Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AU5131

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2005
Datum publicatie
28-10-2005
Zaaknummer
311902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het kader van voorlopig deskundigenonderzoek dient slachtoffer verkeersongeval op grond van zwaarwegende belangen haar medisch dossier aan de medisch adviseur, advocaat, schadebehandelaar van de verzekeraar en aan de door de rechtbank te benoemen deskundige ter beschikking te stellen. Belangenafweging artikel 6 en 8 EVRM. Processuele gelijkheid van partijen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 44
JA 2006/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

311902 / HA RK 05-175 (NM)

27 oktober 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

TWEEDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

i n d e z a a k v a n:

de naamloze vennootschap

WINTERTHUR SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

procureur: mr. Chr.H. van Dijk,

t e g e n :

A,

wonende te ( woonplaats ),

verweerster,

procureur: mr. J.G. Keizer.

Partijen worden hierna Winterthur en A genoemd.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenonderzoek zal bevelen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- verzoekschrift, met bewijsstukken, ingediend ter griffie op 16 maart 2005;

- tussenbeschikking van 7 juli 2005;

- verweerschrift, met bewijsstukken, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot het houden van een deskundigenonderzoek, ingediend ter griffie op 11 augustus 2005;

- proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek, gehouden op 9 september 2005, waarvoor Winterthur en A waren opgeroepen, en de in dat proces-verbaal genoemde stukken.

De beschikking is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. Op 16 april 2001 heeft een kettingbotsing plaatsgevonden waarbij A betrokken was. Een bestuurder van een Seat Ibiza reed achterop een Suzuki Swift. Daardoor werd de Suzuki Swift doorgedrukt op een Audi 100 die stilstond om een inrit links in te rijden en tegemoetkomend verkeerd voor diende te laten gaan. In de Audi 100 was A inzittende.

b. Winterthur heeft als WAM-verzekeraar van de onder punt 1.a. genoemde Seat Ibiza aansprakelijkheid erkend voor het ongeval.

c. A is zelfstandig gevestigd. Zij is per 1 juni 2002 geheel arbeidsongeschikt.

2. Het verzoek

2.1. Winterthur legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. Winterthur acht het met het oog op haar schadevergoedingsplicht wenselijk duidelijkheid te verkrijgen omtrent de (oorzaak van de) thans bij A bestaande beperkingen en het door haar gestelde causale verband tussen het ontstaan van deze beperkingen en het ongeval. A stelt immers ten gevolge van het ongeval een whiplashtrauma te hebben opgelopen. Er is volgens A sprake van nek-rug en hoofdpijnklachten. Daarenboven zouden cognitieve klachten, zoals concentratiestoornissen en vergeetachtigheid aan de orde zijn, alsmede vermoeidheids-en hartklachten.

2.2. Winterthur stelt dat zij een redelijk belang erbij heeft dat alle medische informatie van vóór en ná het ongeval, inclusief de volledige huisartsenkaart en de volledige WAO gegevens van A ter beschikking komt. Winterthur verzoekt de rechtbank primair afgifte van deze gegevens aan de medisch adviseur van Winterthur, aan de schadebehandelaar van Winterthur, haar advocaat en aan de te benoemen deskundige te bevelen, hetgeen volgens Winterthur voortvloeit uit het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het daarin vastgelegde beginsel van equality of arms. Dit beginsel dient, in het onderhavige geval, te prevaleren boven het recht op privacy van A. Immers, ook de aansprakelijk gestelde partij moet in de gelegenheid worden gesteld om te beoordelen of er een verband bestaat tussen de klachten die A aangeeft en het ongeval.

2.3. Voorts stelt Winterthur dat er in procedures als de onderhavige zaak sprake is van een grote mate van verwevenheid van de medische, juridische en arbeidskundige aspecten. Het verschil tussen juridische en medische causaliteit brengt met zich dat een arts, waaronder dus ook een medisch adviseur, niet in staat is de medische gegevens te beoordelen op juridische relevantie. De belangen van de aansprakelijk gestelde partij worden dan ook nog steeds niet voldoende gewaarborgd indien alleen de medisch adviseur inzage krijgt in de medische stukken van de betrokkene. Alleen in het geval ook de schadebehandelaar van Winterthur en haar raadsman inzage krijgen in alle stukken, kan zij zich goed een eigen oordeel vormen en het rapport van de te benoemen deskundige op zijn merites beoordelen. Winterthur verwijst in dit verband naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) inzake WAO-procedures, waaronder de uitspraak van 20 juli 2001, AB 2001, 253.

2.4. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat A ermee kan volstaan de medische informatie enkel aan de deskundige over te leggen, verzoekt Winterthur subsidiair de rechtbank te bepalen dat:

a. A aan Winterthur een lijst verschaft met daarop een inventarisatie van de medische stukken waarvan de deskundige zal kennisnemen;

b. de deskundige de relevante informatie in zijn expertiserapport beschrijft;

c. de deskundige in het geval deze de relevante informatie in zijn expertiserapport beschrijft er, zonodig en waar van belang, uit citeert.

3. Het verweer

3.1. A verzet zich niet tegen het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek door een neuroloog op zichzelf, maar zij maakt wel bezwaar tegen de door Winterthur voorgestelde vraagstelling, de te benoemen deskundige, alsmede tegen de door Winterthur gewenste overlegging van de volledige patiëntenkaart, voorzover deze zou moeten worden overgelegd aan de schadebehandelaar van Winterthur, aan haar advocaat en aan de medische adviseur van Winterhur. A voert daartoe het volgende aan.

3.2. Het volledige medische dossier van A, waaronder haar patiëntenkaart, kan niet zondermeer aan de schadebehandelaar van Winterthur, aan haar advocaat en aan haar medisch adviseur worden verstrekt. Het overleggen van medische informatie van vóór de ongevalsdatum kan pas aan de orde zijn als daarvoor zwaarwegende belangen worden aangevoerd. Winterthur heeft niet aannemelijk gemaakt dat van zwaarwegende belangen sprake is. A voert evenwel aan dat het belang van Winterthur niet dient te prevaleren boven het belang van A. A is werkzaam in de hulpverleningssfeer; zij hecht zeer aan haar recht op privacy. Daarbij bevat haar patiëntenkaart privacygevoelige informatie. In dit verband voert A ook nog aan dat de medisch adviseur van Winterthur geen verschoningsrecht heeft, aangezien de medisch adviseur A niet zelf heeft gezien en geen rechtstreekse relatie met haar heeft.

3.3. Voorts voert A aan dat het verzoek van Winterthur dat alle gegevens uit de medische voorgeschiedenis moeten worden overgelegd betrekking heeft op het niet of moeilijk te objectiveren letsel, namelijk whiplash. De informatie die Winterthur wenst te verkrijgen is niet relevant zolang niet medisch vaststaat welke kwesties wel en welke niet van invloed zijn op het ontstaan van het whiplashletsel en met name ten aanzien van het voortbestaan van de klachten. Er dient aldus duidelijkheid te worden verstrekt over die kwalen die een relevante medische voorgeschiedenis vormen voor de beoordeling van de causaliteitsvraag van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.4. Met betrekking tot het beroep van Winterthur op de jurisprudentie van de CRvB merkt A op dat het bij de CRvB gaat om medische informatie inzake bedrijfsgerelateerde aandoeningen. Daar zijn andere gegevens relevant en is er een heel ander toetsings- en afwegingskader.

3.5. Voorzover de rechtbank van oordeel is dat overlegging van de patiëntenkaart wel van belang is, stelt A zich op het standpunt dat deze gegevens alleen aan de onafhankelijke deskundige kunnen worden overgelegd die het vertrouwen geniet van A. Deze deskundige zal moeten beoordelen wat relevant is en niet een ander, zeker niet Winterthur, diens medisch adviseur of advocaat.

3.6. Met betrekking tot de door Winterthur voorgestelde deskundige voert A aan dan zij geen vertrouwen heeft in de objectiviteit van deze deskundige. Dr. B heeft in het verleden een voor whiplashslachtoffers zeer nadelig standpunt ingenomen.

3.7. Ten aanzien van de aan de deskundige te stellen vragen kan A zich weliswaar vinden in de vragenlijst van de Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen (IWMD) die Winterthur tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgesteld, maar zij maakt bezwaar tegen vraag 4, aangezien deze te negatief is. Ook moet de deskundige volgens A bij de beantwoording slechts de American Medical Association-normen volgen en niet de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVvN).

4. Zelfstandig verzoek A

A verzoekt de rechtbank één van de door haar voorgestelde neurologen te benoemen, en dat de rechtbank bovendien een neuropsychologische expertise zal bevelen, met de bepaling dat Winterthur dient in staan voor de kosten van deze procedure en het honorarium van de te benoemen deskundigen. A stelt meerdere neurologen en neuropsychologen voor als te benoemen deskundigen en voorts overlegt zij een tweetal vragenlijsten. A legt aan haar zelfstandig verzoek ten grondslag dat er tot op heden nimmer een medisch eindonderzoek heeft plaatsgevonden. A heeft er belang bij dat een neurologisch en een neuropsychologisch onderzoek zal plaatsvinden met het oog op een naar alle waarschijnlijkheid door haar te entameren bodemprocedure.

Verweer ten aanzien van zelfstandig verzoek

5.1. Winterthur heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van A. Zij voert daartoe aan dat het in de literatuur vrij algemeen is aanvaard dat de waarde van neuropsychologisch onderzoek in het kader van het vaststellen van ongevalsgerelateerde klachten nauwelijks waarde heeft. Ook is uit eerder neuropsychologisch onderzoek van A niets naar voren gekomen. Er is geen enkele reden te veronderstellen dat dit nu anders zou zijn.

5.2. Voorts maakt Winterthur bezwaar tegen de door A voorgestelde deskundige, alsmede tegen vraag vier van de door A voorgestelde vragenlijst die voorgelegd zou moeten worden aan de neuropsychologische deskundige. Deze vraag is volgens Winterthur te juridisch van aard.

De beoordeling

6.1. Allereerst bespreekt de rechtbank het verzoek van Winterthur. Daarna zal het zelfstandige verzoek van A worden behandeld.

6.2. Het verzoek van Winterthur voldoet aan de wettelijke vereisten, zoals neergelegd in de artikelen 203 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en is dan ook toewijsbaar, indien het ertoe kan dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus zijn procespositie beter te kunnen beoordelen. Dit laatste is het geval. Het verzoek is derhalve toewijsbaar, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen.

6.3. Partijen verschillen, ook na de mondelinge behandeling, in het bijzonder van mening over de vraag of en zo ja, op welke wijze en aan wie inzage moet worden gegeven in de medische gegevens van A van zowel vóór als ná het ongeval van 16 april 2001 (zie 1.a.). Omtrent de vraag of A gehouden is de schadebehandelaar van Winterthur, haar advocaat, haar medisch adviseur en de door de rechtbank te benoemen deskundige tot kennisneming van alle medische gegevens van voor het ongeval in staat te stellen overweegt de rechtbank als volgt.

6.4. Winterthur heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de belangenbehartiger van A bij brief van 19 april 2005 heeft toegezegd dat in ieder geval de medische informatie over een periode van tien jaar voorafgaand aan het ongeval zou worden verzameld door de medisch adviseur van de belangenbehartiger en zou worden overgelegd aan Winterthur, althans aan de medisch adviseur van Winterthur. Hiertegenover heeft de raadsman van A ter zitting aangevoerd dat het weliswaar juist is dat de gemachtigde heeft toegezegd dat A een machtiging zou ondertekenen, maar dat A zelf geenszins van plan was dit te doen en dit ook niet heeft gedaan. Van daadwerkelijke toestemming voor inzage is dan ook, naar thans blijkt, geen sprake.

6.5. Dit betekent dat er een belangenafweging dient plaats te vinden tussen de processuele belangen van beide partijen die worden beschermd door artikel 6 EVRM, kort gezegd het recht op een eerlijk proces, en de individuele privacybelangen van A die worden beschermd door artikel 8 EVRM. In deze belangenafweging gelden de volgende uitgangspunten.

6.6. Winterthur heeft er een zwaarwegend belang bij om te worden geïnformeerd over de medische gegevens van A, zowel uit de periode vóór als na het ongeval. Die gegevens zijn immers relevant voor de vraag of de schade van A, met name de inkomensschade, ook zou zijn ingetreden zonder ongeval en zo ja, in welke mate. Daarbij gaat het niet alleen om de vraag of de klachten van A ongevalsgerelateerd zijn, maar ook om de vraag of er andere aandoeningen zijn (geweest) die tot arbeidsongeschiktheid van A hebben kunnen leiden. In dit verband dient mede in aanmerking te worden genomen dat Winterthur ter zitting heeft gesteld dat niet uitgesloten kan worden dat A informatie achterhoudt die van belang kan zijn voor de beoordeling van zowel de medische kant van deze zaak als van de berekening van de schade. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Winterthur verwezen naar een door de belangenbehartiger van A overgelegde factuur die betrekking heeft op de vervangingskosten gemaakt in verband met de gestelde arbeidsongeschiktheid van A. Van de overgelegde factuur ontbreekt echter een blad, terwijl op het wel ter beschikking gestelde blad gegevens zijn weggelakt die betrekking hebben op vervanging(skosten) vóór het ongeval van 16 april 2001. Winterthur heeft A om een toelichting verzocht, welke toelichting tot op heden niet is verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van A weliswaar meegedeeld dat er naar alle waarschijnlijkheid een hele plausibele verklaring voor het weglakken van de hiervoor genoemde gegevens is, maar hiermee had A niet kunnen volstaan. Zij had deze plausibele verklaring ook daadwerkelijk moeten geven. Met Winterthur is de rechtbank van oordeel dat het hier gaat om een voor de onderhavige zaak relevante vraag, en dat er bij Winterthur gerede aanleiding is om duidelijkheid te verlangen. In ieder geval is door deze onduidelijkheid gebleken van een omstandigheid die het belang van Winterthur tot overlegging van de medische gegevens van vóór het ongeval nader onderbouwt. Winterthur is voor het verkrijgen van de bedoelde gegevens afhankelijk van A. Zij heeft geen andere mogelijkheden om de causaliteitsvraag te kunnen beantwoorden.

6.7. A heeft tegenover het belang van Winterthur het belang van de eigen privacybescherming gesteld. A heeft haar beroep op haar privacyrecht toegelicht met de stelling dat er gevoelige informatie op haar patiëntenkaart staat vermeld uit de periode vóór het ongeval en dat zij werkzaam is in de hulpverleningssfeer. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van A, maar wijst erop dat het des te onbegrijpelijker is dat A geen nadere uitleg heeft gegeven over de in haar praktijk gemaakte vervangingskosten in de periode vóór het ongeval. Hoezeer ook A aanspraak heeft op privacybescherming, onder deze omstandigheid moet dit belang dan ook wijken voor het belang van Winterthur dat Winterthur zich behoort te kunnen doen voorlichten over de vraag of de medische gegevens potentiële relevantie hebben voor de vaststelling van de schade.

6.8. Dit betekent dat de medische informatie over A, die zich bij haar huisarts bevindt (de patiëntenkaart), alsmede de WAO gerelateerde medische informatie, in deze procedure door A ter beschikking moeten worden gesteld. De rechtbank volgt A niet in haar standpunt dat deze gegevens alleen aan de te benoemen deskundige moeten worden overgelegd. In dat geval is immers het gebruik van de medische gegevens door de deskundige voor de medisch adviseur van A wel, maar voor de medisch adviseur van Winterthur niet controleerbaar en verkeert vervolgens A in een betere informatiepositie bij de onderbouwing van het standpunt ter zake van de schadevaststelling dan Winterthur. Winterthur kan daarom in dit geval niet worden verplicht genoegen te nemen met kennisneming van de medische gegevens via de deskundige.

6.9. Voorts wordt overwogen dat niet alleen de medisch adviseur van Winterthur, maar ook haar advocaat de door A te verstrekken inzage moet krijgen. De vraag of A aanspraak kan maken op vergoeding van letselschade ten gevolge van het ongeval moet immers worden beoordeeld aan de hand van haar medische situatie van zowel vóór als na het ongeval. De relevantie van de medische gegevens van A moet voor dat doel zowel vanuit een medisch standpunt (door de medisch adviseur van partijen) als vanuit een juridisch standpunt (door de raadslieden van partijen) kunnen worden getoetst. Daarom kan niet worden volstaan met verstrekking van de gegevens aan de medisch adviseur. Vanzelfsprekend moeten de medisch adviseur en de advocaat van Winterthur bij de kennisneming van de medische gegevens van A haar privacyaanspraak in acht nemen. Zij heeft er immers een gerechtvaardigd belang bij dat haar privacy niet verder wordt aangetast dan in het kader van deze procedure noodzakelijk is. Met dit belang moet Winterthur rekening houden, los van de vraag of de medisch adviseur en de advocaat van Winterthur al dan niet uit hoofde van hun beroep een geheimhoudingsplicht en/of een verschoningsrecht hebben.

Voorts wijst de rechtbank erop dat A het in eigen hand heeft of van de uitslag van het deskundigenonderzoek gebruik wordt gemaakt, aangezien zij een recht op blokkering als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft. Of de medische gegevens van A ook ter inzage aan de schadebehandelaar van Winterthur moeten worden gegeven, is ter beoordeling aan de advocaat van Winterthur. Hij moet afwegen of en in hoeverre kennisname van de medische gegevens door de schadebehandelaar nodig is.

6.10. Thans is aan de orde welke vragen aan de te benoemen deskundige zullen worden gesteld. Winterthur heeft ter zitting, nadat A in de gelegenheid is gesteld hiervan kennis te nemen, een geheel nieuw vragenlijst voorgesteld, namelijk de vragenlijst van de IWMD. Voorzover A heeft aangevoerd dat de vierde vraag daarvan te negatief zou zijn, is onvoldoende gebleken op grond waarvan A dit betoogt. Voormelde vraag komt de rechtbank afdoende zorgvuldig geformuleerd voor. Hetgeen A naar voren heeft gebracht met betrekking tot het niet volgen van de richtlijnen van de NVvN komt de rechtbank evenmin steekhoudend voor. De rechtbank maakt de vragenlijst van de IWMD tot de hare.

6.11. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling geen overeenstemming kunnen bereiken over de te benoemen deskundige. Het voorstel van Winterthur om van de door beide zijden voorgestelde deskundigen één deskundige te benoemen volgt de rechtbank in ieder geval niet. Het enkele feit dat neurologen onderling verschillende standpunten innemen is onvoldoende grond om op voorhand twee deskundigen te benoemen. De rechtbank zal de na te melden deskundige benoemen.

6.12. De deskundige zal zijn onderzoek zelfstandig dienen te verrichten. Daarbij moet hij partijen in de gelegenheid stellen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit zijn schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Tevens zal in dat bericht melding worden gemaakt van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken van partijen. Indien een partij schriftelijk opmerkingen aan de deskundige doet toekomen, verstrekt hij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij.

6.13. Winterthur zal een voorschot ter zake van de kosten van de deskundige aan de griffier van deze rechtbank dienen te betalen, welk voorschot zal worden vastgesteld op een door de deskundige te bepalen bedrag.

6.14. Nu de procureur van A een afschrift van deze beschikking ontvangt, is Winterthur niet gehouden haar op de voet van artikel 206 Rv een afschrift van deze beschikking te zenden.

6.15. Daarmee komt aan de orde de behandeling van het zelfstandig verzoek van A. Voorzover het verzoek betrekking heeft op de benoeming van een neuroloog ligt het verzoek voor afwijzing gereed. Uit het vorenstaande volgt immers dat hierop reeds is beslist, zodat daarmee het belang van A aan het verzoek op dit onderdeel is komen te ontvallen.

6.16. De behandeling van het zelfstandig verzoek van A houdende de benoeming van een neuropsychologisch deskundige wordt omwille van proceseconomische redenen aangehouden tot na de expertise van de na te melden deskundige. De rechter bepaalt daartoe dat de zaak pro forma wordt aangehouden tot 30 maart 2006, opdat A op die datum schriftelijk kenbaar maakt of zij haar zelfstandig verzoek voor zover dat ziet op de neuropsychologische expertise al dan niet handhaaft.

6.17. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

De rechtbank:

met betrekking tot het verzoek van Winterthur:

- beveelt een onderzoek door de deskundige:

C

- bepaalt dat aan de deskundige de volgende vragen zullen worden voorgelegd:

1. De situatie na ongeval

Dit onderdeel heeft tot doel inzicht te verschaffen in de huidige en toekomstige (verwachte) gezondheidssituatie van betrokkene.

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen?

b. Wilt u een actuele inventarisatie van de medische voorgeschiedenis van betrokkene op uw vakgebied vermelden?

c. Wilt u bij uw antwoord op de vragen 1.a. en 1.b. aangeven welke gegevens u ontleent aan het relaas van betrokkene en welke u ontleent aan onderzoek van door de u verkregen medische gegevens?

d. Wat zijn uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

e. Wat is de diagnose op uw vakgebied? (zie tevens vraag 1.f.)

f. Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn?

g. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-guides, laatste druk), aangevuld met eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?

h. Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel in haar huidige toestand in het dagelijks leven, bij de vrijetijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

i. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

j. Zo ja welke verbetering of verslechtering verwacht u?

k. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbete-ring dan wel verslechtering verwacht?

l. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1.g.) en de beperkingen (als bedoeld in vraag 1.h.)?

2. De hypothetische situatie zonder ongeval

Dit onderdeel heeft tot doel inzicht te verschaffen in de vraag of een causaal verband aanwezig is tussen het ongeval dat betrokkene overkwam en de door u in het vorige onderdeel geconstateerde klachten en afwijkingen. De vaststelling van het causaal verband vindt in het civiele aansprakelijkheidsrecht plaats aan de hand van een vergelijking tussen de huidige toestand van betrokkene (daaronder begrepen de prognose) en de hypothetische situatie waarin zij zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden. Onderstaande vragen hebben tot doel de hypothetische situatie zonder ongeval zo goed mogelijk in kaart te brengen.

a. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval betrokkene niet was overkomen?

b. Voorzover u de vorige vraag bevestigend beantwoordt (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

c. Kunt u aangeven welke mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1.g.) en welke beperkingen (als bedoeld in vraag 1.h.).

Toelichting: Meestal zal het niet mogelijk zijn om deze vragen (met name de vragen 2.b. en 2.c.) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft, wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kúnt zeggen.

3. Overige aspecten van de hypothetische situatie zonder ongeval

Met het oog op de bepaling van de looptijd van eventuele toekomstschade, is van belang te weten of in het medisch dossier van betrokkene overigens feiten en omstandigheden voorkomen – ook buiten de huidige klachten en afwijkingen en/of uw eigen vakgebied gelegen – die aanleiding zouden kunnen geven te veronderstellen dat bij betrokkene ook zonder ongeval op enig moment beperkingen zouden zijn opgetreden op het gebied van de uitoefening van de beroepsactiviteiten of het verrichten van werkzaamheden in en rond de woning.

a. Wilt u, tegen deze achtergrond, een inventarisatie maken van de feiten en omstandigheden uit het medisch dossier van betrokkene die naar uw mening in dit opzicht relevant zijn?

4. Het genezingsproces en de opstelling van de betrokkene daarin

Op betrokkene rust krachtens het civiele aansprakelijkheidsrecht de verplichting om haar schade zo veel mogelijk te beperken. Deze schadebeperkingsplicht is niet absoluut, er zijn grenzen aan wat de aansprakelijke partij in dit kader van betrokkene kan verlangen. Kort gezegd komt de schadebeperkingsplicht van betrokkene erop neer dat van haar mag worden verwacht dat zij zich – mede in aanmerking genomen haar privé-omstandigheden en haar persoonlijkheidsstructuur – voldoende inspant om een bijdrage te leveren aan haar herstelproces. Tegen die achtergrond zouden wij van u graag een antwoord ontvangen op de volgende vragen:

a. Welke behandelingen of therapieën op uw vakgebied zijn medisch geïndiceerd voor het letsel van betrokkene?

b. Welke behandelingen of therapieën zijn ingesteld en met welk resultaat?

c. Indien niet alle medisch geïndiceerde behandelingen of therapieën zijn ingesteld of volledig afgerond, kunt u dan aangeven wat daarvoor de reden is geweest?

Indien deze reden bestaat uit een weigering van betrokkene om deze behandelingen of therapieën te ondergaan of voort te zetten, kunt u dan aangeven:

d. in hoeverre behandeling of voortzetting bij betrokkene zou hebben kunnen leiden tot een vermindering van het functieverlies (als bedoeld in vraag 1.g.) en van de beperkingen (als bedoeld in vraag 1.h.);

e. of u aanleiding ziet om door een deskundige op een ander vakgebied (bijvoorbeeld een psychiater of een psycholoog) te laten onderzoeken of deze weigering verband houdt met, of kan worden gezien als een uitvloeisel van, de persoonlijkheidsstructuur of van betrokkene of het bij haar bestaande klachtenpatroon.

5. Hebt u overigens nog opmerkingen die voor de onderhavige zaak van belang kunnen zijn? Zo ja, welke?

- bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen plaats en tijd;

- bepaalt dat door Winterthur een voorschot ter zake van de kosten van de deskundige ter griffie zal worden gedeponeerd, welk voorschot bij deze wordt bepaald op een door de deskundige te begroten bedrag;

- bepaalt dat Winterthur uiterlijk op 24 november 2005 het verzoekschrift, verweerschrift en andere relevante stukken aan de deskundige zal doen toekomen;

- bepaalt dat het door de deskundige uit te brengen bericht uiterlijk op 23 februari 2006 zal worden ingeleverd ter griffie van deze rechtbank;

- wijst het meer of anders verzochte af;

met betrekking tot het zelfstandige verzoek van A:

- houdt de zaak pro forma aan tot donderdag 30 maart 2006 tot het hiervoor onder 6.16. vermelde doel;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mr. M. van Hees, lid van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 27 oktober 2005 in tegenwoor-digheid van de griffier.