Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AV0496

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
26-01-2006
Zaaknummer
13.497.524-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Luxemburg toegestaan. OLW biedt geen ruimte voor het opvragen van een nadere feitsomschrijving teneinde een onschuldverweer te kunnen onderbouwen. Ne bis in idem, opgeëiste persoon wordt in Nederland vervolgd voor een feit dat valt onder de feitsomschrijving in het EAB. Overlevering voor dat feit geweigerd (art. 9, lid 1 onder a OLW). Tevens is art. 13 OLW aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497524-2005

RK nummer: 05/4100

Datum uitspraak: 20 januari 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 november 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 20 november 2005 door de Onderzoeksrechter bij het Onderzoekskabinet van de Arrondissements-rechtbank van en te Luxemburg, Groothertogdom Luxemburg.

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

[adres]

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Almere Binnen’ te Almere,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 januari 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M. Pestman, namens zijn kantoorgenoot mr. M. Ferschtman, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een Internationaal aanhoudingsbevel van 18 november 2005 ten grondslag.

In een brief d.d. 5 januari 2006, heeft bovengenoemde Onderzoeksrechter meegedeeld dat dit onderliggende aanhoudingsbevel door hem op 18 november 2005 is uitgevaardigd.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Luxemburg strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel d) en e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

De raadsman heeft verzocht het EAB ontoelaatbaar te verklaren daar dit niet zou voldoen aan de in artikel 2, lid 2 onder e OLW gestelde eisen. Met name de aangegeven periode wordt door de raadsman te weinig specifiek geacht.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De in het EAB genoemde periode wordt beperkt tot een tijdsbestek van 1 juni 2005 tot en met 18 november 2005 en is daarmee voldoende nauwkeurig. Ook overigens voldoet de omschrijving van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, aan de vereisten die de OLW daaraan stelt.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse nationaliteit, maar die van Sierra Leone heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Luxemburg een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

De raadsman heeft betoogd dat de omschrijving van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht te summier is om een onschuldverweer op te kunnen bouwen. De opgeëiste persoon heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij eenvoudig niet in de gelegenheid is geweest om deel te nemen aan drugstransporten, omdat hij elke woensdag en elke vrijdag in het Asielzoekerscentrum waar hij verblijft een stempel moet halen. Bovendien heeft de opgeëiste persoon in de maand oktober 2005 enige dagen in detentie doorgebracht. De raadsman heeft aanhouding van de behandeling verzocht, aangezien hij van mening is dat nadere informatie van de uitvaardigende autoriteit noodzakelijk is om met succes een onschuldverweer te kunnen voeren.

De rechtbank wijst dit verzoek af. De OLW biedt geen ruimte om in het kader van een onschuldverweer aan de uitvaardigende autoriteit om nadere specificatie van de feitsomschrijving te verzoeken.

Het feit dat de opgeëiste persoon twee keer per week een stempel haalt leidt er niet toe dat onomstotelijk kan worden vastgesteld dat hij de hem verweten feiten onmogelijk gepleegd kan hebben.

Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de opgeëiste persoon enige dagen in verzekering heeft doorgebracht in verband met een Nederlandse strafzaak.

6. Verweren

De raadsman heeft verzocht de overlevering gedeeltelijk ontoelaatbaar te verklaren. Naar zijn mening levert berechting in Luxemburg een schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel op, nu de opgeëiste persoon in Nederland al wordt vervolgd voor hetzelfde feit. De raadsman heeft een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 9 OLW.

De rechtbank overweegt als volgt.

Er is in Nederland een strafzaak tegen de opgeëiste persoon aanhangig gemaakt onder parketnummer 13.421710-05 ter zake van het medeplegen van uitvoer van ongeveer twee en een halve kilo hennep in de periode van 24 oktober 2005 tot en met 25 oktober 2005, althans de poging daartoe en meer subsidiair het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van genoemde hoeveelheid hennep. Op 10 november 2005 heeft de politierechter het onderzoek geschorst. De behandeling van de strafzaak zal op 16 februari 2006 worden voortgezet.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het feit waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd, betrekking heeft op een deel van hetzelfde feitencomplex als het feitencomplex waarvoor de overlevering wordt verzocht. De weigeringsgrond van artikel 9, lid 1 onder a OLW is dan ook van toepassing met betrekking tot dit feit, te weten het medeplegen van een (poging tot) uitvoer van ongeveer twee en een halve kilo hennep in de periode van 24 oktober 2005 tot en met 25 oktober 2005. De overlevering zal voor dit feit dan ook worden geweigerd.

De uitzondering als bedoeld in lid 2 van ditzelfde artikel doet zich niet voor.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a en b, Overleveringswet

Uit de stukken blijkt dat de feiten bedoeld onder 4.1 waarvoor de Luxemburgse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a van de Overleveringswet verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Hij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

Enerzijds blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland woonachtig is. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon een belang heeft bij vervolging en berechting in Nederland.

Anderzijds blijkt uit dit EAB en de daarop betrekking hebbende stukken dat:

1. de feiten waarop het EAB ziet zich slechts gedeeltelijk op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld. De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan het invoeren van verdovende middelen in Luxemburg vanuit Nederland.

2. de opsporing en vervolging van de feiten zijn in Luxemburg aangevangen.

3. met betrekking tot de in het EAB genoemde feiten zijn in Luxemburg reeds medeverdachten aangehouden en/of veroordeeld.

De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat het hiervoor onder 6 bedoelde, op 24-25 oktober 2005 gepleegde feit een incident is geweest en niet tot een langlopend onderzoek heeft geleid.

Tenslotte heeft de officier van justitie rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden zoals de opgeëiste persoon die op de zitting naar voren heeft gebracht, te weten het feit dat hij in Nederland een vrouw en twee kinderen heeft.

Het bovenstaande brengt de officier van justitie tot het oordeel dat bij afweging van het belang dat de opgeëiste persoon heeft bij een berechting in Nederland en het belang dat de verzoekende staat heeft bij zijn berechting aldaar, het belang van de verzoekende staat dient te prevaleren.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie op de door hem aangevoerde gronden in redelijkheid tot zijn vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringsgrond.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter bij het Onderzoekskabinet van de Arrondissementsrechtbank van en te Luxemburg, Groothertogdom Luxemburg, ten behoeve van het in Luxemburg tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, met uitzondering van het hieronder vermelde feit.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover deze betrekking heeft op de verdenking van het medeplegen van een (poging tot) uitvoer uit Nederland van ongeveer twee en halve kilo hennep in de periode van 24 oktober 2005 tot en met 25 oktober 2005, waarvoor hij in Nederland onder parketnummer 13.421710-05 wordt vervolgd.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en J.L. Hillenius, rech-ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 januari 2006.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.