Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AU9280

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
13.497.418-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een weigering tot overlevering naar Frankrijk.OP is in 1991 bij verstek veroordeeld tot 6 jaar. Overlevering in strijd met artikel 6 EVRM nu er geen sprake meer is van "effective remedy" in Frankrijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.418-2005

RK nummer: 05/3368

Datum uitspraak: 4 januari 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 oktober 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 6 juni 2005 door de Substituut van de officier van justitie van de republiek (Substitut du Procureur de la République) van de arrondissementsrechtbank (Tribunal de Grande Instance) te Nice, Frankrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

wonende op het [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 november 2005. De rechtbank heeft een tussenuitspraak gedaan op 25 november 2005 teneinde de officier van justitie te verzoeken de navolgende vragen door te geleiden aan de Franse justitiële autoriteit.

1. Welke pogingen heeft de Franse justitie in de periode die is gelegen tussen de datum waarop de feiten zouden zijn voltooid, te weten eind december 1989, onderscheidenlijk het wijzen van het verstekvonnis op 26 februari 1991 en het uitvaardigen van het EAB op 6 juni 2005, in het werk gesteld om de opgeëiste persoon op te sporen?

2. In de SIS-signalering staat als datum van het bericht met betrekking tot de verzochte aanhouding van de opgeëiste persoon genoemd: 2 augustus 2005. Is de opgeëiste persoon eerder gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem of een ander nationaal of internationaal opsporingssysteem?

3. Op welke termijn na overlevering van de opgeëiste persoon zal de verzet-procedure worden gevoerd en zal de opgeëiste persoon de mogelijkheid worden geboden het proces in vrijheid af te wachten?

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 21 december 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. S.V. Jansen, advocaat te Amsterdam gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een vonnis bij verstek (Jugement rendu par défaut) van de Correctionele rechtbank (Tribunal Correctionnel) te Nice, Frankrijk van 26 februari 1991 ten grondslag.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 jaren. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft een feit zoals dat is omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

Ten aanzien van de identiteit van de opgeëiste persoon en de garantie als bedoeld in artikel 12 OLW heeft de rechtbank zich in haar tussenuitspraak van 25 november 2005 al uitgesproken.

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het overleveringsverzoek als een verzoek tot overlevering ter vervolging zal worden beschouwd.

De overwegingen, zoals opgenomen onder 3. en 4. van de tussenuitspraak, gelden als hier ingevoegd.

3. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer [5] op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op dit feit is bovendien naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4. Verweren

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft in zijn pleitaantekeningen onder meer aangevoerd dat het voor de opgeëiste persoon moeilijk is om 16 jaar na het plegen van het vermeende feit de verdediging te voeren. Zeker indien de opgeëiste persoon in afwachting van berechting in Frankrijk van zijn vrijheid zou worden beroofd. Er is volgens de raadsman sprake van een flagrante schending van de redelijke termijn. Deze schending is aan de Franse autoriteiten te wijten nu zij betrokkene niet eerder internationaal hebben gesignaleerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er in deze zaak geen sprake is van een flagrante schending van de redelijke termijn. De officier van justitie is weliswaar met de raadsman van oordeel dat onbegrijpelijk is waarom de Franse autoriteiten niet eerder zijn overgegaan tot internationale signalering, maar zij stelt dat opgeëiste persoon mogelijk langere tijd in Turkije heeft verbleven, nu hij pas vanaf oktober 2002 bij de afdeling Burgerzaken in ’s-Gravenhage staat ingeschreven. Omdat Turkije geen eigen onderdanen uitlevert heeft internationale signalering niet zoveel nut. De ernst van het feit en de hoogte van de opgelegde straf rechtvaardigen de langere termijn. Er is geen sprake van schending van de belangen van de opgeëiste persoon nu Frankrijk heeft toegezegd dat hij na overgave aan de Franse autoriteiten invrijheidstelling kan vragen en dat de rechtbank, indien de opgeëiste persoon verzet instelt, daarover binnen twee maanden een besluit zal nemen. Nu Frankrijk partij is bij het EVRM, zal de Franse rechter de zaak op zijn merites zal beoordelen.

De rechtbank zoekt aansluiting bij haar eerdere uitspraak nummer RK 05/960, LJN AT8580

en overweegt als volgt:

Onder de Uitleveringswet is het oordeel omtrent de vraag of zich zodanige schendingen van de door artikel 6 van het EVRM beschermde fundamentele rechten hebben voorgedaan dat deze aan een uitlevering in de weg staan, in beginsel voorbehouden aan de Minister van Justitie en daarmee in belangrijke mate onttrokken aan het oordeel van de uitleveringsrechter - zeer bijzondere omstandigheden daargelaten. De jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot dit onderwerp moet dan ook in dat licht worden bezien.

In het kader van de OLW ziet de rechtbank zich ingevolge art 11 van die wet gesteld voor de vraag of inwilliging van het verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit tot overlevering zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM.

Nu in het systeem van de OLW de toets van de minister (in deze) voorafgaand aan de overlevering is weggevallen, is hiermee door de wetgever een ruimere onderzoeksopdracht ter zake aan de rechter opgedragen. Zo ook advocaat-generaal N. Keijzer in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2004 (NJ 2005, 243).

Uit het dossier blijkt het volgende:

De opgeëiste persoon is op 1 december 1989 aangehouden en verhoord met betrekking tot aankoop, houden en verkoop van verdovende middelen, te weten heroïne. Hij is na verhoor niet in hechtenis genomen voor deze zaak. Op 26 februari 1991 is de opgeëiste persoon bij verstek veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. Op 6 juni 2005 is het huidige EAB afgegeven. De opgeëiste persoon heeft bij monde van zijn raadsman laten weten dat hij bij overlevering aan Frankrijk gebruik zal maken van de mogelijkheid van verzet, zodat in Frankrijk een nieuw proces dient plaats te vinden.

Ingevolge art 6, eerste lid, EVRM heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Daarbij is tevens in het derde lid, onder c, bepaald dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld in het bijzonder het recht heeft zichzelf te verdedigen.

Vast staat dat tussen het arrestatiebevel met betrekking tot de opgeëiste persoon van 26 februari 1991 en het uitvaardigen van het EAB op 6 juni 2005 een periode van ruim 14 jaar is verstreken.

De rechtbank is van oordeel dat naar maatstaven die in de Nederlandse rechtspraak zijn aangelegd in vervolg op voorliggende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna:EHRM) ter zake van artikel 6 EVRM, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Zowel Nederland als Frankrijk zijn aangesloten bij het EVRM, zodat het hier in beginsel de toetsing van een Europese norm betreft. Daar staat tegenover dat niet kan worden uitgesloten dat op grond van argumenten voortvloeiende uit het Franse (rechts)systeem in Frankrijk andere maatstaven gelden.

Om deze reden heeft de rechtbank in haar interlocutoire uitspraak d.d. 25 november 2005 overwogen - zakelijk weergegeven - dat het de vraag is of de opgeëiste persoon, na bovengenoemd tijdsverloop nog in staat is zijn in artikel 6 EVRM bedoelde verdediging te voeren. De rechtbank heeft daartoe de uitvaardigende autoriteit expliciet een aantal vragen voorgelegd teneinde een toelichting te verkrijgen op het tijdverloop.

De officier van justitie heeft deze vragen aan de uitvaardigende autoriteit voorgelegd.

Uit een brief van de officier van justitie bij de Arrondissementsrechtbank te Nice van 12 december 2005 blijkt dat er op 26 februari 1991 een arrestatiebevel is uitgegeven door de correctionele rechtbank van Nice. Op 28 april 1991 is de beslissing van het Parket betekend en is de opgeëiste persoon op de lijst van gerechercheerde personen gezet.

Bij brief van 16 december 2005 heeft de Vice Hoofdofficier van Justitie van het parket bij de rechtbank te Nice - voorzover van belang en zakelijk weergegeven –laten weten dat de verspreiding van het opsporingsbevel van [opgeëiste persoon], gerekend vanaf het moment van zijn veroordeling tot aan de dag van uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel op 6 juni 2005, beperkt is gebleven tot het Franse nationale niveau.

Hij heeft als verklaring voor dit tijdverloop de volgende uitleg gegeven.

De Justitiële autoriteiten van de Centrale Directie van de Recherche hebben het Parket van Nice op 30 december 2003 attent gemaakt op het feit dat het wel wenselijk zou zijn om verspreiding van het opsporingsbevel van [opgeëiste persoon] uit te breiden tot Europees niveau. Het Parket te Nice heeft er de voorkeur aan gegeven te wachten met uitbreiding van het nationale opsporingsbevel tot Europees niveau tot Frankrijk zich in de loop van het jaar 2004 zou aansluiten bij de toepassingsprocedure van het EAB.

De rechtbank constateert dat het vervolgens nog tot 6 juni 2005 heeft geduurd voordat de Franse justitiële autoriteiten uiteindelijk zijn overgegaan tot internationale signalering en daar de veertien daarvoor liggende jaren om voor de rechtbank niet duidelijk geworden redenen vanaf hebben gezien.

De rechtbank dient thans de vraag te beantwoorden of sprake is van een flagrante schending, als bedoeld in artikel 11 OLW.

Hoewel de wetgever geen nadere invulling geeft aan de kwalificatie “flagrant”, houdt de rechtbank het ervoor dat waar wordt gesproken over de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zich een flagrante schending voordoet als sprake is van een dusdanig (lang) tijdsverloop dat dit niet langer gecompenseerd kan worden in de strafmaat maar dat geen andere consequentie dan verval van het recht op vervolging kan volgen. De rechtbank is van oordeel dat:

- nu de opgeëiste persoon in verband met het feit op 1 december 1989 is gehoord en derhalve ter beschikking van de vervolgende instantie stond;

- de vervolgende instantie in ieder geval tussen 26 februari 1991 en 6 juni 2005, dus gedurende een tijdsbestek van meer dan 14 jaren, niets heeft ondernomen om de opgeëiste persoon actief op te sporen;

- terwijl de door de uitvaardigende autoriteit verstrekte informatie, mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte niet de Franse nationaliteit heeft en reeds voor de inwerkingtreding van het EAB internationale verdragen bestonden op grond waarvan de opgeëiste persoon internationaal kon worden gesignaleerd, dit tijdsverloop op geen enkele manier rechtvaardigt,

hier naar Nederlandse maatstaven, zoals die zijn neergelegd in bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad, sprake is van een flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon zoals deze zijn verwoord in art 6 EVRM, zoals hierboven is omschreven.

De informatie die de Franse autoriteiten in reactie op de interlocutoire uitspraak aan de rechtbank hebben doen toekomen, geeft geen aanleiding om aan te nemen dat dit naar Franse maatstaven anders zou zijn.

Voor de stelling van de officier van justitie dat internationale signalering mogelijk niet eerder heeft plaatsgevonden, omdat de opgeëiste persoon waarschijnlijk langere tijd in Turkije heeft verbleven en Turkije geen eigen onderdanen uitlevert, is geen steun te vinden in de stukken die betrekking hebben op het overleveringsverzoek.

Vervolgens dient de rechtbank zich nog een oordeel te vormen omtrent de vraag of de vastgestelde flagrante schending van de redelijke termijn als bedoeld in art 6 EVRM, met toepassing van artikel 11 OLW, in de weg staat aan een overlevering aan de uitvaardigende autoriteit. Daarbij weegt uiteraard zeer zwaar of aan betrokkene in het land waarnaar de overlevering dient plaats te vinden een zogenaamde “effective remedy” als bedoeld in art 13 EVRM ter beschikking staat.

Frankrijk is aangesloten bij het EVRM en ingevolge dat verdrag staat voor de opgeëiste persoon ook in Frankrijk tegenover de Franse rechter een rechtstreeks beroep op de bescherming van dat verdrag open. De rechtbank is gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel gehouden er op te vertrouwen dat de Franse rechter een dergelijk beroep ook geheel in overeenstemming met dat verdrag zal beoordelen. De rechtbank hecht eraan in dit verband op te merken dat zij ook geen enkele reden heeft twijfel dienaangaande te koesteren. Resteert de vraag of een dergelijke mogelijkheid voldoende “effective” is.

De rechtbank maakt in haar beoordeling hiervan onderscheid tussen de situatie waarin sprake is van een dreigende schending en die waarin de schending reeds onomkeerbaar heeft plaats gevonden. De redelijke termijn als beschermd in artikel 6 EVRM beoogt mensen die verdacht worden van het gepleegd hebben van strafbare feiten te beschermen tegen een onredelijk lange duur van onzekerheid omtrent de afloop van de tegen hem of haar aangevangen vervolging. De rechtbank is hierboven reeds tot het oordeel gekomen dat de opgeëiste persoon inmiddels zolang in onzekerheid is gelaten omtrent de afloop van de tegen hem aangevangen vervolging dat deze naar Nederlandse maatstaven nog slechts gecompenseerd kan worden door een verval van een recht op vervolging.

In deze situatie is elke dag dat die onzekerheid voortduurt een voortzetting van een reeds bestaande schending. Nu de uitvaardigende autoriteit heeft aangegeven dat een beslissing betreffende het rechtsmiddel van verzet binnen twee maanden na overhandiging van de opgeëiste persoon aan de Franse autoriteiten zal plaatsvinden, en uit de stukken niet blijkt wanneer het strafproces tegen de opgeëiste persoon een aanvang zal nemen en het aldus ernaar uitziet dat de opgeëiste persoon nog (voor vooralsnog onbepaalde tijd) in voorlopige hechtenis zal worden genomen, kan in de onderhavige zaak niet langer worden gesproken van een “effective remedy”.

Dat de opgeëiste persoon een aanvraag voor invrijheidstelling aanhangig kan maken vanaf het moment van de overgave aan de Franse autoriteiten, maakt dat niet anders.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon op grond van artikel 11 OLW niet zal toestaan.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat niet aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden geweigerd.

9. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Substituut van de officier van justitie van de republiek (Substitut du Procureur de la République) van de arrondissementsrechtbank (Tribunal de Grande Instance) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr.A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,

mrs. J.L. Hillenius en J.N.A. Jolink, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 januari 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.