Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:BA2364

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2005
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
AWB 04/3545 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van de gemeente Amsterdam heeft de kerk van de R.K. Parochie Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand (Chassékerk) met bijbehorende pastorie op de lijst van beschermde gemeentelijke monumenten geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 04/3545 BESLU

van:

de R.K. Parochie van de Heilige Drie Eenheid, gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar,

tegen:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M. de Groot,

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

de Stichting Werkgroep 20-40, gevestigd te Amsterdam,

belanghebbende.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 22 juli 2004 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 15 juni 2004, verzonden 17 juni 2004, kenmerk 04/BO040 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 28 oktober 2005.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 september 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van de gemeente Amsterdam, op verzoek van de Stichting Werkgroep 20-40 en overeenkomstig het advies van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg (hierna: ARM), de kerk van de R.K. Parochie Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand (Chassékerk) met bijbehorende pastorie op de lijst van beschermde gemeentelijke monumenten geplaatst. Tegen dit besluit heeft eiseres op 30 oktober 2003 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie van 26 februari 2004, ongegrond verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a van de Monumentenverordening De Baarsjes 1995 (hierna: de Verordening) worden onder monumenten verstaan alle zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening kan het dagelijks bestuur al dan niet op aanvraag van belanghebbenden besluiten onroerende monumenten als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Verordening besluit het dagelijks bestuur over een plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst nadat de ARM in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen en de vaste commissie van advies en bijstand op het gebied van de monumentenzorg alsmede, voor zover mogelijk, de eigenaar en zakelijk gerechtigde zijn gehoord.

De ARM heeft in haar advies van 19 december 2002 geconcludeerd dat de Chassékerk van stedebouwkundig, cultuur- en architectuurhistorisch belang is als representant van de tijdens het interbellum toegepaste kerkelijke cultuurpolitiek die de kerk als een belangrijk stedebouwkundig element en blikvanger inzette.

Eiseres heeft allereerst de monumentwaardigheid van de kerk met pastorie bestreden en heeft gesteld dat zonder nadere motivering daarvan het advies van de ARM onvoldoende is om tot aanwijzing over te gaan. Zij heeft daarbij aangevoerd dat in het kader van de procedure tot aanwijzing tot rijksmonument de Rijksdienst voor de Monumentenzorg alsmede de Raad voor Cultuur negatief heeft geadviseerd. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat, gelet op de schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling die is gewekt doordat één van de leden van de ARM ook de woordvoerder is van de Stichting Werkgroep 20-40 - welke werkgroep het verzoek tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst bij verweerder indiende - het advies van de ARM niet als grondslag voor het bestreden besluit kan dienen.

In aanmerking genomen dat de ARM een adviseur is als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient verweerder zich er van te vergewissen dat het onderzoek van de adviseur op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden zoals is bepaald in artikel 3:9 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het advies van de ARM het karakter van een deskundigenadvies. Zij dient verweerder te adviseren omtrent het al dan niet monumentwaardig zijn van het betreffende object in het licht van de criteria vermeld in de Verordening. De voorzitter en secretaris van de ARM hebben desgevraagd nader verklaard dat het, gelet op het deskundigenprofiel van de leden van ARM, voorkomt dat een lid zowel in de ARM als ook in een monumentenorganisatie actief is. De leden hebben juist hun sporen verdiend door in diverse monumentenorganisaties actief te zijn. Dit levert een verbreding en verdieping van de kennis bij de ARM op.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de enkele stelling dat sprake is van een schijn van belangenverstrengeling zonder dat daarbij wordt vermeld waarom dit leidt tot twijfels omtrent de juistheid en de deskundigheid van het gegeven advies, niet leiden tot de conclusie dat verweerder dit advies niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook het Bureau Monumenten & Archeologie, ondanks haar uiteindelijke negatieve advies aan verweerder in het kader van de aanwijzing tot gemeentelijk monument, heeft geconcludeerd dat de waarde van de kerk vooral ligt in haar cultuur-historische betekenis als brandpunt van de rooms-katholieke gemeenschap in de Baarsjes en dat hierom en vanwege de stedebouwkundige functie voor haar directe omgeving handhaving van de kerk in combinatie met een geschikte herbestemming overwogen zou kunnen worden.

Voorts acht de rechtbank van belang dat de ARM bij de advisering in het kader van een verzoek tot bescherming als rijksmonument negatief heeft geadviseerd. De eerder genoemde negatieve adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Raad voor Cultuur kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als tegenadviezen in onderhavig geding worden opgevoerd, nu het daarbij gaat om beoordeling van de rijksmonumentenstatus met een ander wettelijk kader. De bevoegdheid aan gemeenten gegeven tot aanvullende monumentenbescherming is er juist voor bedoeld om objecten die de ‘Monumentenwet-drempel’ niet halen, maar naar lokale maatstaven gemeten monumentenbescherming en -zorg behoeven, krachtens een verordening op een gemeentelijke monumentenlijst te kunnen plaatsen.

Het gegeven dat de ARM heeft geconcludeerd dat sprake is van een monument als bedoeld in artikel 1 van de Verordening, leidt er nog niet dwingend toe dat de kerk op de monumentenlijst wordt geplaatst. Eiseres heeft gesteld dat haar belangen zoals door haar naar voren gebracht ook in de bezwaarfase door verweerder niet zijn meegenomen bij een belangenafweging. Eiseres heeft - kort samengevat - aangevoerd dat aanwijzing van deze kerk tot monument de parochie in een onmogelijke positie plaatst daar zij de kerk al jaren aan de eredienst wil laten onttrekken, slopen, herontwikkelen en vervreemden waarbij zij onderbouwd heeft gesteld dat herbestemming om financiële en religieuze redenen op onoverkoombare barrières stuit.

De rechtbank stelt vast dat noch het advies van de bezwaarschriftencommissie dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, noch het bestreden besluit zelf vermeldt welke belangen verweerder bij zijn beslissing in aanmerking heeft genomen en wat het resultaat is geweest van de belangenafweging. Verweerder heeft, onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN: AU0396) gesteld dat voornoemde belangen dan wel problemen met betrekking tot de toekomst van de kerk geen rol spelen bij de plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst maar pas in het kader van een vergunningprocedure als bedoeld in artikel 7 (tot sloop of wijziging van het monument) van de Verordening een plaats kunnen krijgen in een belangenafweging.

Verweerder is gelet op de in de Verordening opgenomen discretionaire bevoegdheid gehouden aan een besluit tot plaatsing op de monumentenlijst een zorgvuldige afweging van alle (rechtstreeks) betrokken belangen vooraf te doen gaan. Dit betreffen naar het oordeel van de rechtbank de belangen van monumentenzorg enerzijds en de belangen van de eigenaar of zakelijk gerechtigde anderzijds. Noch uit de Verordening, noch uit de aard en strekking van de daarin gegeven bevoegdheid zelf, blijkt dat de belangen van eiseres zoals die door haar naar voren zijn gebracht buiten beschouwing moeten worden gelaten bij een aanwijzing tot gemeentelijk monument. Het feit dat eiseres zich wat betreft haar plannen met de kerk in een onmogelijke positie ziet gesteld en daardoor schade lijdt, zij dient immers de kerk te onderhouden en in gebruik te houden, is een belang dat bij de belangenafweging in aanmerking dient te worden genomen. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juni 2004, nr 200307424/1. Aan het voorgaande doet niet af dat bij de beoordeling van het resultaat van een belangenafweging in het kader van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel mee kan spelen dat het wijzigen of slopen van het pand nog immer mogelijk is wanneer daarvoor een vergunning wordt verstrekt op grond van artikel 7 van de Verordening.

Nu verweerder echter noch in het primaire, noch in het bestreden besluit dan wel het daarbij behorende advies is ingegaan op eiseres’ belangen en deze niet kenbaar heeft betrokken bij haar besluitvorming maar zelfs heeft gesteld dat deze belangen in het kader van de aanwijzing tot gemeentelijk monument geen rol spelen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit vanwege het ontbreken van de vereiste belangenafweging onzorgvuldig is voorbereid en niet van een deugdelijke motivering is voorzien. Het bestreden besluit moet daarom wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van Awb worden vernietigd en verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank ten aanzien van eiseres’ overige grieven nog het volgende.

Eiseres heeft betoogd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel onder verwijzing naar de voorgeschiedenis. Verweerder heeft namelijk in eerste instantie negatief beslist op het verzoek tot plaatsing van de kerk op de gemeentelijke monumentenlijst, heeft dit besluit vervolgens ingetrokken en heeft na heroverweging (buiten bezwaar) positief besloten. Nu niet is gesteld of gebleken dat het Dagelijks Bestuur van verweerder schriftelijk en uitdrukkelijk heeft verklaard dat nooit tot aanwijzing tot gemeentelijk monument zal worden overgegaan, maakt het feit dat de parochie uit eerdere gesprekken met (vertegenwoordigers) van het Dagelijks Bestuur bepaalde verwachtingen heeft ontleend, niet dat sprake is van in rechte te honoreren verwachtingen. Eiseres heeft tegen de intrekkingsbeslissing ook geen bezwaar aangetekend zodat deze onherroepelijk is geworden.

Eiseres heeft daarnaast nog betoogd dat verweerder met de aanwijzing heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir zoals verwoord in artikel 3:3 van de Awb, nu verweerder met de aanwijzing slechts invloed zou willen blijven behouden op de ontwikkelingen op de locatie van de Chassékerk. De rechtbank is van oordeel dat blijkens de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht voor verweerder, na voornoemde heroverweging buiten bezwaar, het behoud van de kerk voorop stond. Nu de aanwijzingsbevoegdheid er naar het oordeel van de rechtbank juist toe dient het monument te beschermen tegen onverhoeds slopen of anderzins wijzigen ervan, kan niet worden gesteld dat verweerder de bevoegdheden in het kader van de monumentenverordening voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die bevoegdheden zijn verleend. Het beroep op artikel 3:3 van de Awb slaagt derhalve niet.

Op grond van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard.

Voorts is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van eiseres, welke zijn begroot op € 644,00 als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient het door haar betaalde griffiegeld, te weten € 273,00 te worden vergoed.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro) te betalen door verweerders stadsdeel De Baarsjes (gemeente Amsterdam) aan eiseres;

- bepaalt dat verweerders stadsdeel De Baarsjes (gemeente Amsterdam) aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 273,00 (zegge: tweehonderdendrieenzeventig euro) vergoedt.

Gewezen door mr. A.C. Loman,

in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier,

en openbaar gemaakt op: 22 december 2005

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: C