Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AU7093

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
13/125162-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van een vorm van vrouwenhandel, te weten het 'aanwerven' van twee vrouwen in de zin van artikel 250a lid 1 onder 2 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Onder de betekenis van 'aanwerven' in die zin moet worden begrepen iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid van de aangeworvene heeft beperkt. Verdachte wordt vrijgesproken van een andere vorm van vrouwenhandel, te weten het met geweld dwingen dan wel door misleiding bewegen van vrouwen zich beschikbaar te stellen tot prostitutie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/125162-04

Datum uitspraak: 28 november 2005

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1964,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

14 november 2005.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

...

3. Waardering van het bewijs

3.1. Vrijspraak van het onder 2. telastegelegde.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2. is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Onder 2. is telastegelegd, kort weergegeven, dat verdachte zijn vriendin, [vriendin], heeft gedwongen of heeft bewogen zich te prostitueren. Dit is strafbaar gesteld in artikel 250a lid 1 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold van 01 oktober 2002 tot en met 31 december 2004. Het belang van deze strafbaarstelling is primair om verschillende vormen van ongewenste seksuele uitbuiting van personen te voorkomen en te bestrijden en bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen. Uitgangspunt van het Nederlandse beleid ter zake van exploitatie van prostitutie is dat met strafrechtelijke middelen moet worden opgetreden tegen vormen van exploitatie waarbij enigerlei dwang of misleiding wordt gebruikt of waarbij misbruik wordt gemaakt van een afhankelijke situatie van de vrouw. Artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht beoogt in dat kader alle vormen van uitbuiting van prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting strafbaar te stellen. Kenmerkend voor uitbuiting is de aanwezigheid van dwang in ruime zin of misleiding, in de uitgebreide formulering van het artikel. Het artikel ziet op het met bepaalde middelen dwingen of bewegen van een persoon tot het zich beschikbaar stellen tot seksuele dienstverlening. De redactie van deze bepaling heeft primair het oog op uitbuiting.

De in het artikel genoemde en telastegelegde gedragingen waarmee mevrouw [vriendin] tot prostitutie zou zijn gedwongen of bewogen, te weten het aanwenden van dwang door geweld of één of meer andere feitelijkheden, of door bedreiging met geweld of één of meer andere feitelijkheden, of het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, zijn gedragingen die zo moeten worden begrepen dat zij de wil van mevrouw [vriendin] beïnvloeden of hebben beïnvloed. Hieronder moet worden verstaan dat mevrouw [vriendin] zou zijn beperkt in haar keuzemogelijkheden, in die zin dat bij haar vrijwilligheid tot het beoefenen van prostitutie zou ontbreken. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht (voorheen artikel 250ter) volgt dat de wetgever het oog heeft gehad op het brengen van een ander in een afhankelijke situatie waarin deze in diens keuzevrijheid wordt beperkt.

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat mevrouw [vriendin] beperkt werd in haar bewegingsvrijheid of in haar vrijheid om te kiezen met prostitutie te stoppen. Evenmin kan een conclusie worden getrokken over haar vrijwilligheid zich te prostitueren of over een al dan niet afhankelijke situatie van mevrouw [vriendin], laat staan dat verdachte daar misbruik van heeft gemaakt of haar heeft uitgebuit.

Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte van feit 2. moet worden vrijgesproken.

3.2. Bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1. primair telastegelegde,

in de periode van 01 juni 2004 tot en met 05 juli 2004 te Amsterdam en te Bratislava, tezamen en in vereniging met een ander, personen, genaamd [betrokkene 1] en

[betrokkene 2], heeft aangeworven met het oogmerk die personen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.

4. Bijzondere overwegingen ten aanzien van feit 1. primair.

De rechtbank acht onder 1. primair bewezen dat verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2], samen met zijn medeverdachte, heeft aangeworven teneinde hen in Nederland in de prostitutie te brengen. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.

Verdachte is samen met zijn medeverdachte naar Bratislava afgereisd met de bedoeling vrouwen voor de prostitutie naar Nederland te halen. Zij hebben de prostituées [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in een club ontmoet. Zij vertelden de vrouwen dat zij veel meer geld in Nederland kunnen verdienen omdat in Nederland prostitutie legaal is. De vrouwen besluiten in Nederland te gaan werken. De vliegtickets voor de reis naar Schiphol zijn door verdachte en zijn medeverdachte betaald. De vrouwen werden van Schiphol opgehaald door verdachte en zijn medeverdachte en naar hun adres gebracht. Zij verschaften de vrouwen informatie over waar zij een kamer kunnen huren om te werken als prostituée en wat gebruikelijk is om aan klanten te vragen voor verschillende seksuele handelingen. Zij hebben de vrouwen voorts geholpen met het in orde maken van papieren om in Nederland te werken. De vrouwen droegen geld af aan verdachte en zijn medeverdachte voor hun behulpzaamheid en ook voor hun protectiewerkzaamheden.

Deze handelingen van verdachte leveren, tezamen en in onderling verband bezien, op 'aanwerven' in de zin van artikel 250a lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht. Onder de betekenis van 'aanwerven' in die zin moet worden begrepen iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid van de aangeworvene heeft beperkt. Anders dan het in de prostitutie brengen zoals in het eerste lid, onder 1, van het artikel is omschreven, hangt de strafbaarheid van het 'aanwerven' niet af van de aanwezigheid van dwang of ongeoorloofde beïnvloeding. Ook het feit dat de vrouwen reeds in de prostitutie werkzaam waren, doet niet af aan de strafbaarheid.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 1. primair onder het tweede gedachtestreepje is telastegelegd, met dezelfde motivering als hiervoor onder rubriek 3.1. Ook ten aanzien van deze vrouwen geldt dat niet is komen vast te staan dat verdachte hen heeft gedwongen dan wel bewogen tot prostitutie in de zin zoals hiervoor omschreven.

5. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf.

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten 1. primair en 2. zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vorm van mensenhandel. Hij heeft twee vrouwen uit Bratislava aangeworven teneinde hen in Nederland in de prostitutie te brengen.

Dit misdrijf rechtvaardigt een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur, waarvan een gedeelte in voorwaardelijke vorm. Dit voorwaardelijk gedeelte strekt er toe verdachte er van te weerhouden zich in de toekomst wederom aan een strafbaar feit schuldig te maken.

De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie. Gelet daarop wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 08 juli 2004.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging tot slot acht geslagen op een verdachte betreffend voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland van 12 augustus 2004.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing.

Verklaart het onder 2. telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. primair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.2. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1. primair is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van een persoon aanwerven met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 1 (één) maand, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Steffan-Bakker, voorzitter,

mrs. M.G. Tarlavski-Reurslag en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hirzalla, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2005.