Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AU1932

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2005
Datum publicatie
02-09-2005
Zaaknummer
13/497277-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak is artikel 74, lid 2 OLW van toepassing. Opgeëiste persoon verzoekt om een WOTS-garantie. Het verzoek is afgewezen. Overlevering is toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497277-2005

RK nummer: 05/2198

Datum uitspraak: 2 september 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 juni 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 15 april 2005 door de officier van justitie (Staatsanwalt) te Düsseldorf. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

[adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 augustus 2005. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht, gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel van het kantongerecht (Haftbefehl des Amtsgerichts) Neuss, gedateerd 4 april 2005, referentienummer 2 Ls 51 Js 609/03 – 9/05 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van de uitvaardigende staat strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Bosnische nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 18 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Georganiseerde en gewapende diefstal.

Op dit feit is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Anders dan de raadsman en de opgeëiste persoon is de rechtbank echter van oordeel dat hij dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet heeft kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Overige verweren

Toepasselijkheid van artikel 74, lid 2, OLW

6.1 Bij arrest van 18 juli 2005 heeft het Bundesverfassungsgericht te Karlsruhe (Duitsland) het “Gesetz zur Umsetzung des Rahmenbeschlusses des Rates vom 13. Juni 2002 über den Europäischen Haftbefehl und die Übergabeverfahren zwischen den Mitgliedstaaten” nietig verklaard. De rechtbank heeft zich naar aanleiding van een door de raadsman gevoerd verweer dienaangaande gebogen over de vraag of deze uitspraak enige consequentie met zich brengt voor de door Duitsland gevraagde overlevering van een opgeëiste persoon vanuit Nederland, zoals de onderhavige. Daarbij heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van artikel 74, tweede lid, van de OLW. Dit artikel regelt immers de toepasselijkheid en de werkingssfeer van de OLW in verhouding tot andere lidstaten die het op 13 juni 2002 te Brussel totstandgekomen kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie (nog) niet hebben geïmplementeerd.

6.2 De rechtbank wijst op haar uitspraak van 19 augustus 2005 (LJN AU 1318) en de daarin genoemde brief van de Duitse Bondsminister van Justitie aan haar Nederlandse ambtgenoot d.d. 21 juli 2005, waaruit blijkt dat de hiervoor onder 6.1 bedoelde wet een regeling bevat voor in Duitsland ten uitvoer te leggen EAB’s. De regeling voor door Duitse justitiële autoriteiten uitgevaardigde EAB’s is niet in bedoelde wet vastgelegd.

6.3 Uit deze brief, op de juistheid van de inhoud waarvan de rechtbank vertrouwt, blijkt dat het kaderbesluit in Duitsland rechtsgeldig is geïmplementeerd voor zover het uitgaande EAB’s betreft. Artikel 74, tweede lid, OLW is - in zoverre - evenmin van toepassing, hetgeen ingevolge artikel 74, eerste lid, OLW meebrengt dat het onderhavige EAB moet worden behandeld overeenkomstig de voorschriften van de OLW.

6.4 Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank uitgaat van de rechtsgeldigheid van het onderhavige EAB. Zij heeft geen behoefte aan nadere toelichting dienaangaande.

Terugkeergarantie

6.5 De raadsman heeft aangevoerd dat overlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard zolang de opgeëiste persoon niet beschikt over de in artikel 6 OLW bedoelde garanties. Volgens hem is de opgeëiste persoon een gewortelde vreemdeling en dient de OLW conform het kaderbesluit van de Raad van Europa van 13 juni 2002 te worden uitgelegd.

6.6 Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bedoelde garanties niet behoren te worden gegeven. Nog daargelaten dat de opgeëiste persoon niet over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd beschikt, kan de opgeëiste persoon in Nederland niet worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen, zodat hij alleen om die reden al niet valt binnen de termen van artikel 6, lid 5 OLW.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie te Düsseldorf ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door:

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,

mrs. L.E. Kalff en P.B. Martens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Mulder griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 2 september 2005.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.