Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AU6024

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2005
Datum publicatie
11-11-2005
Zaaknummer
315780
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeder van overleden dochter komt geen beroep op inzage- en blokeringsrecht toe met betrekking tot rapport van deskundige die is benoemd ter beoordeling van de vraag of er een medische fout is gemaakt die heeft geleid tot het overlijden van de dochter.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 446
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

315780 / HA RK 05.0317

27 oktober 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

TWEEDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

i n d e z a a k v a n:

A, in haar hoedanigheid van moeder en erfgenaam van wijlen B,

wonende te ( woonplaats ),

v e r z o e k s t e r ,

procureur mr. M.F. Hartman,

t e g e n:

de vereniging DE VERENIGING VOOR CHRISTELIJK HOGER ONDERWIJS, WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN PATIËNTENZORG VU MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Amsterdam,

v e r w e e r s t e r ,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen worden hierna A en VUMC ge-noemd.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenonderzoek zal bevelen, als bedoeld in artikel 202 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- verzoekschrift ingediend ter griffie op 10 mei 2005,

- brieven van mr. Hartman van respectievelijk 31 mei 2005 en 4 juli 2005,

- verweerschrift, met bewijsstukken, ingediend ter griffie op 1 september 2005,

- tussenbeschikking van 11 augustus 2005 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek, gehouden op 6 oktober 2005, waarvoor A en VUMC waren opgeroepen, en de in dat proces-verbaal vermelde stukken.

De beschikking is nader bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. B (hierna: B), de dochter van A, is op 27 augustus 2000 opgenomen in het VUMC.

b. De brief van 10 oktober 2000 van C, arts-assistent, gericht aan D, de huisarts van B, luidt, voor zover relevant:

(...)

Conclusie: opname i.v.m. pijn rechterflank, koorts en verhoogde ontsteking parameters. Waarschijnlijk pyelonefritis, diagnose niet met zekerheid kunnen stellen. Goede klinische verbetering op antibiotica.

(...)

De brief is voor gezien ondertekend door dr. E, internist, chef de clinique.

c. Vervolgens is B op 31 augustus 2000 uit het ziekenhuis ontslagen. Bij het ontslag is geen controleafspraak gemaakt.

d. Op 16 november 2000 werd B wederom opgenomen in het VUMC, waarna zij op 17 november 2000 omstreeks 1.30 uur is overleden als gevolg van een hartinfarct.

2. Het verzoek

Het verzoek van A strekt ertoe een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen, met benoeming van prof. dr. F als deskundige. Daarbij heeft A aangegeven welke vragen aan de deskundige moeten worden voorgelegd. Zij legt aan haar verzoek, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Harerzijds bestaat het vermoeden dat het overlijden van B het gevolg is van een medische fout. Zij meent dat er in het VUMC verwijtbaar onzorgvuldig is gehandeld, alsmede dat de betrokken behandelaars niet hebben gehandeld zoals van redelijk bekwame en redelijk handelende artsen mocht worden verwacht. Het deskundigenbericht stelt haar in staat informatie te verkrijgen over de medische aspecten die betrekking hebben op het overlijden van B, waardoor zij haar rechtspositie zal kunnen bepalen.

3. Het verweer

VUMC heeft geen bezwaar tegen het laten verrichten van een medische expertise en het benoemen van prof. dr. F als deskundige. Zij stelt zich op het standpunt dat de door A voorgestelde vragen aldus aanvulling behoeven dat daaraan de in het verweerschrift geformuleerde vraag wordt toegevoegd. Voorts heeft VUMC naar voren gebracht dat zij ervan uitgaat dat A geen beroep kan doen op het in artikel 7:464 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) opgenomen inzage- en blokkeringsrecht.

4. De beoordeling

4.1 Het verzoek van A voldoet aan de wettelijke vereisten, zoals neergelegd in de artikelen 203 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het verzoek ertoe kan dienen A de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden waardoor zij haar procespositie beter kan beoordelen en VUMC heeft aangegeven in te stemmen met het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek, zal het verzoek worden toegewezen.

4.2 VUMC heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met benoeming van de door A voorgestelde deskundige. Prof. dr. F heeft de rechtbank desgevraagd medegedeeld bereid te zijn om in deze zaak als deskundige op te treden. Derhalve zal tot zijn benoeming worden overgegaan.

4.3 Tussen partijen bestaat op grote lijnen overeenstemming omtrent de aan de deskundige voor te leggen vragen. De vragen zullen met geringe aanpassing uit het verzoekschrift worden overgenomen. Daaraan zal een vraag worden toegevoegd, een en ander zoals hierna wordt vermeld.

4.4 Ten aanzien van het inzage- en blokkeringsrecht wordt als volgt overwogen.

Tussen B en prof. dr. F is, gelet op artikel 7:446 lid 5 BW, geen sprake van een behandelingsovereenkomst. Het door prof. dr. F te verrichten onderzoek strekt immers tot beoordeling van het medisch handelen (de “medische begeleiding” als bedoeld in dit artikel) van de hulpverleners van VUMC, terwijl het onderzoek wordt verricht in opdracht van de rechtbank. In artikel 7:464 lid 2 sub b BW is bepaald dat, wanneer het handelingen als omschreven in artikel 446 lid 5 betreft, de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid wordt gesteld mee te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen, en zo ja, of hij daarvan als eerste wenst kennis te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan. Dit recht wordt ook wel het inzage- en blokkeringsrecht genoemd en is voor handelingen in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, hetgeen in het onderhavige geding het geval is, per 1 mei 2000 in werking getreden.

Door uitoefening van het blokkeringsrecht kan de persoon, op wie het onderzoek betrekking heeft, voorkomen dat een inbreuk wordt gemaakt op zijn of haar recht op privacy als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarmee wordt namelijk verhinderd dat het rapport aan anderen ter beschikking wordt gesteld.

Dit leidt tot de conclusie dat het inzage- en blokkeringsrecht dient ter bescherming van het recht op privacy van de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft, in dit geval B. Het recht op privacy is aan te merken als een persoonlijk recht. In de omstandigheden van het geval wordt geen aanleiding gezien ervan uit te gaan dat A het recht toekomt om te voorkomen dat een inbreuk wordt gemaakt op het recht op privacy van B. Dit recht is een hoogstpersoonlijk recht van B en is met haar overlijden niet overgegaan op A. A kan, gelet op het vorenstaande, niet in de plaats van B een beroep doen op het inzage- en blokkeringsrecht.

4.5 De deskundige zal zijn onderzoek zelfstandig dienen te verrichten. Daarbij moet hij partijen in de gelegenheid stellen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit zijn schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Tevens zal in dat bericht melding worden gemaakt van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken van partijen. Indien een partij schriftelijk opmerkingen aan de deskundige doet toekomen, verstrekt zij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij.

4.6 Partijen zijn verplicht mee te werken aan het onderzoek van de deskundige. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht.

4.7 A zal een voorschot ter zake van de kosten van de deskundige aan de griffier van deze rechtbank dienen te betalen, welk voorschot zal worden vastgesteld op een door de deskundige te bepalen bedrag.

4.8 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

De rechtbank:

- beveelt een onderzoek door de deskundige:

prof. dr. F;

- bepaalt dat aan de deskundige de volgende vragen zullen worden voorgelegd:

1. De waarschijnlijkheidsdiagnose is op de eerste dag van de opname (27 augustus 2000) op een nierbekkenontsteking gesteld. Was deze diagnose adequaat? Kunt u uw antwoord toelichten?

2. Welke differentiaal diagnoses waren aan de orde gezien het klinisch beeld en de gemeten bloedwaarden? Kunt u uw antwoord toelichten?

3. Kon de waarschijnlijkheidsdiagnose gehandhaafd blijven toen op 31 augustus 2000 de LDH-waarde nog steeds ver boven de normaalwaarde lag? Kunt u uw antwoord toelichten?

4. Had gezien de onzekere diagnose bij ontslag een controleafspraak gemaakt moeten worden en zo ja, op welke termijn? Kunt u uw antwoord toelichten?

5. Waaruit had eventueel nader onderzoek (al dan niet tijdens de opname) kunnen/moeten bestaan en waartoe zou dat hebben geleid? Kunt u uw antwoord toelichten?

6. Heeft zich bij B een nierinfarct voorgedaan? Kunt u uw antwoord toelichten?

7. Hoe verklaart u dat B klinisch kennelijk goed reageerde op de antibiotica? Kunt u uw antwoord toelichten?

8. Indien tijdens de opname in augustus 2000 of kort nadien de diagnose nierinfarct was gesteld, welke behandeling zou dan zijn ingesteld?

9. Is het aannemelijk dat B alsdan nu nog geleefd zou hebben?

10. Voldeden de, na opname van B op 27 augustus 2000, gestelde diagnose en de beslissing om B op 31 augustus 2000, zonder nader onderzoek, uit het ziekenhuis te ontslaan aan de professionele standaard die destijds op uw vakgebied gold voor dergelijke handelingen respectievelijk beslissingen?

11. Hebt u overigens nog opmerkingen die voor de onderhavige zaak van belang kunnen zijn? Zo ja, welke?

- bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen plaats en tijd;

- bepaalt dat door A een voorschot ter zake van de kosten van de deskundige ter griffie zal worden gedeponeerd, welk voorschot bij deze wordt bepaald op een door de deskundige te begroten bedrag;

- bepaalt dat A uiterlijk op 15 december 2005 het verzoekschrift, verweerschrift en andere relevante stukken aan de deskundige zal doen toekomen;

- bepaalt dat het door de deskundige uit te brengen bericht uiterlijk op 1 april 2006 zal worden ingeleverd ter griffie van deze rechtbank;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. M. van Hees, lid van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 27 oktober 2005 in tegenwoor-digheid van de griffier.