Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AU5622

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2005
Datum publicatie
04-11-2005
Zaaknummer
13/497344-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Duitsland deels geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, onder e, 4e, OLW ("ne bis in idem").

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497344-05

RK nummer: 05/2684

Datum uitspraak: 28 oktober 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 augustus 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 27 juni 2005 door de justitiële autoriteit, de hoofdofficier van justitie bij het Openbaar Ministerie (“Staatsanwaltschaft”) te Deggendorf, Duitsland. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring “de Schie” te Rotterdam,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

- De eerste behandeling van de vordering vond plaats op de openbare zitting van 16 september 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw

mr. D. Laheij, advocaat te Rotterdam gehoord. De opgeeiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Duitse taal.

- Bij interlocutoire uitspraak van 23 september 2005 heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van de vordering heropend diende te worden teneinde de officier van justitie de gelegenheid te geven de brief van de Duitse justitiële autoriteit d.d. 27 juli 2005 te doen vertalen en bij de stukken te voegen. De behandeling is geschorst tot 21 oktober 2005.

- Op 21 oktober 2005 heeft de tweede behandeling van de vordering plaatsgevonden. Opnieuw zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw gehoord en opnieuw is de opgeëiste persoon daarbij bijgestaan door een tolk in de Duitse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel ten grondslag, uitgevaardigd door het kantongerecht (Amtsgericht) Deggendorf en gedateerd 24 juni 2005 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Duitse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Verweren

De raadsvrouw heeft verzocht de overlevering te weigeren.

Zij heeft daartoe aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de wettelijke bepalingen bij het EAB behoren te worden gevoegd. De op verzoek van de raadsvrouw vertaalde brief, d.d. 27 juli 2005, afkomstig van de officier van justitie Schwaiberger, is onvoldoende. Het is niet mogelijk te controleren welk wetsartikel van toepassing is. Dit is een schending van artikel 2, lid 2 van de OLW, aldus de raadsvrouw. Bovendien is uit de omschrijving der feiten de betrokkenheid van de opgeëiste persoon niet af te leiden.

Voorts heeft zij ten aanzien van het tweede in het EAB genoemde feit verzocht de overlevering te weigeren op grond van het in artikel 9, lid 1, onder e, 4e OLW bepaalde.

De politierechter te Rotterdam heeft bij vonnis van 1 augustus 2005 de opgeëiste persoon veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, voor het aanwezig hebben van 500 gram heroïne. Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk en de opgeëiste persoon zal de straf per 1 november 2005 hebben uitgezeten.

De officier van justitie heeft hiertegen ingebracht, zakelijk weergegeven dat de wetsartikelen, zij het vervat in een brief, zijn overgelegd en dat daarmee voldaan is aan de vereisten van artikel 2, lid 2 OLW. Het vertrouwensbeginsel leidt er toe dat verdere controle of deze wetsartikelen wel van toepassing zijn, niet aan de orde is.

Met betrekking tot het tweede verweer heeft de officier van justitie gesteld dat de koop van de drugs op 3 juli 2005 een ander feit is dan het aantreffen van de hoeveelheid drugs in het bezit van de opgeëiste persoon op 4 juli 2005. Voor dit laatste is hij inderdaad reeds veroordeeld en heeft hij zijn straf bijna ondergaan. De overlevering dient voor beide feiten te worden toegestaan, zij het met een beperking voor wat betreft feit 2 (te weten het bezit van de verdovende middelen op 4 juli 2005). Nu uit de omschrijving van de feiten blijkt dat de verdovende middelen in Rotterdam (Nederland) gekocht zijn, zal op grond van artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd worden af te zien van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde weigeringsgrond.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het verweer dat niet zou zijn voldaan aan de vereisten van artikel 2, lid 2 OLW wordt verworpen. De tekst van § 30, lid 1, nummer 1 van het Betäubungsmittelgesetz is bij brief van 27 juli 2005 door het Parket te Deggendorf verstrekt. De vorm waarin de tekst van dit wetsartikel is verstrekt is niet relevant. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de tekst te twijfelen en vertrouwt er op dat de Duitse justitiële autoriteiten naar eer en geweten de juiste tekst uit de geldende wet hebben verschaft.

Het verweer dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon niet voldoende is aangegeven, ontbeert feitelijke grondslag en dient om die reden reeds te worden verworpen.

Het tweede verweer snijdt hout en wel in die mate dat de rechtbank de overlevering voor feit 2 zal weigeren. Uit de omschrijving van de feiten in het EAB blijkt dat er op 3 juni 2005 een partij heroïne is gekocht. De opgeëiste persoon wordt betrokkenheid hierbij verweten. Het voornemen was deze partij in z’n geheel in te voeren in Duitsland. Deze invoer zou kennelijk op 4 juni 2005 plaatsvinden, maar de opgeëiste persoon is met een deel van de heroïne, te weten 500 gram, op

4 juni 2005 aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat dit feitencomplex als één feit als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht beschouwd dient te worden en zal, nu de opgeëiste persoon voor dit feit reeds door de politierechter in Nederland tot een vrijheidsstraf is veroordeeld en hij deze straf nagenoeg heeft uitgezeten, de overlevering voor feit 2 op grond van artikel 9, eerste lid, onder e, 4e, OLW weigeren.

Door deze beslissing komt de rechtbank niet meer toe aan het beoordelen van de vordering ex artikel 13, tweede lid, OLW en zal zij deze verder onbesproken laten.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van feit 1 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering voor wat betreft dit feit te worden toegestaan.

Nu ten aanzien van feit 2 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat niet aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering voor wat betreft dit feit te worden geweigerd.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7, en 9 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de hoofdofficier van justitie bij het Openbaar Ministerie (“Staatsanwaltschaft”) te Deggendorf, ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het onder 1 omschreven feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht;

en

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de hoofdofficier van justitie bij het Openbaar Ministerie (“Staatsanwaltschaft”) te Deggendorf ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het onder 2 omschreven feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. J.M.J. Lommen-van Alphen en J.L. Hillenius, rech-ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 oktober 2005.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.