Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AU9945

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
13/409008-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het mededelen van voorwetenschap met betrekking tot Him Furness aan zijn broer. De broer wordt veroordeeld voor het verrichten van transacties in Him Furness met voorwetenschap.

Wetsverwijzingen
Wet toezicht effectenverkeer 1995
Wet toezicht effectenverkeer 1995 46a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2006/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/409008-05

Datum uitspraak: 19 januari 2006

op tegenspraak, raadsman gemachtigd

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, achtste meervoudige economische kamer A, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres].

Verdachte wordt hierna ook [verdachte] genoemd en zijn broer en medeverdachte [medeverdachte].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 en 15 december 2005 en 5 januari 2006.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging gedaan op 8 december 2005 zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Standpunt van partijen

2.1. Officier van justitie

Bij requisitoir heeft de officier van justitie met betrekking tot [verdachte] vrijspraak gevraagd voor het medeplegen van handel met voorkennis.

De officier van justitie acht wel bewezen dat [verdachte] zijn voorwetenschap aan [medeverdachte] heeft medegedeeld en/of hem heeft aanbevolen transacties te verrichten in aandelen HIM Furness.

Ook de rechtbank acht het medeplegen van handel met voorwetenschap door [verdachte] niet bewezen en beperkt zich tot de overblijvende beschuldiging.

Volgens de officier van justitie bestaat de voorwetenschap bij [verdachte] welke hij heeft doorgegeven aan [medeverdachte] uit de bijzonderheid

- dat het voornemen bestond HIM Furness N.V. van de beurs te halen (de beursnotering te beëindigen) en/of

- dat gesprekken werden gevoerd en/of overeenstemming bestond over de samenvoeging (fusie) van de [K. bedrijven] ([K. Holding N.V.]) met HIM Furness N.V. en/of

- dat [Beheersmaat[schappij L. B.V.]. (zijnde grootaandeelhouder van HIM Furness) de mogelijkheid onderzocht een bod uit te brengen op alle niet door haar gecontroleerde aandelen HIM Furness (tegen een koers van euro 60 per aandeel).

Bij repliek heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd van de twee laatste (van de vijf) gedachtestreepjes in de telastelegging (zie bijlage 1). De rechtbank volgt dit standpunt van de officier van justitie nu zij heeft vastgesteld dat het hier gaat om omstandigheden die pas bekend zijn geworden na 25 oktober 1999, de datum waarop [medeverdachte] de eerste telastegelegde transactie heeft verricht.

2.2. Verdachten [medeverdachte] en [verdachte]

De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) heeft [medeverdachte] en [verdachte] uitgebreid ondervraagd. [medeverdachte] heeft aanvankelijk meegewerkt en een aantal aan hem gestelde vragen beantwoord. Maar hij heeft, naarmate het onderzoek vorderde een groot aantal vragen onbeantwoord gelaten en daarmee veel onduidelijkheid laten bestaan.

[verdachte] heeft steeds gezwegen.

Wel heeft de raadsman ter zitting op een aantal onderdelen melding gemaakt van de visie van zijn cliënten, maar de rechtbank heeft de juistheid of aannemelijkheid daarvan niet bij [medeverdachte] en [verdachte] zelf kunnen toetsen, nu beiden niet ter zitting zijn verschenen.

3. Wettelijk kader

Ten tijde van het plegen van de telastegelegde feiten was van toepassing de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Na het plegen van de feiten is de Europese richtlijn 2003/6/EG in werking getreden. Die richtlijn is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd door de Wet marktmisbruik waarbij de Wte 1995 per 1 oktober 2005 is gewijzigd. Die wijziging van de Wte 1995 behelst niet een verandering van inzicht van de Nederlandse wetgever over de strafwaardigheid van het hier telastegelegde feit zodat aan het bepaalde in artikel 1 lid 2 Wetboek van strafrecht geen rechtstreekse betekenis toekomt.

Wel dienen - in het licht van de strekking van artikel 1 lid 2 Wetboek van strafrecht - eventuele nieuwe inzichten van de communautaire wetgever, zoals deze zouden kunnen blijken uit de richtlijn 2003/6/EG, toepassing te vinden, in ieder geval indien die toepassing een voor de verdachte gunstiger uitkomst oplevert.

4. Vaststelling van de feiten

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

4.1. In 1999 was [verdachte] bestuurder van[K. Holding N.V.] ([K. Holding]) en was zijn broer [medeverdachte] lid van de raad van commissarissen van [K. Holding].

4.2. Op 2 september 1999 heeft [verdachte] op een door DAF georganiseerde dealerbijeenkomst gesproken met [directeur automotive divisie HIM Furness N.V.], directeur van de automotive divisie van het aan de Amsterdamse effectenbeurs genoteerde HIM Furness N.V. (HIM Furness). [directeur automotive divisie HIM Furness N.V.] heeft [verdachte] tijdens deze bijeenkomst voorgesteld te praten over een eventuele samenwerking tussen [K. Holding] en HIM Furness op het terrein van de autodealeractiviteiten.

4.3. Op 20 september 1999 heeft [verdachte] in het bijzijn van [directeur automotive divisie HIM Furness N.V.] kennis gemaakt met [bestuurder van HIM Furness]. Tijdens deze bespreking heeft [bestuurder van HIM Furness] [verdachte] afgeraden [K. Holding] in te brengen in het beursfonds HIM Furness. Verder heeft [bestuurder van HIM Furness] [verdachte] medegedeeld dat hij “op dat moment niet vrij was om het hele verhaal rond een eventuele samenwerking verder uit te werken”, aldus [directeur automotive divisie HIM Furness N.V.].

4.4. Op 6 oktober 1999 heeft [bestuurder van HIM Furness] een bespreking gehad bij de ABN Amrobank. Deze bank kwam met het idee om de grootaandeelhouder [Beheersmaatschappij L. B.V.]. ([Beheersmaatschappij L.]) een openbaar bod uit te laten brengen op HIM Furness. Dit zou een oplossing moeten bieden voor de lage beurskoers van HIM Furness; die lage koers zou HIM Firness bij het doen van overnames in de weg staan. [bestuurder van HIM Furness] heeft [directeur van Beheersmaatschappij L.], hiervan direct op de hoogte gesteld. Op 18 oktober 1999 is ook [directeur automotive divisie HIM Furness N.V.] op de hoogte gebracht van het plan van een openbaar bod.

4.5. Op 20 oktober 1999 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verdachte], [directeur Beheersmaatschappij L.] en [bestuurder van HIM Furness]. Daarbij heeft [directeur Beheersmaatschappij L.] [verdachte] laten weten dat hij het zinnig vond om [K. Holding] en HIM Furness samen te voegen. Daarnaast heeft hij [verdachte] laten blijken van zijn aversie tegen de beurs in het algemeen en van de intentie om HIM Furness van de beurs te halen.

4.6. Op 25 oktober 1999 heeft ING Schweiz in opdracht en voor rekening van [medeverdachte] 2000 aandelen HIM Furness gekocht.

4.7. Op 26 oktober 1999 zijn [bestuurder van HIM Furness] en [directeur automotive divisie HIM Furness N.V.] bij [K. Holding] geweest en hebben zij kennis gemaakt met [medebestuurder K. Holding], medebestuurder van [K. Holding].

Op dezelfde dag kocht [medeverdachte] 1.000 aandelen HIM Furness, zoals hij ook op 28 en 29 oktober 1999 telkens 1.000 aandelen in dit beursfonds kocht. Op 2 en 9 november 1999 tenslotte heeft [medeverdachte] respectievelijk 2500 en 2000 aandelen HIM Furness gekocht.

Het totale aantal tussen 25 oktober en 9 november 1999 door [medeverdachte] gekochte aandelen bedraagt 9.500 voor een totaalbedrag van € 441.640 tegen beurskoersen die lagen tussen

€ 45,18 en € 47. [medeverdachte] heeft alle aandelen op 6 maart 2000 verkocht voor € 570.000 bij een koers van € 60, derhalve met een winst van € 128.360.

4.8. Op 30 november 1999 heeft HIM Furness een persbericht uitgebracht waarin werd gemeld dat de koers van het aandeel HIM Furness de afgelopen week 20% was gestegen en dat die koersstijging aanleiding was bekend te maken dat een grootaandeelhouder de mogelijkheid onderzocht om te komen tot een openbaar bod tegen een koers van ongeveer

€ 60 op alle niet door die grootaandeelhouder gecontroleerde aandelen. Op 20 januari 2000 hebben HIM Furness en [Beheersmaatschappij L.] in een gezamenlijk persbericht laten weten dat [Beheersmaatschappij L.] op 26 januari 2000 een openbaar bod beoogde uit te brengen en dat, indien voldoende aandelen zouden worden aangemeld, de beursnotering zou worden beëindigd. Dit laatste is medio 2000 gebeurd.

4.9. Op 20 september 2000 zijn de automobielactiviteiten van [K. Holding] en die van HIM Furness gefuseerd tot [K. Furness Automotive B.V.]

5. Koersgevoelige bijzonderheid

5.1. Toetsingskader

Onder koersgevoelige informatie moet, blijkens de memorie van toelichting bij de Wte 1995, worden verstaan: “niet openbaar gemaakte informatie die door beleggers relevant wordt geacht voor het nemen van beleggingsbeslissingen”. Een vergelijkbare definitie is terug te vinden in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel 29827 tot wijziging van de Wte 1995 (wet geworden per 1 oktober 2005) naar aanleiding van de richtlijn 2003/6/EG : “informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren”.

5.2. De bijzonderheid

De bijzonderheid in deze zaak wordt gevormd door de gesprekken die werden gevoerd over de samenvoeging van de [K. bedrijven] met HIM Furness en door het voornemen HIM Furness van de beurs te halen. Koersgevoeligheid, zoals dat volgens de toelichting op artikel 46 Wte 1995 moet worden uitgelegd, toetsend aan de hiervoor onder 4 als vaststaand aangenomen feiten, leidt tot het oordeel dat de bijzonderheid koersgevoelig was en dat die koersgevoeligheid in ieder geval op 20 oktober 1999 bestond, derhalve vóór de eerste aankoop van [medeverdachte] van aandelen HIM Furness op 25 oktober 1999. De rechtbank baseert dit oordeel met name op de volgende omstandigheden.

Op 20 oktober 1999 is tijdens een bijeenkomst van HIM Furness en [verdachte] met [grootaandeelhouder L.] behalve over samenvoeging van de twee bedrijven ook gesproken over de intentie van [grootaandeelhouder L.] om HIM Furness van de beurs te halen. Dat idee leefde al enige tijd binnen HIM Furness vanwege de lage beursnotering, waardoor het bedrijf werd gehinderd in haar expansie. Aan deze intentie werd op 6 oktober 1999 concreet invulling gegeven tijdens een bespreking van HIM Furness-directeur [bestuurder van HIM Furness] bij de ABN Amrobank. Toen heeft de bank geopperd dat de grootaandeelhouder [Beheersmaatschappij L.] een openbaar bod zou doen op HIM Furness. Volgens [grootaandeelhouder L.] had hij dit plan al eerder aangedragen bij de bank en was het op 6 oktober 1999 “in een formeel proces terechtgekomen”. [verdachte] was dus op 20 oktober 1999 op de hoogte van het expliciet door [grootaandeelhouder L.] aan hem medegedeelde voornemen HIM Furness van de beurs te halen. Na 20 oktober 1999 zijn de gesprekken over samenvoeging tussen HIM Furness en [K. Holding], waarbij [verdachte] als vertegenwoordiger van zijn bedrijf steeds aanwezig was, op een laag pitje gezet met het oog op de uitvoering van het voornemen HIM Furness van de beurs te halen. Deze gesprekken werden al enigszins terughoudend gevoerd vanwege de discussie binnen HIM Furness over de beursnotering. Zo heeft [bestuurder van HIM Furness] tijdens een gesprek in september aan [verdachte] medegedeeld dat hij op dat moment niet vrij was het verhaal rond samenwerking verder uit te werken. Dat de gesprekken tussen [verdachte] en HIM Furness wel degelijk een serieus en exclusief karakter hadden blijkt uit de verklaring van [directeur automotive divisie HIM Furness N.V.], die inhoudt dat HIM Furness nooit een andere partij dan [verdachte] heeft hoeven te benaderen om te melden dat HIM Furness moest stoppen met eventuele onderhandelingen. Bovendien hebben de bewuste gesprekken, nadat HIM Furness kort daarvoor van beurs was gehaald, in september 2000 daadwerkelijk geresulteerd in een fusie tussen de automobielactiviteiten van HIM Furness en [K. Holding].

5.3. De redelijk handelende belegger

Een redelijk handelende belegger zal voor het nemen van zijn beleggingsbeslissingen groot belang hechten aan de wetenschap dat met betrekking tot één beursfonds zowel gesprekken lopen over een mogelijke samenwerking als ook dat de grootaandeelhouder van dat beursfonds voornemens is dat fonds van de beurs te halen. Dit laatste zal een redelijk handelende belegger met name interessant vinden omdat dit doorgaans inhoudt dat de grootaandeelhouder een openbaar bod gaat uitbrengen tegen een prijs per aandeel, die, om de kans op slagen van dat openbare bod te vergroten, hoger ligt dan de beurskoers van het aandeel; daardoor kan de houder van dat aandeel bij acceptatie van het bod een premie tegemoet zien.

6. Mededelen en gebruik maken van voorwetenschap

6.1. Voorwetenschap [verdachte]

Uit de hiervoor, op de bewijsmiddelen stoelende, opgenomen feiten en omstandigheden, blijkt genoegzaam dat [verdachte] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [K. Holding] op de hoogte moet zijn geweest van de stand van de gesprekken en ontwikkelingen die hiervóór door de rechtbank als een koersgevoelige bijzonderheid zijn aangemerkt, die op 25 oktober 1999 nog niet openbaar was gemaakt.

6.2. Mededelen voorwetenschap door [verdachte] aan [medeverdachte].

Ook is voor de rechtbank komen vast te staan dat [verdachte] die koersgevoelige en slechts bij enkele insiders bekende informatie heeft doorgegeven aan zijn broer [medeverdachte], die met name daardoor een grote hoeveelheid aandelen HIM Furness is gaan kopen.

De conclusie dat [verdachte] zijn voorwetenschap heeft medegedeeld aan [medeverdachte] baseert de rechtbank in de eerste plaats op de betrokkenheid van beide broers bij de [K. bedrijven] waarbij echter [medeverdachte] op enige afstand stond van de dagelijkse gang van zaken, geen deelnemer was aan de gesprekken die een koersgevoelige bijzonderheid opleverden, maar wel als commissaris daarover later moet zijn ingelicht. Beiden hadden ook privé contact en gemeenschappelijke bezigheden. Daarnaast was [verdachte] sinds 8 maart 1999 gevolmachtigde en economisch rechthebbende van de beleggingsrekening waarop zijn broer de bewuste transacties heeft verricht.

6.3. Beleggingsgedrag [medeverdachte]

Het feit dat, het tijdstip waarop en de omvang waarin [medeverdachte] de transacties heeft verricht zijn hoogst opmerkelijk. Ook dit draagt in belangrijke mate bij aan het bewijs dat [medeverdachte] aandelen HIM Furness heeft gekocht, doordat zijn broer [verdachte] hem die transacties heeft aanbevolen op basis van door hem, [verdachte], verkregen en nog niet openbaar gemaakte informatie.

Ter toelichting dient het volgende.

- [medeverdachte] kocht de aandelen in een periode die is aangevangen enkele dagen nadat [verdachte] van de koersgevoelige bijzonderheid op de hoogte is gekomen en in een omvang die in de handel van dit small-cap fonds niet gebruikelijk was; de aankooptransacties van [medeverdachte] bedroegen op 3 van de aankoopdagen meer dan de helft van alle koopopdrachten in HIM Furness en op de overige dagen respectievelijk ongeveer 32,40% en 44% van het totale aantal aankopen;

- [medeverdachte] kocht de aandelen via een beleggingsrekening in Zwitserland die hij voor de Nederlandse fiscus verborgen hield. Op die rekening heeft hij in de jaren 1997 en 1998 nooit in aandelen gehandeld. In 1997 en 1998 bestond die rekening voor ongeveer de helft uit obligaties en voor de andere helft uit deposito’s. In het voorjaar van 1999 is, al dan niet door uitdrukkelijk toedoen van [medeverdachte], van die rekening voor ruim € 90.000 een vijftal soorten aandelen gekocht. Op dat moment was het saldo van de beleggingsrekening ruim € 462.000. Door de aankoop van de HIM Furness-aandelen in oktober en november 1999 steeg het percentage aandelen op die rekening naar 99,6. Voor die totale aankoop ten bedrage van € 447.000 was het volledige saldo van de rekening nodig en is een debetstand ontstaan van € 240.000 welke is aangezuiverd door verkoop van de eerder gekochte aandelen en een deel van de obligaties, grotendeels met verlies;

- het beperkte percentage aandelen op de beleggingsrekening van [medeverdachte] vóór 25 oktober 1999 is in overeenstemming met de door hem op 4 januari 1999 aan de bank gegeven beheersopdracht. Daarin staat een “strategische vermogensverdeling” vermeld van: liquiditeiten 0-20%, obligaties 50-90% en aandelen 10-30%. De omvang van de aankopen aandelen HIM Furness was dus geenszins in overeenstemming met die beheersopdracht, welke per 8 maart 2000 is ingetrokken;

- [medeverdachte] heeft op de vraag wie gemachtigd waren op de beleggingsrekening geantwoord: “alleen ik”. Uit de door de bank overgelegde stukken blijkt dat [verdachte] vanaf 8 maart 1999 ook gemachtigd is op die rekening en “economisch rechthebbende”.

6.3.1. De raadsman stelt hier, zakelijk weergegeven, het volgende tegenover.

[medeverdachte] was deskundig en geïnteresseerd in de branche waarin HIM Furness opereerde. Als professional in de automotivesector kende hij het bedrijf goed. Hij beschouwde, evenals de deskundigen op dit terrein, de koers van het aandeel als ondergewaardeerd. Ook verwachtte [medeverdachte] dat HIM Furness zou worden overgenomen, mede omdat de transportdivisie enkele maanden eerder was verkocht.

[medeverdachte] had daarnaast kennis genomen van vele publicaties over HIM Furness in kranten en tijdschriften die alle positief getoonzet waren, vooral ten aanzien van de gestegen winst en winstverwachting. Ook de koers van HIM Furness vertoonde een stijgende lijn; zo steeg de koers van dat aandeel in de week vóór de transactie van [medeverdachte] (18 tot 22 oktober 1999) van € 42,80 tot € 46,60 en op 22 oktober 1999 is het aandeel Furness opvallend veel gekocht.

6.3.2. De rechtbank weegt deze omstandigheden enigszins anders.

De algemene opinie dat de koers van HIM Furness te laag was en dat de koers vooral na 18 oktober 1999 aanzienlijk is gestegen, kunnen afzonderlijk noch tezamen de transacties van [medeverdachte] op en na 25 oktober 1999 verklaren. De sterke stijging van de koers van HIM Furness in oktober 1999 en met name de zeer aanzienlijke stijging na 18 oktober 1999 zijn in lijn met de stijging van de AEX in die periode.

De door de raadsman genoemde positieve publicaties over HIM Furness dateren van 1997, 1998 en 1999, de laatste van 2 september 1999. Deze berichten hebben [medeverdachte] niet (op korte termijn) bewogen tot enige transactie in HIM Furness, zelfs niet toen zijn beleggingsrekening op 10 februari 1999 met € 461.000 werd gecrediteerd. Hij heeft kort daarna voor een aanzienlijk bedrag obligaties gekocht en voor een veel lager bedrag aandelen in vier fondsen, procentueel in overeenstemming met de op 4 februari 1999 gegeven beheersopdracht.

De omstandigheid dat [medeverdachte] in 2000, na de lucratieve verkoop van de HIM Furness aandelen, zijn beleggingsgedrag radicaal heeft gewijzigd door speculatief te gaan beleggen en debetstanden te creëren kan heel wel worden toegeschreven aan de toen, bij explosief stijgende koersen en indexen, in brede kring heersende verwachting dat “de bomen tot in de hemel zouden groeien”.

Zonder nadere uitleg door [medeverdachte] valt daaraan geen motief te ontlenen voor zijn transacties op en na 25 oktober 1999 in HIM Furness.

Dat [medeverdachte] goed bekend was met de branche waarin HIM Furness actief was, is meer dan aannemelijk. [verdachte] en via hem [medeverdachte] konden gemakkelijk toegang krijgen tot nog niet openbare informatie over HIM Furness. Dat leverde voor hen een serieus risico op dat zij, eenmaal bekend met geheime informatie zoals hiervoor onder 5.2. aangegeven, in dat fonds met voorwetenschap zouden handelen. Dit had hen tot extra terughoudendheid bij het handelen in dat fonds moeten aanzetten.

Zij zijn daarentegen door die, slechts bij insiders bekende, feiten kennelijk juist gestimuleerd om op grote schaal aandelen HIM Furness te (laten) kopen.

6.4. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [medeverdachte] op en na 25 oktober 1999 aandelen HIM Furness heeft gekocht door gebruik te maken van voorwetenschap, die bestond uit de in de bewezenverklaring genoemde bijzonderheid, die zijn broer [verdachte] hem heeft medegedeeld.

7. Bewezenverklaring

De rechtbank baseert het bewijs dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op een tijdstip in de periode van 6 oktober 1999 tot en met 25 oktober 1999 vanuit Nederland beschikkende over voorwetenschap omtrent een rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld in artikel 46, tweede lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 te weten HIM Furness NV, anders dan in de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie opzettelijk deze voorwetenschap heeft medegedeeld aan een derde, te weten [medeverdachte]

waarbij de voorwetenschap bestond uit een bijzonderheid te weten

- dat het voornemen bestond HIM Furness NV van de beurs te halen (de beursnotering te beëindigen) en

- gesprekken werden gevoerd over de samenvoeging van de [K. bedrijven] ([K. Holding B.V.]) met HIM Furness NV en

- dat [Beheersmaatschappij L.] BV, zijnde groot aandeelhouder HIM Furness NV, de mogelijkheid onderzocht een bod uit te brengen op alle niet door haar gecontroleerde aandelen HIM Furness NV,

terwijl die bijzonderheid telkens niet openbaar was gemaakt en openbaarmaking van die bijzonderheid telkens naar redelijkerwijs te verwachten viel, invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten in het fonds HIM Furness NV, ongeacht de richting van de koers.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

8. De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Strafmotivering

De officier van justitie heeft als eis geformuleerd een veroordeling tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en een werkstraf van 120 uren.

Bij de vraag welke straf passend is heeft de rechtbank als volgt overwogen.

Het goed functioneren van de kapitaalmarkt is van wezenlijke betekenis voor de economie.

De aanbieders van kapitaal moeten erop kunnen vertrouwen dat alle deelnemers aan het kapitaalverkeer beschikken over dezelfde relevante informatie. Wie meer weet moet de markt mijden. Door dat niet te doen en gebruik te maken van die voorwetenschap of deze in beperkte kring te verspreiden, wordt het vertrouwen in de effectenmarkt geschaad en wordt het bereiken van een volledig transparante markt een utopie.

Ook de Europese regelgeving geeft er blijk van dat strenge normen het vertrouwen van beleggers moeten bevorderen en dat de sancties voldoende afschrikwekkend moeten zijn en in verhouding moeten staan tot de ernst van de inbreuk en de gerealiseerde winst.

Dit resulteert voor verdachte in het volgende .

Verdachte heeft zijn broer vertrouwelijke informatie doorgespeeld, die hij als bestuurder had verkregen. Verdachte en zijn broer liepen op die manier veel minder risico bij transacties in het aandeel HIM Furness dan de andere beleggers, die slechts uit openbare bronnen konden putten. Door zijn broer te tippen met geen ander doel dan dat zij daar beiden beter van zouden worden heeft verdachte het vertrouwen in de beurs ernstig beschaamd en zijn positie als bestuurder van [K. Holding] misbruikt.

De rechtbank laat in het nadeel van verdachte ook wegen dat hij op de beschuldiging geen enkel commentaar heeft gegeven en zelfs ter zitting verstek heeft laten gaan.

Ten voordele van verdachte dan wel anderszins strafverminderend geldt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat de feiten waarvoor hij wordt veroordeeld zich meer dan 5 jaar geleden hebben voorgedaan.

De rechtbank komt, dit alles afwegende, tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevraagde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de veronderstelde (door toedoen van verdachte enigszins onduidelijk gebleven) draagkracht van verdachte. De rechtbank ziet geen reden bij de strafoplegging onderscheid te maken tussen hem en zijn broer. Aangenomen moet worden dat beiden in gelijke mate van de transacties hebben geprofiteerd. Beiden hebben een gelijkwaardig aandeel geleverd en ieders bijdrage was essentieel om het doel te bereiken.

Dit alles leidt tot het opleggen van een geldboete, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te noemen duur en hoogte.

Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete geldt nog het volgende. De rechtbank houdt rekening met de aankondiging van de officier van justitie dat hij een ontnemingvordering zal doen. Toch acht de rechtbank de maximaal op dit feit gestelde geldboete (€ 11.250, omdat het feit door verdachte éémaal is gepleegd) te laag.

De rechtbank maakt dan ook gebruik van artikel 6 lid 1 sub 4 Wet op de economische delicten. Daarin is bepaald dat een geldboete van de naasthogere categorie kan worden opgelegd indien de waarde der goederen die door het delict zijn verkregen hoger is dan een vierde gedeelte van het maximum van de boete die op dat delict is gesteld.

De rechtbank gaat er verder van uit dat de geheel voorwaardelijke gevangenisstraf verdachte ervan zal weerhouden eenzelfde of vergelijkbare misdrijven te plegen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 46a (oud) van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en op de artikelen 1 (oud) en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 46a (oud) van de Wet toezicht effectenverkeer 1995

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte

- tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven;

- tot een geldboete van € 45.000 (vijfenveertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 360 (driehonderdzestig) dagen;

- tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.L. Mastboom, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en C.P. Bleeker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M.C. Grob, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 januari 2006.