Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AU9567

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
12-01-2006
Zaaknummer
H 05.1823 / 319087
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagden hebben onrechtmatig jegens Màxima gehandeld door in het weekblad Privé van 8 juni 2005 te publiceren dat Màxima drie kindermeisjes in dienst heeft, één ervan een tik heeft gegeven en haar vervolgens heeft ontslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

H 05.1823 / 319087

(AV)

4 januari 2006

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

EERSTE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n :

Hare Koninklijke Hoogheid Máxima, Prinses der Nederlanden,

Prinses van ORANJE-NASSAU, Mevrouw van AMSBERG,

wonende te Wassenaar,

e i s e r e s bij dagvaarding van 16 juni 2005,

procureur mr. L.P. Broekveldt,

t e g e n:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE TELEGRAAF TIJDSCHRIFTEN GROEP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde2],

woonplaats kiezende te Amsterdam,

g e d a a g d e n,

procureur mr. R.S. Le Poole.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken:

- dagvaarding, met bewijsstukken;

- conclusie van antwoord;

- ambtshalve gewezen tussenvonnis van 24 augustus 2005 waarbij een comparitie van partijen is gelast, die op 23 november 2005 heeft plaatsgevonden en het daarvan opgemaakte proces-verbaal met de daarin vermelde stukken.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde bewijsstukken, staat in deze zaak het volgende vast:

a. In het weekblad Privé (dat wordt uitgegeven door gedaagde sub 1) van 8 juni 2005, nummer 22, staat op de voorpagina een foto van eiseres met in rode letters de tekst:

“Koelde Máxima WOEDE op kindermeisje?”

waaronder in kleinere witte letters staat:

“Weer problemen rond zwangerschap”.

Op pagina 4 staat onder een foto van eiseres:

“Wat speelt zich af achter de gevels van DE EIKENHORST, het op het oog rustieke landhuis van PRINS WILLEM-ALEXANDER en PRINSES MÁXIMA in Wassenaar? Volgens ingewijden bepalen de buien van de Prinses daar in hoge mate de sfeer. En hofbronnen melden nu bovendien een zeer opmerkelijk incident, waar een kindermeisje het slachtoffer van zou zijn geworden; verloor Máxima thuis haar zelfbeheersing?”.

Op pagina’s 4 en 5 is een foto van De Eikenhorst afgebeeld met over beide pagina’s verdeeld in grote letters de tekst:

“Wat gebeurde er op De Eikenhorst?”.

Op pagina 6 en 7 staat het vervolg van het artikel onder de kop:

“’Kindermeisje na ruzie ontslagen’”.

Het artikel luidt verder als volgt:

b. Voornoemd artikel is van de hand van de hoofdredacteur van Privé, [gedaagde2] (gedaagde sub 2).

c. Een schriftelijke verklaring van 14 juni 2005 van [kindermeisje H.K.H. Prinses Catharina-Amalia] luidt:

“1. Sedert 22 november 2004 ben ik in dienst van ZKH de Prins van Oranje en HKH Máxima, Prinses der Nederlanden. Ik ben aangesteld als kindermeisje van HKH Catharina-Amalia, Prinses der Nederlanden. Naast mij zijn geen andere kindermeisjes in dienst.

2. In de editie van het weekblad Privé van 8 juni 2005 staat een bericht met de strekking dat drie kindermeisjes voor prinses Amalia zorgen, dat één van hen Prinses Amalia te lang heeft laten huilen, dat Prinses Máxima het verantwoordelijke kindermeisje een tik zou hebben gegeven en, tenslotte, dat dit kindermeisje zou zijn ontslagen. De suggestie wordt gewekt dat de gebeurtenis van tamelijk recente datum zou zijn.

3. De vier onderdelen van het bericht zijn alle onjuist. Zoals opgemerkt, ben ik het enige kindermeisje. Ik heb geen tik van Prinses Máxima gehad en ik ben nog steeds in dienst als kindermeisje.”

d. [Chef Personeelszaken van het Huis van Hare Majesteit de Koningin] heeft in een schriftelijke verklaring van 13 juni 2005 bevestigd dat [kindermeisje H.K.H. Prinses Catharina-Amalia] als enige sinds 22 november 2004 in dienst is als kindermeisje ten behoeve van de verzorging van H.K.H.. Prinses Catharina-Amalia, dat haar dienstverband niet voortijdig is verbroken en dat zij naar behoren functioneert.

2. De vordering

2.1 Eiseres vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. te verklaren voor recht dat de publicatie door gedaagden in de editie van Privé nummer 22 d.d. 8 juni 2005 met de aantijging met de strekking dat eiseres een kindermeisje een tik gaf, met daarop volgend ontslag, jegens eiseres onrechtmatig is;

B. gedaagden, op straffe van een dwangsom van € 25.000,= voor iedere week dat zij daarmee in gebreke blijven met een maximum van € 1 miljoen, te bevelen in de editie van Privé die verschijnt na drie dagen vanaf de betekening van dit vonnis op de gehele voorpagina, zonder enig commentaar in welke vorm dan ook in hetzelfde blad en zonder enige andere tekst of afbeelding dan de bladtitel, de vermelding van het nummer en de verkoopprijs, midden op de voorpagina, op een effen witte ondergrond in een zwart kader van 15 cm breed, 10 cm hoog en 2 cm dik, onderstaande tekst duidelijk leesbaar af te drukken in letters van 0,5 cm hoog, waarboven het woord “rectificatie” is afgedrukt in letters van 2 cm hoog:

“In Privé van 8 juni 2005 stond dat HKH Máxima, Prinses der Nederlanden, drie kindermeisjes in dienst heeft, één ervan een tik heeft gegeven en haar vervolgens heeft ontslagen.

In werkelijkheid heeft Prinses Máxima één kindermeisje in dienst vanaf het najaar van 2004, dat niet is ontslagen en geen tik heeft gehad.

De Rechtbank te Amsterdam heeft bij vonnis d.d. (...) vastgesteld dat de aantijging in Privé onrechtmatig is jegens Prinses Máxima.

Hoofdredactie Privé”;

C. gedaagden te veroordelen tot vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

D. gedaagden te veroordelen in de proceskosten, zulks met de bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis.

2.2. Eiseres voert daartoe aan dat het artikel in Privé feitelijk onjuist is en slechts dient ter bevrediging van de nieuwsgierigheid van delen van het publiek. Eiseres heeft geen drie kindermeisjes in dienst, maar één kindermeisje dat sinds 22 november 2004 in dienst is. Dit kindermeisje is niet ontslagen en heeft geen tik gehad van eiseres. Ter ondersteuning van haar betoog verwijst eiseres naar de overgelegde verklaringen van het kindermeisje en die van [Chef Personeelszaken van het Huis van Hare Majesteit de Koningin]. Ook de overige suggesties en insinuaties in het artikel over emoties en gedragingen van eiseres zijn onjuist, respectievelijk uit hun verband gelicht en misleidend. De speculaties van Privé over gedachten en gevoelens van eiseres missen feitelijke grondslag. Eiseres heeft niet met Privé gesproken in verband met de bestreden publicatie. De ontkenningen via de Rijksvoorlichtingsdienst heeft Privé weliswaar vermeld, maar die nemen het grievende karakter van de aantijgingen niet weg. Bij het publiek kan door de inkleding van het bestreden artikel bovendien de indruk worden gewekt dat het “Zuid-Amerikaanse temperament” uitbarstingen als die, welke Privé suggereert, heel wel kan meebrengen. De vraag op de voorpagina “Koelde Máxima woede op kindermeisje?” en de mededeling “weer problemen rond zwangerschap” zijn naar hun aard geschikt om bij althans een deel van de “2,5 miljoen lezers” van Privé en degenen met wie zij spreken de indruk te wekken dat aan eiseres dergelijk handelen kan worden toegeschreven. De teneur van de rest van het artikel bevestigt die indruk.

2.3 Voorts betoogt eiseres dat de aantijgingen in het gewraakte artikel, mede in onderling verband en samenhang beschouwd, de eer en goede naam van eiseres aantasten. De publicatie is beledigend te achten. De handelwijze van gedaagden is de voortzetting van een handelwijze die het blad Privé sedert jaar en dag aanhoudt, namelijk ter bevrediging van de nieuwsgierigheid van de lezers ongerechtvaardigd inbreuk maken op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van leden van het Koninklijk Huis, respectievelijk op bescherming van hun eer en goede naam, terwijl met die inbreuken geen bijdrage aan het publieke debat over zaken van openbaar of algemeen belang wordt geleverd.

2.4 Het deel van de eis dat ziet op het weglaten van commentaar in welke vorm dan ook bij de rectificatie, is ingegeven door een door Privé geschapen precedent: in de editie van Privé nummer 17 van 4 mei 2004 (de rechtbank leest: 2005) suggereren gedaagden dat het voordien gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2005 (LJN: AT 4199; gestolen camera/SBS) berust op een misverstand.

3. Het verweer

3.1 Gedaagden hebben de vordering gemotiveerd betwist. Zij betogen dat de publicatie is gebaseerd op informatie van een bron die werkzaam is bij Politie Haaglanden. Volgens deze bron heeft één van de kindermeisjes die voor eiseres werkzaam is geweest aangifte gedaan bij de Politie Haaglanden wegens mishandeling, omdat zij door eiseres geslagen zou zijn. De aangifte zou niet in behandeling zijn genomen. Na publicatie van het onderhavige artikel in de Privé van 8 juni 2005 heeft de bron een nadere toelichting gegeven. Daarbij heeft de bron verteld met “een recent incident” bedoeld te hebben dat het incident tussen eiseres en het kindermeisje zich in 2004 heeft voorgedaan. Over de vraag of er wel of geen aangifte is gedaan heeft de bron nader gemeld dat wat er aan gegevens was bij de politie niet meer traceerbaar is. Aan de bron is anonimiteit toegezegd, zodat gedaagden geen bewijs aanbieden door middel van het doen horen van deze persoon als getuige.

3.2 Gedaagden voeren voorts aan dat zij de van de bron verkregen informatie niet tot de hunne hebben gemaakt. De kop boven de publicatie is tussen aanhalingstekens weergegeven om duidelijk te maken dat het hier gaat om een citaat van de bron. In het artikel is duidelijk aangegeven dat het gaat om het verhaal van een bron, welk verhaal bovendien door de Rijksvoorlichtingsdienst ten stelligste wordt ontkend, hetgeen in de aanvang van het artikel meteen is opgenomen. Indien de van de bron afkomstige informatie achteraf onjuist mocht blijken te zijn dan komt dat voor verantwoordelijkheid van de bron en niet voor verantwoordelijkheid van de uitgever en de journalist die het verhaal van de bron niet tot het hunne hebben gemaakt, maar juist uitdrukkelijk hebben toegeschreven aan de bron.

3.3 Wat het beledigend karakter betreft stellen gedaagden dat zij het verhaal van de bron bewust hebben afgezwakt. Er is geen melding gemaakt van de vermeende aangifte bij de Politie Haaglanden of van mishandeling. Bovendien vangt de publicatie aan met de ontkenning van de Rijksvoorlichtingsdienst. Voorts voeren gedaagden aan dat eiseres, als echtgenote van de beoogde troonopvolger, als moeder van prinses Amalia die eveneens beoogd troonopvolger is, alsmede als lid van de Raad van State en van verschillende maatschappelijke organisaties, een publiek figuur is met een officiële functie, zodat zij een grotere tolerantie dan de doorsnee burger moet opbrengen ten aanzien van datgene wat over haar wordt gepubliceerd. Hetgeen zij zegt of doet is snel relevant in het kader van het publiek debat, zodat in het onderhavige artikel geen sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.

3.4 Met betrekking tot de gevorderde rectificatie merken gedaagden op dat deze disproportioneel is; het gewraakte artikel is niet gepubliceerd op de voorpagina maar op de pagina’s 6 en 7, de gevorderde omvang van de rectificatie is te groot in verhouding tot de omvang van de gevorderde tekst, het gevorderde zwarte kader van 2 cm dik wekt de indruk van een rouwannonce, de gevorderde lettergrootte is te groot en tenslotte is de gevorderde dwangsom te hoog. De eerste zin van de gevorderde rectificatietekst miskent dat de litigieuze mededeling niet afkomstig is van Privé, maar van de bron.

4. Beoordeling

4.1 Gedaagden hebben tegenover de gemotiveerde betwisting door eiseres niet aangetoond dat zij beschikken over een bron die hen heeft meegedeeld dat eiseres drie kindermeisjes in dienst had, één van hen een tik heeft gegeven en haar vervolgens heeft ontslagen. Bovendien is niet in geschil dat de beweerdelijke bron verkeerd is aangehaald voor zover het de datering van het vermeende incident betreft. In het artikel is dat incident als “zeer recent” gekwalificeerd, terwijl het volgens de door gedaagden genoemde bron in 2004 zou hebben plaatsgevonden.

Dit betekent dat de vermelding van het incident, waar het in het artikel om draait, niet meer is dan een lichtvaardige, ernstige beschuldiging, die niet kan worden waargemaakt. Door de wijze waarop in het artikel het incident wordt beschreven en in verband wordt gebracht met de (toenmalige) zwangerschap van eiseres en met insinuaties omtrent haar gedragingen, houdt het artikel de suggestie in dat de beschuldiging op waarheid berust. Daardoor hebben gedaagden onvoldoende afstand genomen tot de bron, hetgeen tevens betekent dat gedaagden zich niet kunnen verschuilen achter de vragende en voorwaardelijke vorm waarin het artikel is geschreven. De vermelding van het feit dat de RVD het incident heeft ontkend, maakt dat niet anders, gelet op het veel zwaardere gewicht dat in het artikel aan de door gedaagden genoemde negatieve geruchten over het gedrag van eiseres wordt toegekend.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat door de publicatie de eer en goede naam van eiseres is aangetast en dat de inhoud van het artikel een ernstige inbreuk vormt op haar privé-leven. Gedaagden betogen ten onrechte dat deze inbreuk in dit geval, gelet op de positie van eiseres gerechtvaardigd is. Zij voeren wel terecht aan dat eiseres een publiek figuur is als echtgenote en moeder van de beoogde troonopvolgers in Nederland. Een dergelijk publiek figuur zal enige tolerantie hebben te betrachten naarmate privé-aangelegenheden het karakter van de huiselijke kring overstijgen, hetgeen in ieder geval aan de orde kan zijn indien eiseres zich anders gedraagt dan naar algemene maatschappelijke normen passend is voor iemand in haar positie. Dat gaat echter niet zover dat eiseres zich de onderhavige, ernstige beschuldiging, waarvan bij voorbaat vaststond dat de juistheid niet kan worden aangetoond wegens het beroep van gedaagden op toegezegde anonimiteit van de bron, moet laten welgevallen.

4.3 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de gevorderde rectificatie gerechtvaardigd en noodzakelijk. Deze zal daarom worden toegewezen.

4.4 Gelet op de onjuiste gegevens in het gewraakte artikel en de omvang van het bewuste artikel heeft eiseres belang bij een voldoende in het oog springende rectificatie in Privé. De door eiseres voorgestelde lay-out, waaronder het 2 centimeter dikke kader, van de gevorderde rectificatie gaat daarbij echter te ver. Wel zullen gedaagden worden veroordeeld tot het plaatsen van een aankondiging van de rectificatie op de voorpagina en het plaatsen van de rest van de rectificatie op pagina 3 op de wijze zoals hierna in het dictum zal worden bepaald. Ook zullen gedaagden zich hebben te onthouden van enig commentaar in welke vorm dan ook in hetzelfde blad waarin de rectificatie is geplaatst. De gevorderde dwangsom acht de rechtbank in dit geval proportioneel.

4.5 De gevorderde verwijzing naar de schadestaat zal worden afgewezen, nu de raadsman van eiseres met betrekking tot de schade ter zitting heeft aangevoerd dat deze bestaat uit immateriële schade, zodat de rechtbank zich reeds thans voldoende voorgelicht acht om de schade te begroten. Voor de onrechtmatige aantasting door het onderhavige artikel van de eer en goede naam van eiseres acht de rechtbank een bedrag van

€ 5.000,= in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank houdt daarbij, naast de hiervoor al gemaakte belangenafweging, enerzijds rekening met de omstandigheid dat deze rechtbank al eerder (bij vonnis van 25 februari 2004, H.03.1880 / 270459; LJN: AO4371 en bij vonnis van 20 april 2005, 297949 / H 04.2841; LJN: AT4299) gedaagden heeft veroordeeld wegens onrechtmatige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van eiseres. Anderzijds weegt mee dat de inhoud van het gewraakte artikel niet door andere media is overgenomen en nauwelijks publiek aandacht heeft gehad.

4.6 Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart voor recht dat de publicatie door gedaagden in de editie van Privé nummer 22 d.d. 8 juni 2005 met de aantijging met de strekking dat eiseres een kindermeisje een tik gaf, met daarop volgend ontslag, jegens eiseres onrechtmatig is;

- beveelt gedaagden in de editie van Privé die verschijnt na drie dagen vanaf de betekening van dit vonnis, zonder enig commentaar in welke vorm dan ook in hetzelfde blad, op de voorpagina rechtsboven in zwarte letters op een witte ondergrond in een kader ter grootte van 8 centimeter breed en 4 centimeter hoog op duidelijk leesbare wijze en in zodanig formaat dat voornoemd vlak volledig is gevuld de volgende tekst te plaatsen:

“Op bladzijde 3 volgt een rectificatie in verband met het artikel over Prinses Máxima in de Privé van 8 juni 2005.”;

en beveelt gedaagden op de rechter bovenzijde van bladzijde 3 van voornoemde editie van Privé in zwarte letters op een witte ondergrond in een kader ter grootte van een kwart van de gehele pagina op duidelijk leesbare wijze en in zodanig formaat dat voornoemd vlak volledig is gevuld de volgende tekst te plaatsen:

“In Privé van 8 juni 2005 stond dat HKH Máxima, Prinses der Nederlanden, drie kindermeisjes in dienst zou hebben, één ervan een tik zou hebben gegeven en haar vervolgens zou hebben ontslagen.

In werkelijkheid heeft Prinses Máxima één kindermeisje in dienst vanaf het najaar van 2004, dat niet is ontslagen en geen tik heeft gehad.

De Rechtbank te Amsterdam heeft bij vonnis d.d. 4 januari 2006 vastgesteld dat de aantijging in Privé onrechtmatig is jegens Prinses Máxima.

Hoofdredactie Privé”;

- op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 25.000,= (vijfentwintigduizend euro) voor iedere week dat gedaagden in gebreke blijven volledig te voldoen aan dit bevel, met een maximum van € 1 miljoen;

- veroordeelt gedaagden tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van

€ 5.000,= (vijfduizend euro);

- veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op € 329,60 aan verschotten en € 904,= voor salaris procureur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Gewezen door mr. M. van Hees, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.