Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AU7245

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
01-12-2005
Zaaknummer
13/525016-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de vroege ochtend van 16 januari 2005, nadat de iets verderop gelegen discotheek The Ministry is gesloten, staat verdachte samen met zijn goede vriend bij de ingang van de parkeergarage. De vriend van verdachte krijgt ruzie met het latere slachtoffer die op dat moment een groot wapen bij zich heeft. In de parkeergarage vinden wat schermutselingen plaats. Verdachte gaat zich ermee bemoeien en krijgt op een gegeven moment het wapen in handen. Vervolgens schiet hij met dat wapen het slachtoffer dood.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/525016-05

Datum uitspraak: 1 december 2005

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, negende meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “Almere Binnen” te Almere.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 november 2005.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

op 16 januari 2005 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels van korte afstand en gericht afgevuurd op en in de richting van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

op 16 januari 2005 te Amsterdam een wapen van categorie II, te weten een machinepistool, Intratec-automatic-9mm, en munitie van categorie III, te weten 4 patronen, merk Pretoria, metal pressings, 9mm parabellum, voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs, de strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Opmerkingen vooraf

De rechtbank stelt voorop dat op grond van de verklaringen van verdachte, in samenhang met het rapport van de patholoog anatoom G. van Ingen van 31 januari 2005 en het technisch onderzoeksrapport van T. Dijkman van 23 maart 2005, als vaststaand kan worden aangenomen dat op 16 januari 2005 in de parkeergarage in de Reguliersdwarsstraat

[slachtoffer] is gedood door een kogel uit het machinepistool (Intratec-automatic-9mm) dat op 26 januari 2005 in het water van de Singel te Amsterdam is gevonden. Voorts staat vast dat het verdachte was die die kogel heeft afgevuurd.

Reconstructie van de gebeurtenissen

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting -waaronder in het bijzonder de (prints van) opnamen van de beveiligingscamera’s en de eigen waarneming van de rechtbank tijdens de schouw op het plaats delict- gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Waar in het hierna volgende tijdstippen worden vermeld, zijn dat tijdstippen die worden aangegeven op de prints van de camerabeelden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de tijdregistratie van de beide beveiligingscamera’s ongeveer 20 minuten achterloopt ten opzichte van de werkelijke tijd.

In de vroege ochtend van 16 januari 2005, nadat de iets verderop gelegen discotheek The Ministry is gesloten, staat verdachte samen met zijn goede vriend [vriend verdachte] bij de ingang van de parkeergarage. Verdachte praat met de bestuurster van een Renault Mégane die in de uitgang van de garage staat. Achter de Renault sluit een Peugeot aan, waarin [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] als bestuurder zit met [slachtoffer] naast zich op de passagiersstoel. Even later sluit achter de Peugeot een Audi aan, die bestuurd wordt door [portier van de parkeergarage]. Deze Audi is van [vredestichter en passant 1], die zich ook in de buurt van de ingang van de garage ophoudt, samen met zijn neef [passant 2]. [portier van de parkeergarage]t vindt dat de Renault te lang de uitgang blokkeert en toetert. [vriend verdachte], die veronderstelt dat het getoeter vanuit de Peugeot komt, maakt hierop een gebaar en/of een opmerking richting [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot]. [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] stapt de auto uit en loopt op [vriend verdachte] af. Als [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] bij [vriend verdachte] komt, krijgt hij van [vriend verdachte] een stomp in zijn gezicht. Beiden raken met elkaar in gevecht. Nagenoeg tegelijk met [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] is [slachtoffer] uit de Peugeot gestapt. Aanvankelijk loopt [slachtoffer] naar de voorkant van de Peugeot, alwaar hij stuit op verdachte die inmiddels de garage is ingelopen. [slachtoffer] heeft al bij het uitstappen een groot automatisch pistool in handen, dat hij uit een tas haalt die hij kruislings voor zijn buik draagt. Verdachte ziet dit wapen en maakt een verontschuldigend of sussend gebaar naar [slachtoffer]. Deze draait zich daarop om en loopt van verdachte weg langs de passagierskant van de Peugeot en achter die auto langs. [slachtoffer] loopt met het vuurwapen op [vriend verdachte] af, die op dat moment nog met [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] aan het vechten is aan de bestuurderskant van de Peugeot, terwijl [vredestichter en passant 1] probeert de vechtenden te scheiden. De Renault is inmiddels weggereden.

Met het vuurwapen in zijn rechterhand loopt [slachtoffer] met [vriend verdachte] verder de parkeergarage in. [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] en [vredestichter en passant 1] volgen het tweetal. Om 04.55.08 (print 21) loopt [slachtoffer] uit het beeld van camera 14, de camera die op de ingang van de parkeergarage is gericht. Eén seconde later (print 23) verdwijnen [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] en [vredestichter en passant 1], die achter [slachtoffer] aanlopen, ook uit beeld. Wat zich vervolgens tussen de vier mannen heeft afgespeeld, is op de camerabeelden niet te zien. [vriend verdachte] is om 04.55.11 en 04.55.12 (prints 25, 26 en 27) terug in het zicht van camera 14. Op ditzelfde moment (print 27) komt verdachte, die nog bij de voorkant van de Peugeot staat, in beweging. Zes seconden later (print 34) is [slachtoffer] in beeld van camera 9, die gericht is op de nis van de garage. [slachtoffer] wordt hier van achteren vastgehouden door [vredestichter en passant 1], terwijl [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] in de buurt staat. [vriend verdachte] is niet in beeld. De manier waarop [vredestichter en passant 1] op print 34 [slachtoffer] vast heeft, wijst erop dat de twee mannen al enkele seconden aan het worstelen zijn.

Als gezegd is verdachte, toen [vriend verdachte] om 04.55.12 (print 27) terugbewoog in de richting van [slachtoffer], vanaf de ingang van de garage in beweging gekomen. Hij is vervolgens in een rustig tempo, met zijn handen in zijn zij of in zijn zakken, verder de garage ingelopen, in de richting van [vriend verdachte] en de anderen. Vier seconden later (print 31) verdwijnt verdachte uit het zicht van camera 14. [vriend verdachte] staat op dat moment alleen, want [slachtoffer], [vredestichter en passant 1] en [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] bevinden zich in de nis van de garage.

In de nis van de garage is [vredestichter en passant 1] intussen aan het worstelen met [slachtoffer], waarbij hij probeert het wapen van hem af te pakken. Dit lukt [vredestichter en passant 1]: om 04.55.22 (print 41) heeft hij het wapen in zijn linkerhand, terwijl hij zijn linkerarm gestrekt langs zijn lichaam houdt. Hij maakt hierbij met zijn rechterarm een gebaar richting [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot]. [slachtoffer] is dan al uit beeld gelopen, in de richting van de uitgang. Daar kruist hij het pad van verdachte en [vriend verdachte]. Hoewel dit niet op de camerabeelden is vastgelegd, volgt uit diverse verklaringen (die van verdachte, [vriend verdachte], [vredestichter en passant 1], [passant 2], [portier van de parkeergarage]t en [getuige]) dat [slachtoffer] en [vriend verdachte] daarna ter hoogte van de brandhaspel met elkaar hebben gevochten.

Wie die confrontatie heeft gezocht, kan niet worden vastgesteld. Vastgesteld kan worden dat het gevecht op zijn vroegst is begonnen om 04.55.22 ([slachtoffer] is dan uit het zicht van camera 9, print 41). Terwijl [slachtoffer] en [vriend verdachte] met elkaar vechten, loopt [vredestichter en passant 1], met het wapen in de hand van zijn langs zijn lichaam naar beneden gestrekte linkerarm, in de richting van de uitgang van de nis. [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] houdt stil (print 44) en bukt zich naar de grond (print 45). Hij en [vredestichter en passant 1] staan vervolgens dicht bij elkaar (print 46). Hoewel niet erg duidelijk zichtbaar is wat beide mannen op deze beelden aan het doen zijn, gaat de rechtbank ervan uit dat [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] de tas van [slachtoffer], waarin het wapen heeft gezeten, van de grond pakt en dat geprobeerd is het wapen in die tas te stoppen. Ter hoogte van de plek waar [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] zich bukt had immers de worsteling plaatsgevonden waarbij [vredestichter en passant 1] het wapen van [slachtoffer] had afgepakt. Het is goed mogelijk dat de tas daarbij op de grond was gevallen. Toen [vredestichter en passant 1] het wapen in handen had, zat het niet in de tas. Dit blijkt duidelijk uit print 41. Bovendien blijkt uit print 56 dat verdachte het wapen uit de tas haalt.

Hooguit zes seconden na het begin van de vechtpartij tussen [vriend verdachte] en [slachtoffer], om 04.55.28 (print 48), begint verdachte een worsteling met [vredestichter en passant 1] om het wapen. Verdachte nadert hem van achteren en probeert de tas te pakken te krijgen. Aanvankelijk lijkt [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] zich ermee te bemoeien, want op print 49 (04.55.29) duwt [vredestichter en passant 1] hem met zijn rechterarm opzij. Daarna neemt [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] afstand. Het gevecht tussen verdachte en [vredestichter en passant 1] om de tas duurt iets meer dan zes seconden. Op print 55, om 04.55.34, hebben verdachte en [vredestichter en passant 1] zich naar de grond gebukt en staan [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] en [passant 2] in hun nabijheid. Eén seconde later (print 56) heeft verdachte zich met de tas naar achteren begeven, verder de nis in. Hij haalt onmiddellijk het wapen uit de tas. Vervolgens blijft hij achterin de nis staan, met het wapen in beide handen, gericht in de richting van de brandhaspel. De tas heeft hij op de grond laten vallen. [vredestichter en passant 1] rent voor verdachte langs heen en weer en roept hem toe dat hij niet moet schieten omdat dat zinloos is. Verdachte blijft met zijn lichaam en gezicht gericht in de richting van de brandhaspel en loopt enkele passen naar voren, in de richting van de brandhaspel. Verdachte neemt een schiethouding aan, door licht door zijn knieën te zakken en het wapen met licht gestrekte armen voor zich te houden terwijl hij het met beide handen vasthoudt.

Op grond van diverse verklaringen, waaronder die van verdachte zelf, en de aangetroffen sporen kan worden vastgesteld dat verdachte in ieder geval twee schoten heeft afgevuurd en dat die schoten hebben plaatsgevonden op de momenten tussen print 67 en 71. Het eerste schot viel volgens de verklaring van verdachte om 04.55.43 (print 69). Het tweede schot, volgens verdachte, om 04.55.45 (print 71), nadat verdachte enkele meters in de richting van de brandhaspel was gelopen. Rond het moment van het schieten zijn [vredestichter en passant 1], [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] en [passant 2] naar de uitgang van de parkeergarage gegaan. Na het tweede schot zakt [slachtoffer] in elkaar en valt hij gestrekt op de grond, op de plaats waar hij later is aangetroffen, onderaan de helling. Hij is door twee kogels geraakt: één door zijn knie en één door zijn schouder en borst. Die laatste kogel is dodelijk geweest. De andere kogels zijn terechtgekomen in de brandhaspel, in de muur daarnaast en daarboven, vlak onder het plafond. Zeven seconden na het tweede schot loopt verdachte langs het lichaam van [slachtoffer], waarbij hij in een bukkende houding het vuurwapen in de richting van het slachtoffer houdt (print 84, 04.55.52). Eén seconde later stopt verdachte het vuurwapen onder zijn trui (print 86). Daarna loopt hij in een rustig tempo naar de uitgang van de parkeergarage, tegelijk met [vriend verdachte]. Verdachte loopt langs de bestuurderskant van de Peugeot die nog bij de uitgang staat en [vriend verdachte] langs de passagierskant. Zij stappen tegelijk om 04.55.58 (print 93) de straat op, waarna verdachte iets overhandigt aan [vriend verdachte] (print 95). Zij lopen weg, richting Singel, waar [vriend verdachte] het wapen in het water gooit, op de plek waar het later door de politie is aangetroffen.

Er zaten toen nog vier patronen in het wapen: één patroon zat geblokkeerd voor de kamer en in de houder zaten drie patronen.

Standpunt van verdachte

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgrond noodweer subsidiair de schulduitsluitingsgrond noodweer-exces.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben daartoe betoogd dat verdachte het wapen van [vredestichter en passant 1] heeft afgepakt “om te boel te laten ophouden”. Vervolgens, toen hij het wapen in handen had, wilde hij de vechtpartij tussen [vriend verdachte] en [slachtoffer] doen eindigen. Hij hield het ervoor dat [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] het wapen ook wilde hebben. Op het moment dat verdachte het wapen in handen kreeg ontstond bij hem het beeld dat zowel [vriend verdachte] als hij zelf in levensgevaar verkeerde. [vriend verdachte] zou immers – ook volgens de verklaring van [vriend verdachte] zelf - door [slachtoffer] worden afgetuigd en daarbij in doodsnood om hulp hebben gegild, terwijl verdachte [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] zou hebben horen roepen: “Swa, hij heeft die kanoe, schiet hem, schiet hem!” en [slachtoffer] naar zijn broeksband zou hebben zien grijpen, op grond waarvan verdachte veronderstelde dat [slachtoffer] nog een vuurwapen had, dat hij wilde gaan gebruiken. Vervolgens zou verdachte, toen hij het wapen in handen had, zich hebben omgedraaid en in paniek, ongericht, het eerste schot hebben gelost. Toen dat de vechtpartij tussen [vriend verdachte] en [slachtoffer] niet deed stoppen, zou verdachte nogmaals, maar dan gericht op de twee vechtenden, hebben geschoten.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de lezing van verdachte omtrent hetgeen is voorgevallen vanaf het moment dat hij het wapen van [vredestichter en passant 1] heeft afgepakt, niet ondersteund wordt door de beelden van de beveiligingscamera en de verklaringen van de getuigen, anders dan [vriend verdachte]. Immers daar waar verdachte zegt dat hij het wapen wilde hebben omdat [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] ook het wapen van [vredestichter en passant 1] wilde afpakken, kan op grond van de camerabeelden worden vastgesteld dat [vredestichter en passant 1] en [vriend slachtoffer en bestuurder peugeot] geprobeerd hebben het wapen in de tas te doen en er van beide mannen, voor wat het gebruik van het vuurwapen betreft, geen dreiging heeft kunnen uitgaan. Maar ook als verdachte al vond dat hij het wapen in handen moest hebben om [vriend verdachte] of zichzelf veilig te stellen, dan is daarmee niet te rijmen dat hij onmiddellijk nadat hij de tas te pakken had gekregen, het wapen daaruit heeft gehaald en een schiethouding heeft aangenomen. De rechtbank acht verdachtes reden om zich meester te maken van het vuurwapen dan ook ongeloofwaardig.

Voorts worden de verklaringen van verdachte en [vriend verdachte] omtrent de aard van de vechtpartij tussen [vriend verdachte] en [slachtoffer] niet bevestigd door de overige getuigenverklaringen. Volgens [getuige] en [passant 2] was [slachtoffer] wel veel sterker dan [vriend verdachte] (in de woorden van [passant 2]: [slachtoffer] had [vriend verdachte] kunnen ‘beuken’ of ‘rammelen’), maar zij hebben desgevraagd niet waargenomen dat dit tot een zeer eenzijdig gevecht leidde waarin [vriend verdachte] zich nauwelijks kon verweren. [getuige] beschrijft bij de politie (pag. 34) dat [slachtoffer] en [vriend verdachte] elkaar over en weer hebben geschopt, dat zij beiden op de grond zijn gevallen en dat [vriend verdachte] de handen van [slachtoffer] wegsloeg toen die hem vastpakte. [portier van de parkeergarage]t beschrijft (pag. 11) dat hij de beide mannen op korte afstand van elkaar heeft zien schoppen en trappen. Weliswaar verklaren diverse getuigen dat er veel geschreeuwd werd en dat de sfeer paniekerig was, maar geen van de getuigen verklaart dat het geschreeuw van [vriend verdachte] afkomstig was, of dat [vriend verdachte] de indruk wekte dat hij bang was. De rechtbank kan dan ook aan de verklaring van verdachte en die van [vriend verdachte] hieromtrent geen geloof hechten.

Daar komt nog bij dat geen van de andere getuigen heeft gehoord dat iemand heeft geroepen: “Swa hij heeft die kanoe, schiet hem, schiet hem!”, terwijl evenmin een getuige [slachtoffer] naar zijn broeksband heeft zien grijpen. De rechtbank merkt daarbij op dat het ook niet logisch zou zijn dat het slachtoffer eerst nu, en niet meteen nadat [vredestichter en passant 1] zijn machinepistool had afgepakt, een ander wapen zou pakken als hij dat bij zich zou hebben. Achteraf blijkt hij ook niet over een ander wapen te hebben beschikt. Ook aan dit onderdeel van verdachtes verklaring kan de rechtbank geen geloof hechten.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachtes verklaring dat hij uit paniek het eerste schot zou hebben gelost, aantoonbaar onjuist is. Op de camerabeelden is immers te zien dat verdachte, nadat hij het wapen uit de tas had gehaald, steeds met zijn gezicht en lichaam in de richting van de brandhaspel heeft gestaan en vrijwel dadelijk een schiethouding heeft aangenomen. Hij heeft ook niet onmiddellijk geschoten. Tussen het moment dat verdachte een schiethouding aanneemt en het moment waarop - volgens verdachtes verklaring ter terechtzitting – door hem het eerste schot wordt gelost, zitten immers zes seconden.

Ten aanzien van het tweede schot overweegt de rechtbank dat op de camerabeelden vervolgens is te zien dat verdachte in de schiethouding in de richting van de vechtende [vriend verdachte] en [slachtoffer] loopt en dan – wederom volgens verdachtes verklaring ter terechtzitting – vijf seconden na het eerste schot, het tweede schot lost. Volgens de verklaringen van de getuigen [portier van de parkeergarage]t, [getuige] en [passant 2] bevonden [vriend verdachte] en [slachtoffer] zich op het moment van het tweede schot op enige afstand van elkaar. Gezien de korte afstand tussen verdachte en de vechtende mannen op het moment dat verdachte het tweede schot loste en de schiethouding die verdachte toen al elf seconden lang had ingenomen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij slechts in de richting van de twee vechtenden schoot en niet gericht op [slachtoffer], ongeloofwaardig.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte het wapen van [vredestichter en passant 1] heeft afgepakt om daarmee op [slachtoffer] te schieten. Dat verdachte de schoten zou hebben gelost uit noodweer, acht de rechtbank, gelet op de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte en die van [vriend verdachte] hieromtrent, niet aannemelijk geworden. De rechtbank wordt in haar oordeel nog gesterkt door het feit dat verdachte en [vriend verdachte] niet uit de garage zijn weggegaan toen zij daarvoor de gelegenheid hadden, namelijk vóór en op het moment dat [vredestichter en passant 1] het wapen van het slachtoffer afpakte.

Nu er geen sprake is geweest van een situatie waarin noodweer geboden was, faalt ook verdachtes beroep op noodweerexces. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de camerabeelden en de verklaringen van de overige getuigen juist dat verdachte gericht op [slachtoffer] heeft geschoten, nadat hij, tussen het moment waarop hij de tas afpakte en het moment waarop hij heeft geschoten, de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit. Dat verdachte in een korte tijdspanne heeft gehandeld doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld, temeer niet nu [vredestichter en passant 1] heeft geprobeerd verdachte van zijn voornemen af te brengen. De rechtbank acht dus bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade heeft gedood.

De rechtbank acht het verboden vuurwapenbezit evenzo een strafbaar feit waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt. Verdachte heeft na de schietpartij de parkeergarage immers verlaten met het vuurwapen, waarin op dat moment nog vier patronen zaten, onder zijn trui.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Tevens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

5. Motivering van de straf en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Na een avond stappen met verdachte, is [vriend verdachte] verzeild geraakt in een vechtpartij in een openbare parkeergarage naast discotheek The Ministry, waarbij onder andere ook het latere slachtoffer [slachtoffer], die op dat moment een wapen bij zich had, betrokken is geweest. Tijdens een van de schermutselingen in de parkeergarage is het wapen van het slachtoffer in handen gekomen van iemand die gezien kon worden als de vredesstichter. Verdachte is zich op dat moment met de gebeurtenissen gaan bemoeien en heeft het wapen van de vredesstichter afhandig gemaakt. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer [slachtoffer], die op dat moment met [vriend verdachte] in gevecht was, gericht, doelbewust en met voorbedachten rade doodgeschoten, waarbij het slachtoffer vrijwel direct aan zijn verwondingen is overleden. Op dat moment – rond sluitingstijd van The Ministry – bevonden zich veel mensen in en rond de parkeergarage, waardoor veel mensen ongewild bij de schietpartij betrokken zijn geraakt en door het handelen van verdachte voorts aan een groot risico zijn blootgesteld.

Verdachte heeft door zijn handelen op de meest grove en onomkeerbare wijze inbreuk gemaakt op het leven van een jonge man, waardoor onherstelbaar en levenslang leed is toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Daarnaast heeft het misdrijf de vele aanwezigen op straat in de directe omgeving van de schietpartij ernstig geschokt en brengen feiten als het onderhavige grote verontrusting en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. Ook heeft de verdachte de rechtsorde door dit feit schade toegebracht.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake van onder andere ernstige geweldsmisdrijven en de Wet wapens en munitie.

Tegenover het hiervoor overwogene staat de omstandigheid dat verdachte niet de aanstichter van de gebeurtenissen in de parkeergarage is geweest. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte – zoals hij heeft verklaard – die avond slechts een gezellige avond wilde hebben en niet uit was op ruzie of geweld. Daarnaast weegt mee dat verdachte niet zelf degene is geweest die het wapen bij zich droeg, maar dat het wapen afkomstig was van het slachtoffer. Zonder aanwezigheid van het wapen van het slachtoffer was het zeer waarschijnlijk niet tot deze dramatische gebeurtenis gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting in aanzienlijke mate af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en acht - alles overwegende - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur een passende en geboden reactie.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 13.920,74 (dertienduizend negenhonderdtwintig euro en vierenzeventig eurocent).

De door de rechtbank toegewezen schade bestaat uit kosten van de uitvaart van € 10.079,49 en het plaatsen van grafwerk van € 3.841,25.Ten aanzien van deze laatste schadepost overweegt de rechtbank dat deze schade, hoewel nog niet geleden, wel voor toewijzing in aanmerking komt, nu deze schade door verdachte niet is betwist en de rechtbank deze geenszins onredelijk acht.

De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

6. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Moord;

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 13.920,74 (dertienduizend negenhonderdtwintig euro en vierenzeventig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], te betalen de som van € 13.920,74 (dertienduizend negenhonderdtwintig euro en vierenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 100 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. B.E. Mildner en W.M. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Krijgsheld, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2005.