Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT9924

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
26-07-2005
Zaaknummer
05/0210
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reinigingsrecht. Schriftelijke toezegging dagelijks bestuur stadsdeel leidt tot het in rechte te beschermen vertrouwen dat de aanslag reinigingsrecht naar het tarief voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen zal worden opgelegd.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/875
FutD 2005-1480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM, nevenzittingsplaats Haarlem

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/210

Uitspraakdatum: 24 juni 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

X

te Z, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij beroepschrift van 20 januari 2005, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 25 januari 2005, heeft eisers echtgenote namens eiser beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van verweerder van 13 januari 2005, waarbij de aan eiser opgelegde aanslag Reinigingsrecht Bedrijfsvuil 2004 is gehandhaafd.

Verweerder heeft op 25 maart 2005 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige belastingkamer in deze rechtbank van 30 mei 2005. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder is verschenen in de persoon van mr. A.

Ter zitting heeft eiser een afschrift van een brief overgelegd, ondertekend door de locatiemanager Stadsdeelwerken en Milieu, locatie Oost, van het Stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, gedateerd 17 mei 1999. Dit afschrift is in het dossier gevoegd.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

Eiser heeft sinds een aantal jaren een eenmanszaak genaamd “BC”, aan de a-straat 1 in het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer van verweerders gemeente.

In 1999 heeft eiser de hiervoor genoemde ter zitting overgelegde brief ontvangen, waarvan de inhoud als volgt luidt:

“(..)

Naar aanleiding van uw verzoek tot wijziging van uw reinigingsrecht, kunnen wij u het volgende mededelen.

Om uw verzoek op juistheid te controleren is er een opzichter van de afdeling reiniging op het adres <a-straat 1> langs geweest. Hij heeft geconstateerd dat in het betreffende pand wel afval wordt geproduceerd en er derhalve gebruik wordt gemaakt van de diensten van de afdeling Reiniging van stadsdeel Oost/Watergraafsmeer. Het afval lijkt alleen in aard en omvang niet op bedrijfsafval, maar op huishoudelijk afval.

Om die reden zullen wij Energie Noord West (ENW) opdracht geven per ommegaande reinigingsrecht in rekening te brengen tegen het huishoudelijk tarief en ons opgave te verstrekken van het bedrag dat u daadwerkelijk heeft betaald vanaf 1 januari 1998 tot heden. Het verschil van de tarieven zult u door ons gerestitueerd krijgen, dit geldt ook voor eventuele rekeningen die u na dagtekening van deze brief ontvangt tegen het bedrijfsafvaltarief.

(..)

hoogachtend,

namens het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost/Watergraafsmeer

(..), locatiemanager Stadsdeelwerken en Milieu, locatie Oost”

Aan het slot van deze brief is vermeld dat daartegen op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) bezwaar openstaat.

Tot en met het jaar 2003 werd het reinigingsrecht bedrijfsvuil in verweerders gemeente maandelijks met toepassing van het maandtarief via de nota’s van het NUON (voorheen ENW) verrekend.

Eiser betaalde over het jaar 2003 een bedrag van ongeveer € 290 aan reinigingsrecht.

Bij brief van 17 december 2003 zijn belanghebbende ondernemers door verweerder geïnformeerd over veranderingen in de uitvoering van de heffing en invordering van het reinigingsrecht bedrijfsvuil. In de desbetreffende brief is onder meer vermeld dat de heffing en invordering met ingang van 1 januari 2004 zal worden uitgevoerd door de gemeentelijke Dienst Belastingen en op de gecombineerde aanslag zal worden vermeld. Ook wordt in deze brief aangekondigd dat meer gedetailleerde informatie over de tarieven van 2004 is te vinden in de Amsterdamse Belastinggids. De Belastinggids 2004 is in januari 2004 verspreid. Deze bevat een overzicht van de tarieven van het reinigingsrecht. Verder is in deze gids onder meer vermeld:

“Elke ondernemer is verantwoordelijk voor het afvoeren van zijn bedrijfsafval. Hij kan hiervoor een particuliere inzamelaar inhuren of het door de gemeente (stadsdeel) laten ophalen.

Indien u als ondernemers kiest voor de gemeente/het stadsdeel en per week niet meer dan 4 hectoliter op straat zet (dit komt ongeveer overeen met 9 vuilniszakken van 40 liter), zal het stadsdeel uw afval inzamelen samen met het huishoudelijk afval. De kosten die hiervoor worden gemaakt, worden in rekening gebracht.”

Eiser is vervolgens aangeslagen voor het reinigingsrecht voor een bedrag van € 812,67 over het jaar 2004. Tegen deze aanslag, gedagtekend 30 april 2004, heeft zijn echtgenote namens hem op 4 mei 2004 bezwaar gemaakt, welk bezwaar door verweerder is ontvangen op 7 mei 2004.

Eiser heeft met ingang van 1 januari 2005 een zogenaamd zakkencontract afgesloten met ICOVA B.V. en biedt vanaf die datum zijn afval ook feitelijk niet langer aan de gemeentelijke inzameldienst aan.

3. Het geschil

In geschil is de vraag of verweerder eiser terecht en naar het juiste bedrag heeft aangeslagen voor het reinigingsrecht bedrijfsvuil 2004.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij er op mocht vertrouwen dat hij, als in het verleden, slechts reinigingsrecht naar het tarief voor huishoudelijk afval verschuldigd zou zijn.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de heffing in het verleden niet in overeenstemming is met de voor 2004 geldende verordening. Afwijking van de bepalingen van die verordening is niet mogelijk, zodat moet worden geheven naar de tarieven geldend voor bedrijfsafval.

4. Beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in 2004 bedrijfsafvalstoffen aan de gemeente heeft aangeboden en dat dit slechts een geringe hoeveelheid en zeker niet meer dan 4 hectoliter per week betrof. Evenmin is weersproken dat eisers afval ook daadwerkelijk door de gemeentelijke inzameldienst is opgehaald. Daarmee is eiser, op grond van het bepaalde in artikel 2 jo. artikel 10 e.v. van de Verordening Afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsvuil stadsdeel Oost/Watergraafsmeer 2004 (verder te noemen: de Verordening) in beginsel over dat jaar reinigingsrecht verschuldigd naar een tarief van € 682,92, exclusief BTW.

In beginsel is de aanslag waar het hier om gaat dus terecht en voor het juiste bedrag opgelegd. Dit kan alleen anders zijn als op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in afwijking van het bepaalde in de Verordening de aanslag op een lager bedrag zou moeten worden vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de inhoud van de hiervoor weergegeven brief van 17 mei 1999 – zelfs gegoten in de vorm van een voor bezwaar vatbaar besluit – aan eiser een ondubbelzinnige, schriftelijk vastgelegde toezegging gedaan, zonder beperking in de tijd, door de destijds bevoegde instantie of althans een ambtenaar die als zodanig door eiser kon worden beschouwd, dat van hem reinigingsrecht zou worden geheven naar het tarief voor huishoudelijk afval. Deze toezegging wordt nog sterker gemaakt doordat deze is gedaan naar aanleiding van een bezwaar van eiser en nadat een opzichter de situatie in de winkel van eiser is gaan bekijken. De rechtbank geeft verweerder na dat die toezegging in strijd zal zijn geweest met de destijds geldende regelgeving, maar onder de hiervoor geschetste omstandigheden kan niet gezegd worden dat deze voor eiser zo duidelijk in strijd was met een juiste regeltoepassing dat eiser in redelijkheid niet op nakoming daarvan kon rekenen.

Vervolgens is ook tot en met 2003 conform deze toezegging gehandeld.

De rechtbank erkent dat het verweerder vrij staat om op eerder gedane toezeggingen terug te komen, zeker wanneer die in strijd met de geldende regelgeving zijn. Een dergelijk terugkomen dient dan wel met de nodige zorgvuldigheid gepaard te gaan. Met name dient voor de betrokkene voldoende duidelijk te zijn dat de specifiek aan hem gedane toezegging per een in de toekomst gelegen moment niet langer zal worden gehonoreerd. Het verstrekken van algemene, niet tot de persoon van eiser gerichte inlichtingen - als in de brief van 17 december 2003, gericht “Aan de geadresseerde” en in de Belastinggids 2004, die, zo begrijpt de rechtbank, eerst in januari 2004 onder ondernemers is verspreid – is niet voldoende om te bewerkstelligen dat eiser niet langer gerechtvaardigd op de hem gedane toezegging kon vertrouwen. Daarvoor is het nodig dat de vertrouwen opwekkende uitlatingen expliciet worden teruggenomen. Ook moet een betrokkene tijdig op de hoogte gesteld worden van het intrekken van een toezegging, zodat hij indien nodig maatregelen ter voorkoming van bijvoorbeeld financiële schade kan nemen. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser, had hij tijdig geweten dat van hem niet langer volgens afspraak geheven zou worden, per 1 januari 2004 het voor hem veel voordeliger contract met ICOVA zou hebben gesloten, zoals hij ook vervolgens per 1 januari 2005 heeft gedaan. Nu niet aannemelijk is geworden dat de vertrouwen wekkende uitlatingen expliciet zijn teruggenomen, gelden deze nog steeds voor het belastingjaar waarover dit geding gaat.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aan eiser opgelegde aanslag wegens strijd met het vertrouwensbeginsel verminderd moet worden en vastgesteld moet worden naar een tarief dat overeenkomt met het tarief voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien. De rechtbank gaat er op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting van uit dat eiser de winkel in zijn eentje drijft. Zij acht het in overeenstemming met de gedane toezegging om de aanslag te verminderen tot een bedrag dat overeenkomt met artikel 5 van de Verordening, waarin is bepaald dat in het geval van afvalstoffenheffing voor het gebruik van een perceel door één persoon per belastingjaar een bedrag van € 221,52 is verschuldigd.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de rechtbank niet gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag reinigingsrecht bedrijfsvuil 2004 met aanslagnummer 00000000 tot een bedrag van € 221,52;

- gelast de gemeente Amsterdam het betaalde griffierecht ad € 37,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.L. Bruinsma. De beslissing is op 24 juni 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Koenis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.