Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AV1512

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
10-02-2006
Zaaknummer
287839
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Vermogensbeheer. Gelden met een pensioenbestemming. Zorgplicht vermogensbeheerder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 226
JE 2006, 118
JOR 2006/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

287839 / H 04.1238

21 december 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

DERDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MULDER-DRIESSEN PENSIOEN B.V.,

gevestigd te Epe,

e i s e r e s

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WIJS & VAN OOSTVEEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

g e d a a g d e

procureur mr. A.H. Beekhuizen.

Partijen worden hierna Mulder-Driessen en Wijs & van Oostveen ge-noemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- vonnis van deze rechtbank van 13 oktober 2004, met de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen

- conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- conclusie van repliek, met bewijsstukken,

- conclusie van dupliek, met bewijsstukken,

- akte uitlating producties,

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het volgende vast.

a. Mulder-Driessen is bij akte van 25 juni 2005 opgericht door A en B en heeft blijkens haar statuten onder meer tot doel de verzorging van werknemers en oud werknemers van Mulder Mode B.V. door middel van pensioen. Wijs & van Oostveen is een effecteninstelling die zich onder andere bezighoudt met vermogensbeheer.

b. Een brief van C van Wijs & van Oostveen aan A. van 3 mei 1999 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Zoals besproken tijdens ons onderhoud op 20 april jl zet ik nog even een aantal zaken voor u op een rij.

Er komt op 8 juni 1999 een bedrag van ca. f 650.000,-- vrij uit een polis hetgeen u in een vennootschap onder gaat brengen. Het is uw bedoeling om voornoemd bedrag door Wijs & van Oostveen te laten beheren en maandelijks ca. f 5.000,-- te onttrekken aan deze effectenrekening.

Zolang het beleggingsresultaat jaarlijks ca. 10% bedraagt blijft de hoofdsom intact. Wel dient u rekening te houden met een constante waardeverandering van de effectenportefeuille.”

c. Mulder-Driessen en Wijs & van Oostveen hebben op 30 juli 1999 een vermogensbeheerovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). Deze houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Ondergetekenden:

1. Mulder Driessen Pensioen B.V. [...] ,hierna te noemen “Cliënt”

2. Wijs & van Oostveen B.V. [...]

In aanmerking nemende:

dat Cliënt zijn vermogen of een deel daarvan, wenst te doen beleggen teneinde zo mogelijk vermogensgroei en / of inkomsten te behalen;

[...]

Komen overeen als volgt:

[...]

1.1 Cliënt geeft hiermede opdracht aan Wijs & van Oostveen, en verleent Wijs & van Oostveen last en volmacht om namens Cliënt en voor diens rekening en risico de volgende handelingen te verrichten en/of aan hem de volgende diensten te verlenen:

advies, beheer en administratie, waaronder begrepen belegging, van en met betrekking tot de in het aanhangsel gespecificeerde vermogensbestanddelen van Cliënt (Bijlage I); bij de uitvoering van welke taak Wijs & van Oostveen geheel vrij is in het beleggingsbeleid, met bepaling evenwel dat de hierbedoelde belegging, beheer en administratie uitsluitend betrekking kunnen hebben op de hierbedoelde vermogensbestanddelen, en geen andere beleggingstransacties verricht mogen worden dan dewelke zijn omschreven op het hier aangehecht aanhangsel (Bijlage II). Het beleggingsresultaat zal zijn gericht op een zo goed mogelijk resultaat als bedoeld in Bijlage III.

1.2 Cliënt zal Wijs & van Oostveen bij ondertekening van deze overeenkomst een schriftelijk opgave verstrekken waarin de doelstellingen van Cliënt ter zake van het vermogensbeheer zijn omschreven. Deze opgave wordt aan deze overeenkomst gehecht (Bijlage III).

[...]

5.1 Wijs & van Oostveen zal gelden en / of effecten behorend tot het vermogen van Cliënt niet in ontvangst of onder zich nemen. Partijen maken daartoe gebruik van de diensten van Effectenbank Stroeve NV (“de Bank”) [...]

5.2 [...] De afwikkeling van de in het kader van de onderhavige overeenkomst namens Cliënt verrichte transacties zal plaatshebben via de bedoelde geld- en effectenrekening bij de Bank.

[...]

8.1 Cliënt is verplicht alle door Wijs & van Oostveen of de bank aan hem gezonden bevestigingen, dagafschriften nota’s of andere opgaven terstond na ontvangst te controleren. [...] Bij constatering van een onjuistheid of onvolledigheid, of van de uitvoering van een transactie die naar de mening van Cliënt niet past binnen zijn beleggingsdoelstellingen of waartegen hij anderszins bezwaren heeft, is Cliënt gehouden Wijs & van Oostveen daarvan zo spoedig mogelijk in kennis te stellen.

8.2 Indien Cliënt de inhoud van [...] opgaven in bovenbedoelde zin niet heeft betwist respectievelijk zijn bezwaren tegen een transactie niet aan Wijs & van Oostveen heeft medegedeeld binnen vijf werkdagen nadat die stukken redelijkerwijs geacht kunnen worden Cliënt te hebben bereikt, wordt vermoed dat Cliënt met de verrichte transactie en het beleggingsbeleid instemt, behoudens door Cliënt te leveren tegenbewijs. [...]

9.1 Cliënt is als tegenprestatie voor de door Wijs & van Oostveen geleverde en te leveren diensten een percentage van het in beheer gegeven vermogen verschuldigd, afhankelijk van de omvang van de beheerde portefeuille. De vergoeding zal worden berekend per kalenderkwartaal of deel hiervan. [...]

Waarde Vergoeding

tot EURO 250.000,-- 0,25%

tot EURO 500.000,-- 0,20%

[...]

Deze vergoedingen zullen worden vermeerderd met de geldende omzetbelasting.

[...]

Het in dit artikel bepaalde laat onverlet dat de Bank aan Cliënt eveneens provisies en kosten in rekening brengt voor door haar verleende diensten.

[...]

13.1 Het is Cliënt bekend dat aan de handel in opties [...] en andere effecten en aan beleggingen in het algemeen risico’s kleven. Hij aanvaardt die risico’s ook [...]

[...]

16.1 [...] Wijs & van Oostveen zal niet aansprakelijk zijn voor eventueel negatief rendement, waardevermindering en / of door Cliënt geleden verliezen, behalve indien en voor zover komt vast te staan dat deze rechtstreeks gevolg zijn van opzet of grove nalatigheid van Wijs & van Oostveen bij de uitvoering van deze overeenkomst.

d. Bijlage III bij de overeenkomst houdt – voor zover hier van belang - het volgend in:

Bij het beleggingsbeleid geldt de volgende doelstelling:

O gericht op het realiseren van optimale vermogensgroei, en niet zozeer op het genereren van inkomen.

O gericht op het realiseren van vermogensgroei alsmede het genereren van inkomen.

O gericht op het genereren van inkomen en niet zozeer op het realiseren van vermogensgroei.

[...]

e. Ingevolge een tussen Wijs & van Oostveen, Mulder-Driessen en Effectenbank Stroeve N.V. (hierna: de bank) op 30 juli 1999 gesloten tripartiete overeenkomst is onder nummer 828233 ten name van Mulder-Driessen een geld- en effectenrekening geopend (hierna: de effectenrekening). Op de effectenrekening is door Mulder-Driessen op 3 september 1999 een bedrag van € 272.268,13 gestort. Dit bedrag is door Wijs & van Oostveen belegd.

f. Tussen 3 september 1999 en 28 maart 2003 is - in maandelijkse betalingen aan A. - in totaal een bedrag van € 70.335,91 aan de effectenrekening onttrokken.

g. De overeenkomst is per 12 maart 2003 beëindigd. De op de effectenrekening aangehouden effecten met een waarde van € 43.006,00 zijn op 1 april 2003 overgeboekt naar een andere rekening.

2. De vordering

2.1 Mulder-Driessen vordert Wijs & van Oostveen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen aan haar te betalen:

primair: € 242.228,88 aan hoofdsom, althans een in redelijkheid te bepalen bedrag, alsmede € 10.893,99, althans € 9.154,61, althans € 3.984,12, althans € 3.348,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

subsidiair: € 220.552,00, althans een in redelijkheid te bepalen bedrag aan hoofdsom, alsmede € 10.120,12, althans € 8.504,30, althans € 3.984,12, althans € 3.348,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

meer subsidiair: € 196.704,75, althans een in redelijkheid te bepalen bedrag aan hoofdsom, alsmede € 9.268,77, althans € 7.788,88, althans € 3.984,12, althans € 3.348,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

nog meer subsidiair: € 42.602,37 althans een in redelijkheid te bepalen bedrag aan hoofdsom, alsmede € 3,374,91, althans € 2.836,06, althans € 1.834,98, althans € 1.542,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 3 september 2000, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de voldoening en voorts Wijs & van Oostveen te veroordelen aan haar te betalen € 587,86 aan kosten ter vaststelling van de schade, alles met veroordeling van Wijs & van Oostveen in de kosten van het geding.

2.2 Mulder-Driessen legt aan haar eis - kort gezegd - ten grondslag dat Wijs & van Oostveen toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Wijs & van Oostveen heeft ondanks dat zij wist of had moeten weten dat het voor Mulder-Driessen belegde geld een pensioenbestemming had en derhalve ter zake een defensief beleggingsprofiel gold, een zeer actief beleggingbeleid gevoerd waarbij grotendeels werd belegd in aandelen en opties. Aldus heeft zij niet gehandeld overeenkomstig hetgeen van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam vermogensbeheerder mag worden verwacht.

2.3 Mulder-Driessen verwijt Wijs & van Oostveen in dat kader meer specifiek dat zij:

- a een onjuist en/of onvolledig cliëntenprofiel heeft opgesteld;

- b in strijd met het risicoprofiel van Mulder-Driessen een beleggingsbeleid heeft gehanteerd waarbij werd belegd in aandelen en opties;

- c niet tijdig heeft ingegrepen en het beleggingsbeleid heeft aangepast toen duidelijk werd dat het beursklimaat steeds verder verzwakte;

- d Mulder-Driessen onvoldoende heeft voorgelicht over de aan het gekozen beleggingsbeleid verbonden risico’s;

- e zich schuldig heeft gemaakt aan ‘provisiejagen’ door onnodig veel transacties in de portefeuille van Mulder-Driessen te (doen) verrichten.

2.4 Mulder-Driessen stelt als gevolg van het door Wijs & van Oostveen gevoerde beleggingsbeleid schade te hebben geleden die zij begroot op het verschil tussen de door Wijs & van Oostveen gerealiseerde waarde van de belegging per 28 maart 2003, te weten € 43.006,-- en het fictief te behalen resultaat bij een juist en passend beleggingsbeleid, te weten:

primair: het resultaat bij een 100% belegging in obligaties overeenkomstig de CBS-obligatie-index, zijnde € 285.234,88;

subsidiair: het resultaat bij een op pensioengelden minimaal te behalen rendement gelijk aan de actuariële rente van 4%, zijnde € 263.558,00;

meer subsidiair: het resultaat bij een 80% belegging in obligaties overeenkomstig de CBS-obligatie-index en 20% belegging in aandelen overeenkomstig de AEX-index, zijnde € 239.710,75.

Nog meer subsidiair vordert Mulder-Driessen vergoeding van door haar als gevolg van ‘provisiejagen’ door Wijs & van Oostveen ten onrechte betaalde provisie, administratiekosten, managementfees en debetrente, in totaal € 42.602,37.

2.5 Mulder-Driessen vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke kosten telkens inclusief dan wel exclusief BTW begroot op basis van het incassotarief van de Nederlandse Orde van advocaten, althans op basis van het rapport Voorwerk II.

2.6 Mulder-Driessen heeft door Vacned B.V. een schaderapport laten opstellen en vordert vergoeding van de daarmee gemoeide kosten ad € 587,86. Ten slotte maakt Mulder-Driessen aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente vanaf de dag dat het vermogensbeheer door Wijs & van Oostveen is aangevangen.

3. Het verweer

3.1 Wijs & van Oostveen bestrijdt de vordering. Haar verweer wordt hierna bij de beoordeling besproken.

4. Beoordeling

4.1 Partijen hebben een vermogensbeheerovereenkomst gesloten op basis waarvan Wijs & van Oostveen zelfstandig en naar eigen inzicht het vermogen van Mulder-Driessen zou beleggen. Bij de uitvoering van die overeenkomst dient Wijs & van Oostveen te handelen overeenkomstig hetgeen een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam vermogensbeheerder betaamt. Dit brengt mee dat Wijs & van Oostveen bij Mulder-Driessen voldoende informatie moet inwinnen om zich ervan te vergewissen dat het door haar ten behoeve van Mulder-Driessen te voeren vermogensbeheer aansluit bij zowel de bestemming van het te beleggen vermogen als het doel dat Mulder-Driessen met de voorgenomen belegging voor ogen staat.

4.2 Niet is in geschil dat het vermogen van Mulder-Driessen een pensioenbestemming had. Zoals Mulder-Driessen heeft gesteld en ook blijkt uit de brief van 3 mei 1999, was Wijs & van Oostveen daarmee bekend. Wijs & van Oostveen schrijft immers dat het te beleggen vermogen vrijkomt uit een polis van de heer A en dat het gebruikt zal gaan worden om, door middel van maandelijkse onttrekkingen, te voorzien in (een aanvulling op) het inkomen van de heer A, die, naar Mulder-Driessen onbetwist hebben gesteld, inmiddels de leeftijd van 65 jaar had bereikt. De naam en statutaire doelstelling van Mulder-Driessen pensioen B.V. laten dienaangaande ook geen onduidelijkheid bestaan.

4.3 Uit de onbetwist gebleven inhoud van de door Mulder-Driessen overgelegde historische koersoverzichten van de effectenrekening, blijkt dat Wijs & van Oostveen het vermogen van Mulder-Driessen bijna in het geheel in aandelen en geschreven put-opties heeft belegd.

4.4 De rechtbank stelt voorop dat pensioengelden in zijn algemeenheid voorzichtig moeten worden belegd en dat risicovolle beleggingsvormen - zoals het schrijven van opties - daarbij niet passen. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat pensioengelden tenminste voor 50% vastrentend moeten worden belegd, teneinde te waarborgen dat ook in de toekomst aan de pensioenverplichtingen kan worden voldaan.

4.5 Weliswaar zijn omstandigheden denkbaar die maken dat een groter aandeel van het vermogen vastrentend moet worden belegd, zoals Mulder-Driessen bij de begroting van door haar geleden schade steeds als uitgangspunt heeft genomen, doch daarvan is niet gebleken. Mulder-Driessen heeft, anders dan te wijzen op de pensioenbestemming van het belegde vermogen, geen specifieke feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat in het onderhavige geval een meer risicomijdend beleggingsbeleid had moeten worden aangehouden. Ook de stelling dat op belegde pensioengelden minimaal een rendement gelijk aan de actuariële rente moet worden behaald, kan Mulder-Driessen niet baten. Gesteld noch gebleken is dat partijen een dergelijke rendementsgarantie zijn overeengekomen.

4.6 Wijs & van Oostveen heeft op haar beurt aangevoerd dat Mulder-Driessen bij monde van de heer A welbewust heeft gekozen voor een beleggingsdoelstelling waarbij beleggingsbeleid met een hoger risico past. Zij wijst daartoe op bijlage III bij de overeenkomst waarop, naar zij stelt en Mulder-Driessen betwist, door de heer A. is aangekruist dat de beleggingsdoelstelling is gericht “op het realiseren van vermogensgroei alsmede het genereren van inkomen”.

4.7 Naar het oordeel van de rechtbank kan dit verweer Wijs & van Oostveen echter niet baten. Als gezegd dient een vermogensbeheerder zich ervan te vergewissen dat het door haar gevoerde beleid aansluit bij de bestemming van het belegd vermogen. Daarbij rust op de vermogensbeheerder jegens de belegger, met name bij het zelfstandig beheer van pensioengelden, zoals hier het geval, een bijzondere zorgplicht. Die zorgplicht brengt in ieder geval mee dat Wijs & van Oostveen niet op grond van de enkele omstandigheid dat Mulder-Driessen op bijlage III bij de overeenkomst als beleggingsdoelstelling ‘inkomen en vermogensgroei’ zou hebben aangekruist, zo al juist, van een in het algemeen bij pensioengelden minimaal passend beleggingsbeleid mocht afwijken. Zij had zich er tenminste van moeten vergewissen dat Mulder-Driessen zich van de aan het afwijkend beleggingsbeleid verbonden (extra) risico’s bewust was en dat zij desalniettemin daarmee instemde. Gesteld noch gebleken is dat Wijs & van Oostveen dat heeft gedaan.

4.8 De rechtbank is dan ook van oordeel dat Wijs & van Oostveen in het onderhavige geval ten hoogste 50% van het vermogen van Mulder-Driessen in aandelen had mogen beleggen en dat zij het vermogen van Mulder-Driessen voor het overige vastrentend had moeten beleggen. Nu zij dat niet heeft gedaan heeft zij een beleggingsbeleid gevoerd dat niet paste bij de haar bekende beleggingsdoelstelling van Mulder-Driessen en is Wijs & van Oostveen aldus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de met Mulder-Driessen gesloten overeenkomst.

4.9 Wijs & van Oostveen komt, anders dan zij betoogt, geen beroep toe op het bepaalde in artikel 16 van de overeenkomst. De door Mulder-Driessen gestelde schade is het gevolg van het toerekenbaar niet nakomen van de op Wijs & van Oostveen rustende bijzondere zorgplicht en moet als zodanig als het gevolg van grove nalatigheid in de zin van artikel 16 worden aangemerkt.

4.10 Ook het beroep op het bepaalde in artikel 8.1 en 8.2 van de overeenkomst kan Wijs & van Oostveen niet baten. De omstandigheid dat Mulder-Driessen niet tussentijds tegen het gevoerde beleid heeft geprotesteerd ontslaat Wijs & van Oostveen immers nog niet van de steeds op haar als ter zake deskundige rustende verplichting te zorgen dat zij een bij de pensioenbestemming van het belegde vermogen passend beleggingsbeleid voert. De omstandigheid dat het beleggingsbeleid ook tussentijds niet in overeenstemming is gebracht met de beleggingsdoelstelling van Mulder-Driessen dient derhalve eveneens voor rekening van Wijs & van Oostveen te blijven.

4.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Wijs & van Oostveen gehouden is de door Mulder-Driessen als gevolg van het door Wijs & van Oostveen ten onrechte gevoerde beleggingsbeleid geleden schade te vergoeden. Wijs & van Oostveen heeft dienaangaande aangevoerd dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van Mulder-Driessen. Zij wijst er op dat Mulder-Driessen - kort gezegd - heeft gekozen te beleggen en aldus de daaraan verbonden risico’s heeft aanvaard, in bijlage III bij de overeenkomst een meer risicovolle beleggingsdoelstelling heeft aangegeven en voorts heeft verzuimd tijdig te melden dat het door Wijs & van Oostveen gevoerde beleggingsbeleid niet passend zou zijn.

4.12 De rechtbank is van oordeel dat de door Wijs & van Oostveen genoemde omstandigheden, ook indien juist, er niet toe kunnen leiden dat Mulder-Driessen geheel of ten dele haar eigen schade zal moeten dragen. Zoals hiervoor overwogen rust op Wijs & van Oostveen jegens Mulder-Driessen ter zake het zelfstandig beheer van pensioengelden een bijzondere zorgplicht op basis waarvan zij gehouden is een bij de pensioenbestemming van het belegde vermogen passend beleggingsbeleid te voeren. Daaraan heeft zij toerekenbaar niet voldaan. Die fout is naar het oordeel van de rechtbank zodanig ernstig dat, gesteld tegenover de geringe ernst van de eventueel aan Mulder-Driessen toe te rekenen omstandigheden die aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen, de billijkheid eist dat een eventuele vergoedingsplicht aan de zijde van Mulder-Driessen geheel moet komen te vervallen. Wijs & van Oostveen zal derhalve de door Mulder-Driessen geleden schade moeten vergoeden.

4.13 De omvang van de als gevolg van het ten onrechte gevoerde beleggingsbeleid geleden schade moet vervolgens worden vastgesteld door de bestaande stand van zaken te vergelijken met de situatie waarin Mulder-Driessen zich zonder de wanprestatie van Wijs & van Oostveen zou bevinden. De door Mulder-Driessen geleden schade bedraagt dan het verschil tussen het op het belegde vermogen behaalde resultaat en het fictief te behalen resultaat bij een juist en passend beleggingsbeleid over de periode van 3 september 1999 tot 12 maart 2003, telkens minus de onttrekkingen en de in rekening gebrachte kosten.

4.14 Zoals hiervoor onder 4.8 is overwogen moet voor de bepaling van het fictief resultaat worden uitgegaan van een passend beleggingsbeleid waarbij 50% in aandelen en 50% vastrentend wordt belegd. Mulder-Driessen heeft betoogd dat voor de vaststelling van het fictief resultaat bij een passend beleggingsbeleid aansluiting moet worden gezocht bij - voor de belegging in aandelen - de AEX-index en een belegging in obligaties overeenkomstig de CBS-obligatie-index.

4.15 Wijs & van Oostveen heeft hiertegenover verzuimd aan te geven op welke grondslag zij meent dat een fictief resultaat bij een passend beleggingsbeleid zou moeten worden vastgesteld, maar heeft slechts gesteld dat zij op grond van de overeenkomst niet gehouden was in obligaties te beleggen en dat ook een belegging in obligaties een zeker risico met zich brengt.

4.16 De rechtbank stelt vast dat, hoe dit ook zij, Wijs & van Oostveen aldus de juistheid van de AEX-index en de CBS-Obligatie-index als berekeningsgrondslag voor de omvang van de geleden schade niet inhoudelijk heeft betwist, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat.

4.17 Mulder-Driessen heeft in maandelijkse onttrekkingen tussen 3 september 1999 en 12 maart 2003 in totaal een bedrag van € 70.335,91 aan de beleggingsrekening onttrokken. Bij de berekening van de omvang van de schade zal derhalve steeds rekening moeten worden gehouden met de invloed van de maandelijkse onttrekkingen op de samenstelling van de portefeuille en het daarmee te behalen fictief resultaat.

4.18 Tussen partijen is niet in geschil dat Wijs & van Oostveen tussen 3 september 1999 en 12 maart 2003 uit hoofde van de overeenkomst in totaal een bedrag van € 42,602,37 bij Mulder-Driessen in rekening heeft gebracht, waarvan € 29.120,51 aan provisie, € 372,88 aan administratiekosten, € 6,02,43 aan managementfee en € 7.082,55 aan debetrente.

4.19 Mulder-Driessen heeft betoogd dat nu het totaal bedrag aan in rekening gebrachte kosten aldus jaarlijks 5.94% van het gemiddeld beheerd vermogen bedraagt, reeds daaruit volgt dat Wijs & van Oostveen met het kennelijk oogmerk zich te bevoordelen opzettelijk onnodig veel transacties in de portefeuille heeft verricht. Wijs & van Oostveen heeft een en ander gemotiveerd betwist.

4.20 De rechtbank stelt vast dat het door Mulder-Driessen gemaakte verwijt kennelijk slechts betrekking heeft op de voor verrichte transacties in rekening gebrachte provisie. Gesteld noch gebleken is immers dat de tussen partijen uitdrukkelijk overeengekomen managementfee en administratiekosten op zichzelf genomen of in verhouding tot het geheel der kosten, onredelijk hoog zouden zijn, of dat de debetstanden op de beleggingsrekening met het oogmerk van bevoordeling van Wijs & van Oostveen zijn totstandgekomen. Derhalve moet, anders dan Mulder-Driessen betoogt, worden uitgegaan van een totale provisie van € 29.120,51 hetgeen, overeenkomstig de door Mulder-Driessen gehanteerde berekeningswijze, neerkomt op 4.1 % per jaar.

4.21 De rechtbank acht dit percentage niet zodanig hoog dat reeds daaruit volgt dat de verrichte transacties kennelijk slechts strekken ter bevoordeling van Wijs & van Oostveen. Mulder-Driessen heeft haar stelling ter zake ook niet concreet onderbouwd zodat, mede gelet op de omstandigheid dat ingevolge de hiervoor onder 1.e genoemde overeenkomst van 30 juli 1999 de provisie over verrichte transacties aan de Effectenbank Stroeve N.V. en niet aan Wijs & van Oostveen, verschuldigd was, onvoldoende is gebleken dat Wijs & van Oostveen zich aan ‘provisiejagen’ schuldig zou hebben gemaakt.

4.22 Ten aanzien van de in rekening gebrachte kosten heeft Mulder-Driessen voorts betoogd dat deze bij een passend, dat wil zeggen minder offensief, beleggingbeleid lager zouden zijn geweest, aangezien alsdan minder transacties hadden hoeven worden uitgevoerd. Wijs & van Oostveen heeft het aldus gestelde in zoverre bestreden dat zij betoogt dat Mulder-Driessen ten onrechte vergoeding van alle kosten vordert aangezien ten behoeve van het vermogensbeheer hoe dan ook kosten hadden moeten worden gemaakt.

4.23 De rechtbank is van oordeel dat weliswaar juist is dat hoe dan ook kosten zouden zijn gemaakt, doch dat dit niet wegneemt dat kosten die uitsluitend het gevolg zijn van het ten onrechte door Wijs & van Oostveen gehanteerde beleggingsbeleid en die derhalve bij uitvoering van een beleggingsbeleid op basis van 50% aandelen en 50% obligaties niet zouden zijn gemaakt, in beginsel als schade voor vergoeding in aanmerking komen. Nu Mulder-Driessen bij de begroting van de omvang van de redelijkerwijs te maken kosten kennelijk is uitgegaan van een door haar voorgestaan beleggingsbeleid als genoemd onder r.o. 2.4, zal zij de aldus geleden schade, uitgaande van een beleggingbeleid waarbij 50% in obligaties en 50% in aandelen wordt belegd nader moeten toelichten.

4.24 Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente geldt dat deze is verschuldigd vanaf het moment dat Wijs & van Oostveen ter zake de vergoeding van de door Mulder-Driessen geleden schade in verzuim is. Wijs & van Oostveen heeft dienaangaande gesteld dat dit eerst per 1 april 2003 het geval is. Dit laatste heeft Mulder-Driessen niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

4.25 De rechtbank is, anders dan Wijs & van Oostveen, van oordeel dat de kosten van het door Vacned B.V. opgestelde schaderapport als redelijke kosten ter vaststelling van de geleden schade voor vergoeding in aanmerking komen.

4.26 Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schik-kingsvoor-stel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Mulder-Driessen stelt dat kosten zijn gemaakt, maar laat na een omschrijving van de verrichtingen te geven. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat vóór de aanvang van het geding geen andere of meer kosten zijn gemaakt dan die welke ter voorbereiding van een geding in het algemeen rede-lijk en noodzakelijk zijn. Voor dergelijke kosten pleegt het bepaalde in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burger-lijke Rechtsvordering al een vergoeding in te sluiten. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van buitengerech-telijke kosten daarom afwijzen.

4.27 Het voorgaand leidt tot de slotsom dat de vordering in beginsel toewijsbaar is. Op basis van de door partijen over en weer in het geding gebrachte stukken kan de omvang van de door Mulder-Driessen geleden schade echter thans nog niet worden vastgesteld. De rechtbank zal Mulder-Driessen derhalve, overeenkomstig haar daartoe strekkend aanbod, in de gelegenheid stellen om, met inachtneming van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten de omvang van haar schade bij akte nader toe te lichten. Wijs & van Oostveen zal daarop bij antwoordakte kunnen reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank:

- verwijst de zaak naar de rol van de tweede enkelvoudige kamer van 11 januari 2006 voor akte overeenkomstig rechtsoverweging 4.27 aan de zijde van Mulder-Driessen, daarna antwoordakte aan de zijde van Wijs & van Oostveen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Gewezen door mr. A.W.H. Vink, lid van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openbare terecht-zitting van 21 december 2005 in tegen-woordig-heid van de griffier.