard werden aan een toegelaten instelling verleende bouw- en sloopvergunningen aangemerkt als stukken ter uitvoering van de afdelingen 4 en 5 van hoofdstuk V van de Woningwet.

4.3.2. In dat verband heeft verweerder verwezen naar artikel 74 van de Woningwet. Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 vervallen. Tot die datum luidde dit artikel, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Bij besluit van de gemeenteraad kan aan toegelaten instellingen als bedoeld in de artikelen 70 en 72, geldelijke steun worden verleend ter tegemoetkoming in de door die instellingen in het belang van de volkshuisvesting te maken kosten.

2. Als in het belang van de volkshuisvesting te maken kosten worden in elk geval beschouwd kosten voor:

(...)

b. het bouwen van woningen en bijbehorende gebouwen en werken;

(...)

d. het treffen van voorzieningen aan woningen en bijbehorende gebouwen en werken;

(...)

4.3.3. Hoewel zulks naar het oordeel van de rechtbank niet rechtstreeks uit de genoemde wettelijke bepalingen voortvloeit werd genoemd standpunt van verweerder tot 1 januari 1998 algemeen als juist aanvaard. Dit blijkt ook uit de jurisprudentie die betrekking heeft op legesvrijstelling ter zake van vóór 1 januari 1998 aangevraagde vergunningen.

4.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de legesvrijstelling na 1 januari 1998 niet langer van toepassing is in gevallen als het onderhavige nu er sinds de wijziging van de Woningwet per 1 januari 1998 geen stukken meer worden opgemaakt ter uitvoering van de afdelingen 4 en 5 van hoofdstuk V van die wet. Subsidiair stelt verweerder dat er sinds de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing (IWSV) per 1 januari 2000 geen bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorieën woning meer zijn als bedoeld in artikel 88 Woningwet, zodat ook om die reden een beroep op artikel 88 Woningwet in samenhang met artikel 34 BWS 1995 niet meer kan slagen.

4.5. Eiseres bestrijdt het vervallen van de legesvrijstelling per 1 januari 1998 en voert daartoe in de eerste plaats aan dat ook sinds het schrappen van een aantal bepalingen uit de afdelingen 4 en 5 van hoofdstuk V van de Woningwet het treffen van voorzieningen aan bestaande huurwoningen door een toegelaten instelling nog altijd is aan te merken als een activiteit in het belang van de volkshuisvesting dan wel als een activiteit die dient ter voorziening in de woningbehoefte. Indien en voor zover er voor een dergelijke activiteit een vergunning moet worden opgemaakt - zoals een bouw- of sloopvergunning - geschiedt dat dan ook nog altijd ter uitvoering van de afdelingen 4 en/of 5 van hoofdstuk V van de Woningwet. Voorts stelt eiseres dat de legesvrijstelling altijd heeft gegolden voor zowel gesubsidieerde als voor niet-gesubsidieerde voorzieningen. Het schrappen van bepalingen betreffende subsidieverstrekking uit de afdelingen 4 en 5 van hoofdstuk V van de Woningwet kan dan ook niet hebben geleid tot het vervallen van de legesvrijstelling voor het treffen van ongesubsidieerde voorzieningen zoals die is opgenomen in artikel 34, eerste lid, BWS 1995 of daarvoor zijn bedoeld. Eiseres heeft verder op een aantal omstandigheden gewezen - kort gezegd: het jaarlijks actualiseren van het BWS, de nota "Mensen, wensen, wonen" en de uitspraak van het Hof Den Haag van 20 juni 2001, Belastingblad 2002/43 - waaruit eiseres afleidt dat de legesvrijstelling ook in de in dit geschil relevante jaren 2002, 2003 en 2004 is blijven gelden.

4.6.1. Op 1 januari 2000 is de (IWSV) in werking getreden. Artikel 9 van deze wet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de uitbetaling en de besteding van de financiële middelen en de subsidies, bedoeld in artikel 8, alsmede over de verslaglegging met betrekking tot die besteding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorts regels gegeven met betrekking tot de gevallen waarin Onze Minister zodanige financiële middelen die zijn verleend in verband met de ontwikkeling van bouwlocaties, kan verhogen.

(...)

6. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten het Besluit woninggebonden subsidies 1995 en het Besluit locatiegebonden subsidies uitsluitend op het eerste lid van dit artikel.

4.6.2. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel IWSV is onder meer het volgende vermeld:

"Artikel 9

Bestaande algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen blijven ingevolge artikel 8 van toepassing op de ingevolge de artikelen 81, eerste lid, en 82, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze leden luidden op 31 december 1999, verstrekte financiële middelen en subsidies.

(...)

Voor het doorsubsidiëren van uiterlijk op 31 december 1999 verleende of vastgestelde financiële middelen kunnen voornoemde algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen nog wel van belang zijn. Omdat de basis voor de bestaande algemene maatregelen van bestuur vervalt, is om te voorkomen dat deze algemene maatregelen van bestuur automatisch - van rechtswege - ook vervallen een nieuwe basis nodig om die maatregelen onder de vertrouwde namen (Besluit woninggebonden subsidies 1995, BWS 1995, en Besluit locatiegebonden subsidies, BLS) te kunnen laten voortbestaan. Die basis is opgenomen in het zesde lid van dit artikel. Door deze nieuwe grondslag voor de bedoelde bestaande algemene maatregelen van bestuur kunnen ook zo nodig na inwerkingtreding van de Wsv (de rechtbank: Wet stedelijke vernieuwing) wijzigingen worden aangebracht in met name de regels met betrekking tot de uitbetaling, de besteding en de verslaglegging van deze 'oude subsidies' (het eerste lid). Anders dan in par. 3.7 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel stedelijke vernieuwing is aangegeven, worden BWS 1995 en BLS dus niet ingetrokken, maar blijven deze uitsluitend ten behoeve van de bestaande subsidies van kracht.

(...)

Na de inwerkingtreding van de Wsv is derhalve artikel 9 van dit wetsvoorstel de basis voor het BLS en het BWS 1995, die beide uitsluitend nog van belang zijn voor op 31 december 1999 al verleende subsidies, en zijn de artikelen 81 en 82 van de Woningwet de grondslagen voor eventuele nieuwe subsidies voor andere activiteiten dan stedelijke vernieuwing, die echter wel betrekking moeten hebben op het wonen."

(TK 1999-2000, 27 160, nr. 3. p. 9 en 10)

4.7.1. Wat er ook zij van de toepasselijkheid van de legesvrijstelling in de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 2000, vastgesteld moet worden dat artikel 88 Woningwet per 1 januari 2000 niet langer (mede) de wettelijke basis is voor het BWS 1995. Met ingang van die datum berust het BWS 1995 immers uitsluitend op het eerste lid van artikel 9 IWSV. Nu geen andere algemene maatregel van bestuur met als wettelijke basis artikel 88 Woningwet van kracht is geworden, kan met ingang van 1 januari 2000 kan dan ook niet meer voldaan worden aan het hiervoor onder 4.2. genoemde tweede vereiste dat de legesvrijstelling uitsluitend geldt voor zover die stukken betrekking hebben op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven categorieën van woningen, standplaatsen of woonwagens.

4.7.2. Ingevolge artikel 8 IWSV is het BWS 1995 per 1 januari 2000 (uitsluitend) nog van toepassing op per 31 december 1999 reeds toegekende budgetten. Anders dan eiseres heeft aangevoerd kan dan ook niet uit de omstandigheid dat het BWS 1995 nog jaarlijks werd geactualiseerd, noch uit de omstandigheid dat in de door haar genoemde Nota "Mensen, wensen, wonen" het bestaan van een legesvrijstelling wordt genoemd, worden afgeleid dat de legesvrijstelling op grond van artikel 88 Woningwet in de voor dit geschil relevante jaren nog van toepassing was. Zoals ook uit de hiervoor geciteerde passage van de memorie van toelichting van het wetsvoorstel IWSV blijkt, is het BWS 1995 voor het doorsubsidiëren van uiterlijk op 31 december 1999 verleende of vastgestelde financiële middelen van toepassing gebleven.

4.7.3. De stelling van eiseres dat uit de uitspraak van het Hof Den Haag van 20 juni 2001, Belastingblad 2002/43, blijkt dat de legesvrijstelling ook na 1 januari 1998 nog gold omdat het hof in die zaak, waarin het ging om in maart 1998 in rekening gebrachte leges, het beroep op de legesvrijstelling honoreerde, behoeft geen verdere bespreking. In het onderhavige geval betreft het immers leges die in rekening zijn gebracht voor in 2002 en later ingediende aanvragen bouw- en sloopvergunning en zoals hiervoor is overwogen gold de legesvrijstelling op grond van artikel 88 Woningwet in samenhang met artikel 34 BWS 1995 (in ieder geval) vanaf 1 januari 2000 niet meer.

4.8. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op grond van de geldende regelgeving geen recht op legesvrijstelling heeft. Eiseres heeft (subsidiair) gesteld dat in dat geval de uitspraken op bezwaar en de onderliggende kennisgevingen moeten worden vernietigd vanwege schending van het rechtszekerheids- dan wel het vertrouwensbeginsel. Zij voert daartoe aan dat zij er op grond van het feit dat artikel 34 BWS 1995 niet is ingetrokken en tot en met 2004 jaarlijks werd geactualiseerd vanuit mocht gaan dat de legesvrijstelling ook ten aanzien van de door haar ingediende aanvragen om bouw- en sloopvergunningen zou worden toegepast. Voorts stelt zij dat aan de legesvrijstelling tot op heden toepassing is gegeven door gemeenten in het geval van het treffen van ingrijpende voorzieningen aan woningcomplexen door sociale verhuurders. Op grond hiervan meent eiseres dat zij er op mocht vertrouwen dat ook ten aanzien van de onderhavige aanvragen, nu die zien op het treffen van voorzieningen aan huurwoningen van een sociale verhuurder waarvan de kosten hoger zijn dan € 22.689,01 per woning, door verweerder geen leges zouden worden geheven.

4.9. De rechtbank volgt eiseres in deze stelling niet. Niet gesteld of gebleken is dat verweerder na 1 januari 1998 (buitenwettelijk) beleid heeft gevoerd dat voorzag in (het voortzetten van) de toepassing van de legesvrijstelling op grond van artikel 88 Woningwet in verbinding met artikel 34 BWS 1995, dan wel anderszins door gedragingen of toezeggingen het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat ten aanzien van de onderhavige aanvragen om bouw- en sloopvergunning geen leges zouden worden geheven. Namens verweerder is in dit verband ter zitting onweersproken verklaard dat geen beleid in vorenbedoelde zin is gevoerd en dat voor zover de legesvrijstelling na 1 januari 1998 nog door hem is toegepast dit in enkele incidentele gevallen is geweest. Dat mogelijk door andere gemeenten een dergelijk beleid wel is gevoerd - daarover is in deze procedure niets komen vast te staan - kan verweerder niet binden.

4.10. Het vorenstaande leidt ertoe dat de beroepen ongegrond zijn.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. E. Jochem, voorzitter, en mrs. J.L. Bruinsma en

B. Sio, leden van de meervoudige belastingkamer. De beslissing is op 26 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Koenis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.