Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AZ8051

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
287759/H 04.366804.1231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening op grond van huwelijkse voorwaarden na echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

287759 / H 04.1231

15 juni 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

EERSTE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n :

[eiseres]

wonende te Amstelveen

e i s e r e s

procureur mr. G. Beek-Bokkinga

t e g e n :

[gedaagde]

wonende te Duivendrecht

g e d a a g d e

procureur mr. M.A. Weenink.

Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken:

- dagvaar-ding van 26 maart 2004,

- akte houdende uitlating getuigen,

- conclusie van antwoord in conventie en van eis in (voorwaardelijke) reconventie, met producties,

- ambtshalve gewezen tussenvonnis van 21 juli 2004, waarbij een comparitie van partijen is bepaald, die op 9 november 2004 heeft plaatsgevonden,

- proces-verbaal van comparitie van partijen en de daarin genoemde processtukken,

- akte van [gedaagde], met producties,

- akte wijziging van eis in conventie, alsmede antwoordakte van [eiseres], met producties,

- antwoordakte van [gedaagde], met producties,

- akte van [eiseres].

De rechter voor wie de comparitie van partijen is gehouden, is thans niet meer in de handelsunit van de civiele sector werkzaam, zodat hij dit vonnis niet kan wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit geding staat het volgende vast:

a. Partijen zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amstelveen op 23 mei 2001.

b. Partijen waren op huwelijkse voorwaarden gehuwd, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap, met een periodiek verrekenbeding.

c. Partijen hebben ter comparitie als peildatum waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen moet worden vastgesteld afgesproken 28 april 2000, de datum van het feitelijke uiteengaan.

Verder hebben zij het volgende afgesproken:

- Partijen zien over en weer af van aanspraken uit hoofde van de persoonlijke begrafenisverzekering. Voor [gedaagde] betreft dat de polis bij AMEV onder nummer 010115398 en voor [eiseres] de polis bij AMEV onder nummer 010211407.

- Partijen zullen gezamenlijk een taxateur benoemen die de waarde van de woning aan [adres] tussen partijen bindend zal vaststellen per 28 april 2000. Partijen dragen ieder bij helfte de kosten van de taxateur.

- [gedaagde] zal bij de verschillende verzekeraars de contante waarde opvragen van de aldaar lopende polissen voor zover die tussen partijen in geschil zijn.

2. [eiseres] vordert, na wijziging van haar eis, [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling aan haar van de helft van het te verrekenen vermogen, met wettelijke rente vanaf 26 maart 2004, en tot betaling van de helft van de overwaarde van de woning aan [adres], althans van € 48.195,66.

Zij stelt daartoe dat partijen op grond van artikel 1:141 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot verrekening dienen over te gaan van de overwaarde van voornoemde woning en van de waarde van de hierna te noemen vermogensbestanddelen.

3. [gedaagde] voert daar (naar de rechtbank begrijpt) thans nog tegen aan dat terzake van de onroerende zaak geen verrekening dient plaats te vinden, aangezien de voor deze woning aangegane hypothecaire lening niet is afgelost tijdens het verrekeningstijdvak, zijnde de periode tussen de huwelijksdatum en 28 april 2000.

Voorts betwist hij wettelijke rente verschuldigd te zijn en verzet hij zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis.

In voorwaardelijke reconventie heeft hij aanvankelijk verrekening gevorderd van de waarde van een tweetal polissen ten name van [eiseres], maar deze vordering wordt thans als ingetrokken beschouwd.

4. Op grond van de ter comparitie gemaakte afspraken en het over en weer gestelde wordt de vordering van [eiseres] als volgt beoordeeld. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat [gedaagde] zijn beroep op het in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen beding, dat het recht op verrekening vervalt zodra de samenleving van de echtgenoten is beëindigd, na de comparitie niet langer handhaaft, aangezien partijen ter zitting zonder voorbehoud de hiervoor onder 1.c. genoemde afspraken hebben gemaakt met betrekking tot het te verrekenen vermogen. Overigens wordt het beroep van [gedaagde] op dat beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht, nu onvoldoende is gebleken van omstandigheden die dat beroep rechtvaardigen.

De woning aan [adres]

Uitgegaan wordt van de in het taxatierapport van taxateur M.C. in ’t Veld genoemde waarde van € 400.000,-. Er zijn geen termen om daarvan af te wijken.

Voorts wordt het te verrekenen bedrag vastgesteld op het door [eiseres] subsidiair gevorderde bedrag van € 48.195,66. Haar primaire vordering is immers gemotiveerd weersproken door [gedaagde], waar zij onvoldoende tegenover heeft gesteld. Anderzijds heeft [gedaagde] haar subsidiaire berekeningswijze niet betwist, zodat het daarop gebaseerde bedrag van € 48.195,66 toewijsbaar is.

De polis Interpolis Cumulent Totaalplan nummer 40029953

De waarde bedroeg op de afgesproken peildatum € 3.721,53. Het aan [eiseres] toekomende bedrag is in beginsel de helft daarvan, derhalve € 1.860,77.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat aan de polissen een fiscale latentie kleeft, inhoudende dat hij daarover bij uitkering inkomstenbelasting dient te betalen, zodat hij gegeven de hoogte van zijn inkomen slechts ongeveer 50% van de uit te keren bedragen overhoudt. Volgens hem dient dan ook slechts 50% van de waarde van de polissen te worden verrekend.

[eiseres] heeft daar tegenover gesteld dat [gedaagde], voor zover sprake is van fiscale latentie, dan ook bij de inleg het belastingvoordeel heeft genoten.

[eiseres] wordt hierin gevolgd, zodat het billijk is om bij de verrekening van de waarde van de polissen uit te gaan van de gehele waarde.

[eiseres] heeft dus terzake van de polis Interpolis Cumulent Totaalplan aanspraak op betaling door [gedaagde] van € 1.860,77.

De Interpolis Spaaroptimaal hypotheek levensverzekering polisnummer 00009916631

De te verrekenen waarde bedraagt € 32.805,34. [eiseres] heeft aanspraak op de helft, zijnde € 16.402,67.

De koopsompolis AMEV

De waarde per peildatum bedraagt € 29.254,-. Ook hier heeft [eiseres] aanspraak op de helft, zijnde € 14.627,-.

de Robein koopsompolis met nummer 913220

[eiseres] heeft aanspraak op de helft van de waarde van € 15.329,-. Dit is € 7.664,50.

de Robein gerichte lijfrente met polisnummer 920581

Hier geldt hetzelfde, terwijl de waarde € 7.707,- is. Dit levert € 3.853,50 voor [eiseres] op.

de Olma koopsompolis

De waarde van deze polis, die heeft geleid tot een uitkering op 15 mei 2004 van € 8.735,-, is op de peildatum niet bekend. De rechtbank begroot deze waarde op € 7.500,-. De helft hiervan is € 3.750,-, welk bedrag aan [eiseres] toekomt.

De Centraal Beheer beleggingsgroeipolis (Saffirfonds)

De waarde per peildatum bedraagt € 8.099,93. [eiseres] heeft aanspraak op de helft hiervan, zijnde € 4.049,97.

de Centraal Beheer koersgarant koopsom

Hier gaat het om de helft van € 13.792,71, hetgeen voor [eiseres] € 6.896,36 oplevert.

de Centraal Beheer Beleggingsgroeipolis nummer 5118929 (Topaas)

[eiseres] heeft aanspraak op de helft van € 6.075,56. Dat is € 3.037,78.

het Postbank Beleggingsfonds

De waarde per peildatum bedroeg ongeveer € 3.730,-, waarvan de helft, € 1.865,-, aan [eiseres] moet worden betaald.

5. Al het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] aan [eiseres] totaal € 112.203,21 verschuldigd is. De vordering van [eiseres] zal tot dit bedrag worden toegewezen. Hierover is, zoals [gedaagde] terecht aanvoert en door [eiseres] in haar laatste akte niet langer is weersproken, thans nog geen wettelijke rente verschuldigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende grond om de voor [eiseres] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet toe te wijzen. [gedaagde] heeft in dit verband zijn financiële situatie tegenover die van [eiseres] onvoldoende inzichtelijk gemaakt.

De proceskosten zullen tussen partijen als voormalige echtelieden worden verrekend.

BESLISSING

De rechtbank:

- veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag te betalen van € 112.203,21;

- verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- verrekent de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Gewezen door mr. M. van Hees, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.