Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AU0651

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
08-08-2005
Zaaknummer
AWB 03/6086 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft aan mr. [belanghebbende], voornoemd, onder meer medegedeeld dat haar advocatenstage met 5,4 maanden wordt verlengd, wegens afwezigheid tijdens haar stage in verband met zwangerschaps- en ouderschapsverlof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 03/6086 BESLU

van:

de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. S. Levelt,

tegen:

de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.P. Heinrich,

tevens hebben aan het geding deelgenomen:

mr.[belanghebbende],

woonachtig te [woonplaats],

belanghebbende,

de Stichting Jonge Balie Nederland,

gevestigd te Utrecht,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. A.J. Louter.

1. PROCESVERLOOP

1.1 De rechtbank heeft op 22 december 2003 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 11 november 2003 (hierna: het bestreden besluit).

1.2 Het onderzoek is gesloten ter zitting van 9 juni 2005.

2. FEITEN

2.1 Bij besluit van 24 juni 2003 heeft eiser aan mr. [belanghebbende], voornoemd, onder meer medegedeeld dat haar advocatenstage met 5,4 maanden wordt verlengd, wegens afwezigheid tijdens haar stage in verband met zwangerschaps- en ouderschapsverlof.

2.2 Bij besluit van 11 november 2002 heeft verweerder het administratief beroep van mr. [belanghebbende] tegen eisers besluit gegrond verklaard en vernietigd wegens strijd met het verbod om binnen het vrije beroep direct onderscheid tussen mannen en vrouwen te maken.

3. OVERWEGINGEN

Belang van eiser en van de Stichting Jonge Balie Nederland

3.1.1 De rechtbank dient zich allereerst te buigen over de vraag of eiser en de Stichting Jonge Balie als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt. In beide gevallen wordt die vraag bevestigend beantwoord.

3.1.2 Eiser is bij de rechtbank opgekomen tegen de vernietiging in administratief beroep van eisers eigen besluit. Naar dezerzijds ambtshalve gegeven oordeel kan een belang van het primair beslissende bestuursorgaan bij het in bezwaar of in administratief beroep genomen besluit niet in het algemeen worden ontzegd. De rechtbank vindt daarvoor steun in het gestelde in de Nota van Wijziging bij de Algemene wet bestuursrecht, Bijl. Hand. II, 1993-1994, 23 358, nr. 5, p. 85: “(-) indien in administratief beroep wordt beslist, wordt een nieuw besluit genomen door een ander bestuursorgaan, waarbij niet alleen de betrokken burger(s), maar - door de werking van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb - ook het primair beslissende bestuursorgaan belanghebbende is.” Dit ligt anders indien moet worden aangenomen dat tussen het primaire en het in administratief beroep beslissende bestuursorgaan een bijzondere, politiek-hiërarchische verhouding bestaat, zodanig dat aan het primair beslissende bestuursorgaan geen eigen, van het in beroep beslissende bestuursorgaan te onderscheiden belang toekomt; verwezen zij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 november 2002, JB 2003/5, m. nt. R.J.N.S. Van een dergelijke verhouding is in dit geval echter geen sprake.

Gelet op het voorgaande dient eiser in zijn beroep te worden ontvangen.

3.1.3 De rechtbank heeft de Stichting Jonge Balie Nederland in het vooronderzoek - voorlopig - aangemerkt als belanghebbende. Het belang van de Stichting is vervolgens door eiser betwist. Eiser heeft gesteld dat bij de besluiten tot stageverlenging en de vernietiging daarvan door verweerder, geen sprake is van een aan de statutaire doelstelling van de Stichting Jonge Balie ontleend collectief belang, dat door het bestreden besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, welk belang bovendien los kan worden gezien van dat van de individuele leden, en waarvan de behartiging trekken vertoont van behartiging van bovenindividuele belangen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. De doelstelling van de Stichting Jonge Balie (hierna: Stichting), omschreven in artikel 2 onder a. van haar statuten, luidt: “De Stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van en het bevorderen van de uitoefening van het beroep van advocaat en procureur door de leden van de verenigingen De Jonge Balie, één en ander in de ruimste zin des woords.” Vast staat dat de Stichting gesprekspartner is van verweerder, onder meer inzake rechtspositionele aangelegenheden ter zake van advocaten-stagiairs. Dat sprake is van bovenindividuele belangenbehartiging leidt de rechtbank verder af uit de feitelijke werkzaamheden van de Stichting, zodat zij dient te worden toegelaten als partij bij het geding.

Het geding ten gronde

3.2 De rechtbank ziet zich ten gronde gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. Ook die vraag wordt bevestigend beantwoord. Daartoe is het volgende redengevend.

3.3. Eiser heeft - zakelijk weergeven - als enige beroepsgrond aangevoerd dat verweerder ten onrechte bij het bestreden besluit heeft bepaald dat de toepassing van eisers verlengingsbeleid in geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof dient te worden aangemerkt als het maken van - verboden - direct onderscheid in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna te noemen: Wgb).

3.4 Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

3.5.1 Artikel 2, eerste lid, van de Wgb, voor zover hier van belang, bepaalt:

Het is niet toegelaten onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep (-).

3.5.2 Artikel 2, derde lid, van de Wgb bepaalt:

Elke bepaling van een regeling als bedoeld in het eerste lid, die in strijd is met het in het eerste of tweede lid bepaalde is nietig.

3.5.3 Artikel 1, eerste en tweede volzin, van de Wgb, luiden als volgt:

In deze wet wordt onder onderscheid tussen mannen en vrouwen verstaan direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen.

Onder direct onderscheid wordt mede verstaan, onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap.

3.5.4 Artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet (hierna te noemen: Aw), voor zover hier van belang, bepaalt:

Elke advocaat (-) is verplicht gedurende de eerste drie jaar waarin hij als zodanig is ingeschreven als stagiaire de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een andere advocaat – hierna te noemen de patroon –men bij deze kantoor te houden.

3.5.5 Artikel 9b, tweede lid, van de Aw bepaalt:

Voor stagiaires die in deeltijd werkzaam zijn wordt de duur van de stage naar evenredigheid verlengd. Voorts kan de duur van de stage met ten hoogste drie jaar worden verlengd indien de raad van toezicht van oordeel is dat de stagiaire nog niet over voldoende praktijkervaring beschikt. (-)

3.5.6 Het Amsterdams Balie Bulletin (juli 2001) bevat de schriftelijke weerslag van de door eiser gevolgde gedragslijn (hierna te noemen: het beleid) in geval van stageverlenging:

“Stageverlenging

(-)

Vast beleid van de Raad van Toezicht is dat indien de praktijk langer dan 2 maanden achtereen niet wordt uitgeoefend, de stage verlengd moet worden met de tijd waarmee de periode van 2 maanden [wordt, rb] overschreden.”

3.6.1 Vast staat - en dit wordt ook niet betwist - dat voornoemd beleid mede omvat verlenging van de stageduur in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Vast staat ook dat dit beleid, in zoverre het de stageverlenging in verband met afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof betreft, enkel op vrouwen van toepassing is nu alleen vrouwen zwanger kunnen worden. Nu bovendien deze afwezigheid per definitie langer duurt dan 2 maanden, zodat afwezigheid steeds leidt tot verlenging van de stageduur, kan gelet op het bepaalde in de artikelen 1 en 2 van de Wgb, de toepassing van voornoemd beleid niet anders worden aangemerkt dan als het maken van - verboden - direct onderscheid.

3.6.2 Aan het verboden karakter van dat onderscheid kan niet afdoen hetgeen door eiser naar voren is gebracht, te weten dat uitgangspunt in de Aw is een ‘zuivere speeltijd’ van de advocaat-stagiaire van drie jaar. Eiser doelt daarmee op het belang van een stageperiode van voldoende lengte, welke bij een voltijds-werkweek 40 uren bedraagt. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of eiser aldus een juiste uitleg geeft aan het bepaalde in de Aw – uit de Memorie van Antwoord bij deze bepaling blijkt niet méér dan dat “[a]lleen voor de stagiairs die in deeltijd werken, (-) de duur van de opleiding naar (omgekeerde) evenredigheid wordt verlengd”, MvA, Bijl. Hand. II, 1987-1988, 19 996, nr. 5, p. 10 - gaat deze redenering ook anderszins niet op. Indien al de Aw het maken van direct onderscheid zou voorschrijven, doordat de stageduur van advocaten steeds evenredig moet worden verlengd totdat is voldaan aan de door eiser bedoelde zuivere speeltijd, dan zou de Aw, althans in gevallen van stageverlenging wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, in zoverre wegens strijd met het bepaalde in onder meer de Wgb buiten toepassing moeten blijven.

3.6.3 Ten overvloede wordt opgemerkt dat het voorgaande niet in de weg staat aan het verlengen van de stage van advocaten in verband met afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof. Verlenging mag in zo’n geval - anders dan voornoemd beleid voorschrijft - evenwel geen automatisme zijn. Eiser dient te beoordelen of de stagiaire al dan niet over voldoende praktijkervaring beschikt, zoals bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Aw.

Door eiser is niet aangevoerd dat mr. [belanghebbende] niet over die ervaring beschikt. Namens eiser is ter zitting van verweerder bevestigd dat de mentor van mr. [belanghebbende] heeft verklaard dat mr. [belanghebbende] over voldoende vakbekwaamheid beschikt om in aanmerking te komen voor de stageverklaring.

3.7 Het bestreden besluit houdt gelet op het voorgaande in rechte stand en het beroep zal om die reden ongegrond worden verklaard.

3.8 De rechtbank ziet geen aanleiding tot veroordeling van een der partijen in de proceskosten of om te bepalen dat het griffierecht aan eiser dient te worden vergoed.

3.9 Mitsdien wordt beslist als volgt.

4. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. M.F.J.M. de Werd, voorzitter en mr. A.M. Ruige en

mr. A.C. Loman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Zutphen, griffier,

en openbaar gemaakt op: 17 juli 2005.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll:

DOC: B