Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT9532

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
AWB 05-27333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de zaak van verzoeker is sprake van een tweetal besluiten waartegen bezwaar is ingesteld:

- Een besluit tot ongewenstverklaring van verzoeker;

- Een besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning als godsdienstleraar ten behoeve van de Stichting Alwaqf Alislami;

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 18
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/338

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/27333

V-nr.: 221.502.3853

inzake: [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1962, van Bosnische nationaliteit, wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 14 juni 2005 heeft verweerder de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning onder de beperking “het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam ten behoeven van de Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven” ingetrokken. Bij ditzelfde besluit heeft verweerder de door verzoeker gedane aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning onder voornoemde beperking afgewezen. Verweerder heeft bij besluit van 15 juni 2005 verzoeker ongewenst verklaard. Een van de rechtsgevolgen van deze besluiten is dat verzoeker na bekendmaking van de besluiten niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat verzoeker Nederland uit eigen beweging binnen 0 uur moet verlaten. Bij bezwaarschriften van 17 juni 2005 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van de besluiten niet op.

2. Bij brief van 16 juni 2005 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de werking van de ongewenstverklaring op te schorten totdat op het bezwaarschrift daartegen is beslist, alsmede de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist tegen de intrekking van de verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam. De gronden van het verzoek zijn ingediend bij brief van 24 juni 2005. De gronden zijn verder aangevuld bij brieven van

28 juni 2005 en 29 juni 2005.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2005. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door mr. P.J. Schüller, kantoorgenoot van verzoekers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [tolk] in de Arabische taal.

4. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. De voorzieningenrechter gaat in deze zaak uit van de volgende feiten.

2. Verzoeker is op 24 juli 1998 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking “arbeid in loondienst, godsdienstleraar”. Deze verblijfsvergunning is telkenmale vrijwel onafgebroken verlengd. Laatstelijk is verzoekers verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf als godsdienstleraar ten behoeve van de Stichting Alwaqf Alislami” verlengd tot 1 april 2005.

3. Op 16 februari 2005 heeft de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) een ambtsbericht met betrekking tot verzoeker uitgebracht. In dit ambtsbericht is - onder meer - het volgende neergelegd:

(...)

“De AIVD heeft vastgesteld dat de moskee Al Fourkaan, stichting Islamitisch Cultureel Centrum, [adres], een centrum is waar het salafisme actief wordt uitgedragen. Het gaat daarbij om de sterk anti-Westerse en anti-integretatieve stroming binnen het salafisme (salafiyya ilmiyya). Onder verwijzing naar de AIVD-nota van dawa tot jihad kan de prediking in Al Fourkaan worden aangeduid als openlijke ‘dawa’: het propageren van exclusivisme en parallellisme die leidt tot radicaal puritanisme. Zoals gesteld in voornoemde nota vormt dit een gevaar voor de democratische rechtsorde en daarmee voor de nationale veiligheid.

(...)

“Vastgesteld is dat [verzoeker] als imam binnen Al Fourkaan één van de meest invloedrijke personen is. Als zodanig is hij direct (mede)verantwoordelijk voor hetgeen hiervoor over Al Fourkaan is gesteld.

[verzoeker] was persoonlijk mede-organisator van islamitische conferenties. De AIVD beschikt over informatie waaruit blijkt dat tijdens deze conferenties personen aanwezig waren die aanwezige jongeren konden aanspreken indien zij op jihad wilden gaan. Ondanks het feit dat de officiële lijn van Al Fourkaan die van de salafiyya ilmiyya is, is ook geconstateerd dat [verzoeker] contacten onderhoudt met jihadistische georiënteerde salafisten.

Op grond van de hiervoor gepresenteerde bevindingen komt de AIVD tot de conclusie dat betrokkene willens en wetens bijdraagt aan het uitdragen van de salafiyya ilmiyya en het propageren van exclusivisme en parallellisme en daarmee mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van voedingsbodem voor radicaal puritanisme en de vatbaarheid voor rekrutering voor de jihad. Tevens kan betrokkene nalatigheid worden verweten wegens het niet bestrijden van de jihadistische elementen en de rekruteringen binnen Al Fourkaan.

Op grond van het voorgaande stelt de AIVD dat betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.”

4. In het individuele ambtsbericht wordt verwezen naar een nota van de AIVD van 9 juni 2004, “Saoudische invloeden in Nederland. Verbanden tussen salafistische missie, radicaliseringsprocessen en islamitisch terrorisme”, gepubliceerd op de internetsite van de AIVD.

Hieronder zijn enkele passages uit deze nota - voor zover hier van belang - opgenomen.

(...)

“Binnen het hedendaags salafisme zijn twee hoofdstromingen te onderkennen. Enerzijds de salafiyya ilmiyya, de brede stroming die het gezag van de aan het Saoudisch koningshuis gelieerde ulema (theologisch schriftgeleerden) erkent. Anderzijds is er de meer selecte salafiyya jihadiyya, welke dit gezag niet erkent en de mondiale jihad tegen zowel het Westen als het Saoudisch koningshuis propageert. De afwijzing van geweld door aan het Saoudische koningshuis loyale salafisme, betekent echter niet dat deze stroming over het algemeen minder fel is in het afkeuren van het Westen.”

(...)

(...)

“De AIVD heeft herhaaldelijk activiteiten vastgesteld, ook (maar niet uitsluitend) in en rond salafistische moskeeën.”

(...)

“Bij de gevallen van rekrutering die de AIVD in en rond die moskeeën heeft onderzocht, is echter wel steeds opnieuw waargenomen dat de rekruteurs hun rekruten op enig moment uit de moskee hadden weggehaald, juist om te voorkomen dat rekruteringspogingen binnen die gemeenschap als zodanig werden onderkend en op weerstand zou stuiten. Isolatie van de gemeenschap bleek vaak het bij uitstek door rekruteurs gezochte middel om de rekruten met succes het proces te laten doorlopen naar jihadisme.”

5. In het voornoemde ambtsbericht wordt eveneens verwezen naar de nota van de AIVD van

23 december 2004 “Van dawa tot jihad: De diverse dreigingen van de radicale islam tegen de democratische rechtsorde.” Deze nota is geplaatst op de internetsite van de AIVD. Diverse begrippen uit het ambtsbericht zijn in deze nota uitgewerkt. Hieronder zijn enkele passages uit de nota van

23 december 2004 - voor zover hier van belang -opgenomen.

(…)

“Bovenstaande notie, dat een democratische rechtsorde zowel een horizontale als een verticale dimensie kent, geeft zicht op mogelijke bedreigingen voor deze rechtsorde. Deze bedreigingen kunnen inwerken op zowel de verhouding tussen overheid en burgers (verticaal), als tussen burgers onderling (horizontaal). Binnen een samenleving waar bijvoorbeeld het geweldsmonopolie van de overheid met voeten wordt getreden, is de democratische rechtsorde in gevaar (bedreiging op verticaal vlak). Binnen een samenleving waar diverse groepen als volstrekte vreemden naast elkaar leven, of waar bepaalde groepen andere uitsluiten, kan een democratische rechtsorde - zeker in de Nederlandse context - slechts moeizaam functioneren (bedreigingen op horizontaal vlak).”

(…)

“Drie subvormen van dit type ‘anti-integretatief radicalisme’ kunnen worden onderscheiden (waarbij de tweede en de derde subvorm een verdergaande radicalisering van de eerste inhouden):

- Radicaal ‘isolationisme’, waarbij groepen zich in zeer sterke mate afzijdig houden van het maatschappelijk en politiek leven.

- Radicaal ‘exclusivisme’, waarbij het terugtrekken uit de samenleving gepaard gaat met sterke discriminatoire uitingen naar de rest van de samenleving of groepen daarvan (verkettering, demonisering, samenzweringstheorieën, vijandsbeelden).

- Radicaal ‘parallellisme’, waarbij niet alleen het terugtrekken uit de samenleving wordt gepredikt maar ook een parallelle samenleving binnen de omringende samenleving wordt voorgestaan met parallelle machtsstructuren en eigenrichting.”

(...)

“Het tweede type radicale islam benadrukt het verzet tegen de westerse culturele overheersing. De focus ligt in eerste instantie op de ‘verderfelijke’ westerse levensstijl die wordt beschouwd als een bedreiging voor de ‘zuivere islam’. Dit type kan worden omschreven als radicaal-islamitisch puritanisme.”

(...)

“Als alternatief voor de gehate westerse samenleving stellen zij zich een maatschappelijke orde voor die gebaseerd is op de islamitische ‘zeden’, zoals voorgeschreven in de sharia. In de hedendaagse radicale islam manifesteert dit radicaal puritanisme zich binnen stromingen als ‘salafisme’ of ‘wahhabisme’, waar sterk de nadruk wordt gelegd op de ‘zuivering’ van de islam van ‘ketterse’ invloeden.”

(...)

“Vormen van radicale islam die een totaal ander samenlevingstype (andere intermenselijke verhoudingen) nastreven dan de westerse ‘civic culture’, daarbij gebruik makend van openlijke en geweldloze middelen (openlijke dawa).”

(...)

“Zij verzetten zich tegen het in het Westen gepropageerde vrijheidsideaal, tegen gelijke rechten voor man en vrouw, enzovoort. Realisering van deze doelstellingen kan zonder meer als een dreiging worden gekarakteriseerd voor de horizontale dimensie.”

6. Op basis van het individuele ambtsbericht heeft verweerder op 21 februari 2005 aan verzoeker schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen om zijn verblijfsvergunning onder de beperking “het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam ten behoeve van de Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven” in te trekken evenals hem op grond van artikel 67, eerste lid, onder c en e van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. Bij brief van 7 maart 2005 heeft verzoeker zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht.

7. Bij brief van 6 april 2005 heeft verweerder naar aanleiding van de zienswijze van verzoeker een viertal vragen aan de AIVD voorgelegd met betrekking tot het ambtsbericht.

Bij brief van 27 april 2005 heeft de AIVD hierop gereageerd. In deze reactie is – onder meer – het volgende neergelegd:

(...)

“Volgens betrokkenen komen delen van de ambtsberichten niet overeen met de uitspraken van het hoofd van de AIVD in het televisieprogramma Zembla (10 februari 2005) en delen van het jaarverslag van de AIVD. In Zembla heeft het hoofd van de AIVD letterlijk gezegd “dat een aantal imams in Nederland de afgelopen jaren (...) hun toon naar beneden hebben bijgesteld”. In het jaarverslag van de AIVD van 2003 wordt gesteld dat “deze personen” (een verwijzing naar “vertegenwoordigers van het salafisme”) “zich publiekelijk gematigder uitlaten dan in het verleden” (pagina 35). Van strijdigheid met de ambtsberichten is echter geen sprake aangezien uitspraak en citaat niet alle imams betreffen en evenmin alle uitlatingen; het uitdragen van een bepaald gedachtegoed gebeurt immers niet altijd publiekelijk.

Ook betogen betrokkenen in hun zienswijze dat de ambtsberichten strijdig zijn met de stelling in de AIVD nota “Saoudische invloeden in Nederland” dat niet is gebleken dat een bepaalde preek van een imam als directe katalysator heeft gefungeerd bij de ontwikkeling naar het jihadisme. Ook op dit punt is de bewering van betrokkenen onterecht en is van strijdigheid geen sprake. In zowel de nota “Saoudische invloeden in Nederland” als de nota “Van dawa tot jihad” wordt verband tussen prediking van het salafistisch gedachtegoed en het ontstaan van de voedingsbodem voor jihadisme en vatbaarheid voor rekrutering uiteengezet. In beide nota’s valt te lezen dat dit verband niet terug te voeren is op het houden van één preek door een imam.

Verder plaatsen betrokkenen vraagtekens bij het feit dat de imams nalatigheid wordt verweten wegens het niet bestrijden van de jihadistische elementen en rekruteringen, terwijl uit andere publicaties van de AIVD zou blijken dat rekrutering vooral buiten moskeeën plaatsvindt. In de ambtsberichten staat inderdaad dat “is vastgesteld dat rekruteurs zich in het verleden hebben gericht op de radicale onderstroom van de Al Fourkaan, daarbij gebruik makend van het feit dat zij nauwelijks tot geen weerstand ondervonden van bestuur en imams.”

Ik wil er op wijzen dat deze bevinding, die gebaseerd is op uitvoerig onderzoek door de AIVD, niet strijdig is met de constatering in andere publicaties van de dienst dat rekrutering vooral buiten moskeeën plaatsvindt.”

8. Verweerder heeft ter zitting laten weten geen gebruik gemaakt te hebben van de door de AIVD op basis van artikel 40, derde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV) geboden mogelijkheid om inzage te hebben in de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht.

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Standpunt verweerder

1. Verweerder stelt zich in het besluit van 14 juni 2005 op het standpunt dat voornoemd ambtsbericht aanleiding geeft om de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam in te trekken en acht hiertoe het volgende redengevend.

1.1. Het standpunt van verzoeker in zijn zienswijze dat hij behoort tot de zogenaamde “salafiyya ilmiyya”, een stroming die een vreedzaam salafisme uitdraagt, gaat niet op. In de AIVD-nota “Saoedische invloeden in Nederland” van 9 juni 2004 is neergelegd dat de grens tussen de salafiyya ilmiyya en de salafiyya jihadiyya niet altijd scherp te trekken is. Er is volgens de AIVD dan ook een direct verband aan te geven tussen het hedendaagse salafisme en de radicaliseringprocessen binnen sommige geledingen van de moslimgemeenschappen in Nederland. Verzoekers standpunt dat hij altijd dezelfde interpretatie van de islam heeft voorgestaan en uitgedragen terwijl zijn preken nooit aanleiding zijn geweest voor overheidsmaatregelen vormt geen aanknopingspunt om niet van de juistheid van de conclusie van het ambtsbericht, dat verzoeker een gevaar is voor de nationale veiligheid, uit te gaan. Evenmin vormt de omstandigheid dat verzoeker een cursus Nederlands heeft gevolgd en dat er in de Al Fourkaan moskee conferenties in de Nederlandse taal worden gegeven een dergelijk aanknopingspunt. Het uitdragen van een bepaald gedachtegoed vindt immers niet altijd publiekelijk plaats.

1.2. Verzoeker heeft in zijn zienswijze verder aangegeven dat de constateringen van de AIVD in het ambtsbericht innerlijk tegenstrijdig zijn en dat er in het ambtsbericht sprake is van vele voorbehouden bij het verband tussen salafisme enerzijds en ongewenste tendensen, en zelfs strafbare feiten, anderzijds. Voorts is er volgens verzoeker sprake van tegenstrijdigheid tussen het ambtsbericht enerzijds en uitlatingen van het [hoofd van de AIVD], in het televisieprogramma Zembla van 10 februari 2005 en het jaarverslag van de AIVD van juni 2004 anderzijds. Uit de reactie van de AIVD (zie onder rechtsoverweging II.) van 27 april 2005 blijkt dat het individuele ambtsbericht van verzoeker het resultaat is van een zorgvuldig doorlopen procedure en dat er geen sprake is van tegenstrijdigheden. Uit de eerder genoemde AIVD-nota van 9 juni 2004 blijkt dat door salafistische moskeeën reizende predikers werden en worden uitgenodigd om in Nederland als gastspreker op te treden. De reeds genoemde Alwaqf Alislami belegt jaarlijks conferenties. Het betreft hierbij deels imams afkomstig uit overwegend islamitische landen, die er radicaal-islamitische opvattingen op nahouden en deze tijdens hun gastoptredens actief uitdragen. Het standpunt van verzoeker dat hij pas actief weerstand kan bieden aan rekruteurs die zich op radicale onderstromen in de Al Fourkaan richten indien hij hiervan op de hoogte is, leidt evenmin tot een ander oordeel met betrekking tot verzoeker dan neergelegd in het ambtsbericht. Verzoeker heeft, als organisator en als lid van de genoemde stichting Alwaqf Alislami er voor gezorgd dat imams, die er radicaal-islamitische opvattingen op nahouden, als gastspreker optraden.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) dient een ambtsbericht te worden aangemerkt als een deskundigenbericht. Het ambtsbericht dient daartoe op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verstrekken, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen waaraan deze is ontleend. Eerst bij concrete aanknopingspunten die twijfel doen ontstaan aan de juistheid of volledigheid hiervan, dient de Minister met betrekking tot het ambtsbericht een nader onderzoek in te stellen. Dat een ambtsbericht van de AIVD ook als een deskundigenadvies kan worden aangemerkt blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Roermond, van 11 oktober 2004 (AWB 01/65383 en AWB 02/15194). Het Gerechtshof Den Haag (NJ 2004, 432) heeft in haar uitspraak van 21 juni 2004 geconcludeerd dat van de door de AIVD rechtmatig verkregen informatie mag worden uitgegaan. Verzoeker heeft in zijn zienswijze geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de juistheid en de volledigheid van het ambtsbericht van 16 februari 2005.

1.3. De opmerking van verzoeker in de zienswijze dat er een definitie of criterium ontbreekt waarmee de grenzen van het begrip nationale veiligheid worden afgebakend, maakt het vorenstaande niet anders. Uit de Wijziging Vreemdelingencirculaire 2005/25 blijkt dat gevaar voor de nationale veiligheid per geval wordt beoordeeld. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling. Er dienen wel concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Hierbij dient in de eerste plaats gedacht te worden aan een ambtsbericht van de AIVD. De verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 juni 2002 ( [A.-N.], JV 2002/239), maakt dit niet anders. In deze uitspraak is immers tevens opgenomen dat het vereiste van “voorzienbaarheid” niet zo ver gaat dat het de overheid dwingt om juridische voorzieningen te treffen waarin alle gedrag dat tot uitzetting vanwege nationale veiligheid kan leiden, gedetailleerd is neergelegd.

1.4. In tegenstelling tot wat verzoeker in zijn zienswijze naar voren brengt, wordt in het ambtsbericht niet geconcludeerd dat het salafisme op zich een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Volgens het ambtsbericht vormt verzoeker een gevaar voor de nationale veiligheid door de manier waarop hij het salafisme uitdraagt. Verzoeker is als imam een invloedrijk man in de Al Fourkaan moskee, een moskee die volgens het ambtsbericht een broedplaats is voor radicalisering. Anders dan verzoeker stelt, is er dan ook geen sprake van strijdigheid met artikel 9 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker is vrij zijn godsdienst in Nederland te belijden. Hierbij geldt wel dat de grondrechten van anderen niet in het geding mogen komen. Uit het individuele ambtsbericht blijkt echter dat verzoeker een gevaar vormt voor de rechten en vrijheden van anderen. Niet valt in te zien dat hier sprake is van schending van het noodzakelijkheidsvereiste dan wel van disproportionaliteit.

In overeenstemming met het geformuleerde in paragraaf 122 in de uitspraak van het EHRM van

22 juni 2002, heeft de intrekking c.q. niet verlenging van verzoekers verblijfsvergunning een wettelijke basis en kunnen hiertegen rechtsmiddelen worden aangewend. Verder zijn de taken en bevoegdheden van de AIVD vastgelegd bij de WIV.

1.5. De passage uit het door verzoeker genoemde rapport van de International Crisis Group van september 2004, waarin met betrekking tot Indonesië wordt gesteld dat juist salafistische imams goed tegenwicht kunnen bieden aan radicaliseringstendensen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook verzoekers stelling dat het niet verlengen van zijn verblijfsvergunning nu juist de woede en onbegrip onder jongeren zal vergroten en dus zal bijdragen aan radicalisme, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het ambtsbericht blijkt immers dat verzoeker geen tegenwicht kan bieden aan dergelijke tendensen.

1.6. Er is geen sprake van strijdigheid met artikel 14 van het EVRM. De redenering van verzoeker dat bij het garanderen van het recht op vrijheid van godsdienst ten onrechte onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit aangezien ten aanzien van Nederlandse imams niet wordt opgetreden, wordt niet gevolgd. Verzoeker vormt op grond van zijn eigen gedrag een actueel gevaar voor de nationale veiligheid.

1.7. Er is weliswaar sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen verzoeker, zijn echtgenote en hun vier kinderen, maar van inmenging is geen sprake. De echtgenote van verzoeker heeft immers geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. De aan haar verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd was namelijk geldig tot 1 april 2005. Door de echtgenote van verzoeker is geen verlengingsaanvraag ingediend. Bij de beoordeling of er sprake is van een positieve verplichting valt de belangenafweging in het nadeel van verzoeker en zijn gezin uit, nu de nationale veiligheid in het geding is. Niet gebleken is van een objectief beletsel om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

2. Verweerder stelt zich in het besluit van 15 juni 2005 op het standpunt dat het ambtsbericht van

16 februari 2005 aanleiding vormt om verzoeker ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000.

2.1. Uit hetgeen geconcludeerd wordt in het recente ambtsbericht van de AIVD met betrekking tot verzoeker (zie hetgeen is neergelegd onder II.3) valt af te leiden dat het persoonlijke gedrag van verzoeker in zijn rol van imam een gevaar voor de nationale veiligheid vormt.

2.2. De motivering van dit besluit is identiek aan die van het besluit van 14 juni 2005, voor zover het betreft de rechtsoverwegingen III 1.1 tot en met III 1.7.

2.3. Uit resolutie 1373 (2001) van de Verenigde Naties komt naar voren dat terroristen geen “safe haven” mag worden verschaft, alsook dat staten maatregelen treffen om de bewegingsvrijheid van terroristen door effectieve grensbewaking aan banden te leggen. Tot slot wordt nog gewezen op de bijzondere verplichting die Nederland jegens de overige lidstaten heeft met de invoering van het Akkoord van Schengen om het gemeenschappelijk grondgebied te vrijwaren van personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.

3. Ter zitting heeft verweerder in aanvulling op het bestreden besluit het volgende naar voren gebracht.

3.1. Bij de vrijspraken in het Rotterdamse Jihadproces mag niet uit het oog verloren worden dat in die strafzaak is beslist dat de AIVD-rapportages en de grondslagen daarvan niet mochten bijdragen aan het bewijs in die zaken. De uitspraak kan dan ook niet geïnterpreteerd worden als een algemeen werkende diskwalificatie van de AIVD-rapportages.

3.2. In de brief van 27 april 2005 wijst het plaatsvervangend hoofd van de AIVD op de mogelijkheid voor de bestuursrechter van kennisneming van de onderliggende stukken. Een dergelijk onderzoek ziet het plaatsvervangend hoofd met vertrouwen tegemoet.

3.3. In het kader van artikel 8 van het EVRM maakt verzoeker ten onrechte de tegenstelling publiek/privé. In de rapportage van de AIVD wordt publiekelijk omschreven als in de moskee en bij grote bijeenkomsten. Dat betekent geenszins dat verzoeker niet anderszins in zijn hoedanigheid van imam invloed heeft uitgeoefend.

3.4. Het beroep in bezwaar op artikel 6 van het EVRM faalt aangezien uit het arrest van 5 oktober 2000 van het EHRM (JV 2000/264) blijkt dat dit artikel niet van toepassing is omdat geen sprake is van de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen, noch van ingestelde vervolging.

3.5. Het is aan de wederpartij van het bestuursorgaan om te beslissen of de rechter mede op grondslag van de achtergehouden of geheimgehouden inlichtingen of stukken uitspraak kan doen. Aan het onthouden van die toestemming dienen consequenties te worden verbonden.

Standpunt verzoeker

4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen en acht hiertoe - voor zover dit het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning als godsdienstleraar/imam betreft - het volgende redengevend.

4.1. In het bestreden besluit wordt gesteld dat niet het salafisme maar verzoeker een gevaar voor de nationale veiligheid vormt, omdat de vorm van salafisme die hij uitdraagt tot intolerantie en tendensen om de islamitische wet boven de Nederlandse te stellen, leidt. Dit standpunt is echter op geen enkele wijze terug te voeren op de AIVD-informatie waar het bestreden besluit op is gebaseerd. Verzoeker heeft nooit een strafbaar feit gepropageerd, laat staan geweld en wordt in het ambtsbericht dan ook geschaard onder de salafiyya ilmiyya, de vreedzame van de twee stromingen binnen het salafisme. Van enig verschil tussen de prediking van verzoeker en de salafiyya ilmiyya geeft de bron van het besluit, het ambtsbericht, noch enige nota van de AIVD blijk.

4.2. In de AIVD nota van “dawa tot jihad” van december 2004 wordt de openlijke dawa waar verzoekers prediking onder wordt geschaard, aangemerkt als gericht op de horizontale dimensie van een democratische rechtsorde. Deze nota stelt verder dat bedreigingen op horizontaal vlak niet de democratische rechtsorde in gevaar brengen, maar deze slechts moeizaam doen functioneren. De constatering van de AIVD in het individuele ambtsbericht dat de openlijke dawa, en dus verzoekers predikingen een gevaar vormen voor de nationale veiligheid staat dus haaks op de AIVD-nota van december 2004.

4.3. Verweerder heeft in zijn brief van 6 april 2005 naar aanleiding van de zienswijze van verzoeker slechts een beperkt aantal vragen aan de AIVD voorgelegd. Veel aangevoerde aanknopingspunten voor twijfel aan het ambtsbericht ontbreken, waaronder de vragen, waarom er geen REK-check is uitgevoerd, waarom het ambtsbericht geen enkele informatie over concrete predikingen bevat, en het feit dat de in 2002 van rekrutering verdachte personen zijn vrijgesproken.

4.4. De door de AIVD gegeven antwoorden kunnen de door verzoeker opgeworpen aanknopingspunten voor onjuistheid van het ambtsbericht niet weerleggen.

Wat de reactie van de AIVD bijvoorbeeld niet vermeldt, is waarom het “bijstellen van de toon van de imams” niet voor verzoeker zou gelden. Onduidelijk is waarop de AIVD doelt met de opmerking: “dat een bepaald gedachtegoed niet altijd publiekelijk wordt uitgedragen.” Het privé uitdragen van een bepaald gedachtegoed kan immers per definitie geen bedreiging voor de nationale veiligheid zijn. Verwezen wordt hierbij naar een uitspraak van het EHRM van 13 februari 2003.

De reactie van de AIVD dat het verband tussen het salafistisch gedachtegoed en het ontstaan van de voedingsbodem voor jihadisme niet is terug te voeren op het houden van één preek door een imam weerspreekt niet verzoekers stelling dat de preken van verzoeker geen katalysator zijn geweest bij de ontwikkeling van het jihadisme.

Verzoeker kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor eventuele uit z’n verband gerukte, onjuiste interpretaties van zijn preken door derden. Hierbij wordt verwezen naar hetgeen met betrekking tot de eventuele effecten van preken is opgenomen op pagina 7 van de nota van de AIVD “Saoudische invloeden in Nederland” van 7 juni 2004.

Uit dezelfde AIVD-nota van 7 juni 2004 blijkt dat rekrutering met name buiten de moskeeën plaatsvindt. Dit wordt in de antwoorden van de AIVD van 27 april 2005 niet weersproken. In de reactie van de AIVD wordt niet uitgesloten dat binnen Al Fourkaan in het geheel niet gerekruteerd is.

4.5. Conclusie is dat de AIVD-informatie het bestreden besluit niet kan dragen zonder in strijd te komen met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

4.6. De motivering van het standpunt dat het ontbreken van strafrechtelijke maatregelen niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of verzoeker een gevaar voor de nationale veiligheid vormt, is onvoldoende draagkrachtig, nu een strafrechtelijke procedure essentieel verschilt van het vreemdelingenrechtelijke traject.

4.7. Het ambtsbericht van 16 februari 2005 concludeert wel degelijk dat het salafisme "an sich" (en niet zozeer verzoekers manier van uitdragen hiervan) strijdig is met de nationale veiligheid. Dit levert strijd op met de vrijheid van godsdienst, zoals neergelegd in artikel 9 van het EVRM.

4.8. Bij het garanderen van het recht op vrijheid van godsdienst wordt ten onrechte onderscheid gemaakt naar nationaliteit aangezien ten aanzien van Nederlandse imams niet wordt opgetreden en ten opzichte van buitenlandse imams wel. Dit levert strijd op met artikel 14 jo. artikel 9 van het EVRM.

4.9. Artikel 8 van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn of haar privé-leven. Het nemen van vreemdelingenrechtelijke maatregelen vanwege uitlatingen die in de privé-sfeer zijn gedaan, is daarop een inbreuk. Dat privé-uitlatingen een bedreiging voor de openbare orde/of nationale veiligheid kunnen vormen, wordt in het bestreden besluit gesteld noch onderbouwd. Reeds om die reden is het besluit in strijd met artikel 8 van het EVRM.

4.10. Verweerder heeft nagelaten om te checken of het ambtsbericht zorgvuldig tot stand is gekomen, terwijl de AIVD hier in haar reactie van 27 april 2005 uitdrukkelijk heeft aangegeven bereid te zijn om inzage in de stukken te verlenen. Verweerder voldoet aan deze verplichting bij ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken door een zogenaamde REK-check uit te voeren. Iets dergelijks geldt ook voor adviezen van het Bureau Medische Advisering en leeftijdsonderzoeken. Een dergelijk onderzoek dient plaats te vinden voordat het deskundigenadvies aan het besluit ten grondslag wordt gelegd. De objectiviteit en onpartijdigheid van de deskundige zijn immers in het geding. De preken van verzoeker zijn door de AIVD namelijk niet verstrekt. De AIVD heeft hier alleen samenvattingen en conclusies van gegeven en deze vervolgens geïnterpreteerd. De ambtsberichten zijn tot stand gekomen onder publicitaire en politieke druk, onder welke druk de AIVD een eigen keuze heeft gemaakt bij de interpretatie van de preken van verzoekers. Een keuze die in strijd is met de interpretatie en de bedoelingen, die verzoeker zelf aan zijn preken geeft.

Uit de brief van verweerder van 6 april 2005 kan worden afgeleid dat verweerder de noodzaak van de vergewisplicht onderschrijft. Uit jurisprudentie van de AbRS (6 augustus 2004, JV 2004/447) blijkt dat de volgende vragen door verweerder beantwoord moeten worden:

- Is het advies op grond van voldoende onpartijdige, objectieve en (zo mogelijk) kenbare informatie tot stand gekomen?

- Is het advies geformuleerd op een inzichtelijke wijze, waardoor aannemelijk is dat de conclusie kan worden gedragen door het onderzoek?

- Geven de bewoordingen van het advies anderszins geen aanleiding tot twijfel over de juistheid van de conclusie?

Verweerder dient derhalve alsnog een REK-check te laten uitvoeren ten aanzien van het individuele ambtsbericht.

4.11. In het kader van zijn onderzoeksverplichting had verweerder de AIVD moeten vragen naar concrete preken van verzoeker waaruit gevaar voor nationale veiligheid zou blijken.

4.12. Nu er sprake is van een ambtshalve genomen beslissing ligt de bewijslast bij verweerder. In verzoekers geval is sprake van een zogenaamde “punitatieve sanctie", nu hem zijn verblijfsrecht is ontnomen. Het ligt daarom op de weg van verweerder om de door hem gestelde feiten te voorzien van een goede onderbouwing. Hier is in het bestreden besluit geen sprake van. Het wordt verzoeker derhalve onmogelijk gemaakt om verweer te voeren. Verzoeker heeft evenwel preken overgelegd die verdere aanknopingspunten zouden kunnen bieden om aan de juistheid van de AIVD-informatie te twijfelen.

4.13. Als verzoeker niet de gelegenheid krijgt om de stukken die aan het ambtsbericht ten grondslag liggen in te zien, heeft hij geen gelegenheid zich uit te laten over de juistheid en de volledigheid hiervan. Verwezen wordt naar de zaak [A.-N.] van het EHRM van 20 juni 2002 en de zaak [M./F.] van het EHRM van 18 maart 1997 (21497/93, Report 1997-II). Uit deze uitspraken vloeit voort dat op grond van artikel 13 EVRM een procedure op tegenspraak mogelijk moet zijn. Dit is hier niet het geval nu verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld om het ambtsbericht gemotiveerd te betwisten.

5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van 15 juni 2005 eveneens dient te worden toegewezen zodat zijn ongewenstverklaring moet worden opgeschort.

5.1. Voor wat betreft de onderbouwing van dit standpunt wordt aangesloten bij het standpunt zoals neergelegd in de rechtsoverwegingen III.3.1 tot en met III.3.14.

5.2. In aanvulling hierop is aangevoerd dat verweerders verwijzing naar de resolutie 1373 (2001) van de Verenigde Naties van 29 oktober 2001 het besluit niet kan dragen nu verzoeker niet is aangemerkt als terrorist.

6. Ter zitting heeft verzoeker in aanvulling op de gronden van het verzoekschrift het volgende naar voren gebracht.

6.1. De vergelijking die verweerder maakt tussen de uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Roermond, van 11 oktober 2004 en de hierop volgende uitspraak van de AbRS van 26 januari 2005, en de onderhavige zaak gaat niet op nu uit de Roermondse uitspraak niet kan worden afgeleid of er al dan niet een REK-check heeft plaatsgevonden.

6.2. Artikel 6 van het EVRM is in het onderhavige geval wel degelijk van toepassing. Dit valt onder meer af te leiden uit de uitspraak van het EHRM van 24 oktober 1989 (H. v France 10073/82).

6.3. Desgevraagd heeft verzoeker aangegeven de voorzieningenrechter geen toestemming te verlenen om de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht in te zien. Verzoeker stelt zich hiertoe op het standpunt dat het in eerste instantie op de weg van verweerder ligt om nader onderzoek te verrichten. Het op dit moment al aan de voorzieningenrechter toestemming tot inzage verlenen, zou derhalve prematuur zijn.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorzieningen te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onver-wijlde spoed, gelet op de betrok-ken belan-gen, dat ver-eist. In het kader van deze belangenafweging speelt een rol de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2. Het wettelijk kader is het volgende.

2.1. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 kan worden ingetrokken op de in artikel 18 van de Vw 2000 genoemde gronden. Verweerder heeft de intrekking van verzoekers verblijfsvergunning gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, het openbare orde en nationale veiligheidscriterium.

2.2. Ingevolge artikel 67, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.

2.3. Artikel 87, eerste lid, van de WIV bepaalt - voor zover hier van belang - dat in bestuursrechtelijke procedures inzake de toepassing van deze wet of de Wet Veiligheidsonderzoeken waarbij de Minister van Binnenlandse Zaken door de rechtbank ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de Awb wordt verplicht tot het verstrekken van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken, blijft artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van die wet buiten toepassing. Indien de Minister van Binnenlandse Zaken de rechtbank meedeelt dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken, kan de rechtbank slechts met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van die inlichtingen of stukken uitspraak doen. Indien Onze betrokken Minister het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van stukken weigert, blijft artikel 8:31 van de Awb van toepassing.

3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de onderhavige besluiten - met uitzondering van de beslissing de verblijfsvergunning niet te verlengen - door verweerder ambtshalve genomen belastende beschikkingen betreffen; het is dan in beginsel aan verweerder om de feiten en omstandigheden waarop de besluiten zijn gebaseerd aan te voeren en aannemelijk te maken. Verweerder heeft aan deze bewijslast invulling gegeven door de besluiten te baseren op het door de AIVD uitgebrachte individueel ambtsbericht van 16 februari 2005, waarin ten aanzien van verzoeker wordt geconcludeerd dat hij in zijn functie van imam in de Al Fourkaan moskee een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Voorts wordt in de besluiten verwezen naar twee nota’s van de AIVD, te weten de nota van 23 december 2004: “Van dawa tot jihad: De diverse dreigingen van de radicale islam tegen de democratische rechtsorde.” en de nota van 9 juni 2004, “Saoudische invloeden in Nederland. Verbanden tussen salafistische missie, radicaliseringsprocessen en islamitisch terrorisme”

4. De onderbouwing van de feiten en de conclusies neergelegd in voornoemd individueel ambtsbericht wordt gevormd door onderliggende stukken, alsmede de voornoemde twee nota’s van de AIVD. Verweerder is bij schrijven van het hoofd van de AIVD van 27 april 2005 in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de onderliggende stukken, maar heeft van dit aanbod tot op heden geen gebruik gemaakt. De AIVD heeft in dezelfde brief van 27 april 2005 laten weten dat de mogelijkheid bestaat de bestuursrechter op basis van artikel 8:29 van de Awb jo. artikel 87 van de WIV - op voorwaarde van geheimhouding - kennis te laten nemen van de onderliggende stukken om zich zodoende een oordeel te vormen met kennis van alle relevante achterliggende feiten en omstandigheden. Ook de Minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter, indien deze van oordeel is dat de wet dit toestaat, kennis kan gaan nemen van de stukken voor zover hij dat voor de beoordeling van de zaken noodzakelijk acht. Desgevraagd heeft verzoeker ter zitting zich op het standpunt gesteld dat de wet een dergelijke mogelijkheid niet kent in een voorzieningenprocedure. Mocht de rechtbank hem niet in dit standpunt volgen dan wordt in deze fase van de procedure geen toestemming gegeven voor kennisname van de onderliggende stukken door de voorzieningenrechter. Verzoeker betoogt hiertoe dat het in eerste instantie op de weg van verweerder ligt om nader onderzoek naar deze stukken te verrichten. Het op dit moment reeds kennisnemen van de stukken door de voorzieningenrechter zou derhalve prematuur zijn.

5. De voorzieningenrechter kan verzoeker hier in zoverre in volgen dat gegeven de aard van een voorzieningenprocedure, waarbij de gegeven spoedeisendheid maatgevend is voor de inrichting van deze procedure, gebruikmaking van artikel 8:29 van de Awb binnen deze procedure niet voor de hand ligt. Echter, deze ratio gaat niet zover dat gebruikmaking van artikel 8:29 van de Awb in deze procedure op voorhand moet worden uitgesloten. De wet kent geen concrete verwijzing, maar sluit gezien de toepasselijkheid van menig overig artikel uit hoofdstuk acht van de Awb in de voorzieningenprocedure, eveneens zonder schakelbepaling, toepassing van artikel 8:29 van de Awb evenmin uit, waarbij de flexibiliteit die vanwege de spoedeisendheid eveneens eigen is aan een voorzieningenprocedure juist kan geven dat gebruikmaking van artikel 8:29 van de Awb geraden is. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding de procedure bedoeld in artikel 8:29 van de Awb van overeenkomstige toepassing te achten op verzoeken om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Dit standpunt vindt bevestiging in een uitspraak van de voorzitter van de AbRS van 30 december 1999 (JB 2000/47).

6. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de voorzieningenrechter, nu verzoeker zijn toestemming tot kennisname van de onderliggende stukken heeft onthouden op grond van artikel 8:31 van de Awb daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen noch hij kennis dragen van de inhoud van de onderliggende stukken die aan het individuele ambtsbericht ten grondslag liggen. De bestreden besluiten zullen dan ook moeten worden beoordeeld op basis van de door verweerder gegeven kenbare onderbouwing. In dit kader is het antwoord van belang of het individuele ambtsbericht moet worden aangemerkt als deskundigenbericht. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, bepaalt dit het kader waarbinnen moet worden beoordeeld of verweerder mag uitgaan van de juistheid van het ambtsbericht en mogen voorts zwaardere eisen worden gesteld aan de betwisting hiervan door verzoeker.

De voorzieningenrechter volgt verweerder in diens standpunt dat het individuele ambtsbericht moet worden aangemerkt als deskundigenbericht. Daartoe wordt verwezen naar de onderbouwing van dit standpunt door verweerder zoals bovenstaand is weergegeven onder rechtsoverweging III 1.2.

8. Kern van het betoog van verweerder is dat van de juistheid van de inhoud van het individuele ambtsbericht, als deskundigenbericht, moet worden uitgegaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid, hetgeen niet het geval is.

Verzoeker heeft de juistheid en volledigheid van het individuele ambtsbericht gemotiveerd betwist, zoals weergegeven onder rechtsoverweging III. 4 en verder. Voorts heeft hij verweerder verzocht de beschuldiging meer concreet te maken om verweer hiertegen mogelijk te maken. Ten slotte heeft verzoeker verweerder gevraagd aan de Minister van Binnenlandse Zaken nadere vragen te stellen, eveneens tot doel hebbende aanknopingspunten te verkrijgen tot het voeren van verweer. Een aantal van de argumenten die verzoeker heeft aangevoerd tegen het individuele ambtsbericht, zoals de omstandigheid dat de conclusies met enig voorbehoud en in zekere mate onbepaald zijn geformuleerd, dat publieke uitlatingen van (de directeur van) de AIVD dat imams van de Al Fourkaan moskee in preken de laatste tijd hun toon hebben gematigd in strijd zijn met hetgeen is overwogen in het individuele ambtsbericht, alsmede het argument dat de conclusies lijken te zijn gebaseerd op het kwalificeren van de door verzoeker uitgedragen salafiyya ilmiyya als staatsgevaarlijk, hetgeen verzoeker in strijd acht met de artikelen 9 en 14 van het EVRM, stuiten volgens verweerder alle af op individueel handelen van verzoeker, met welk handelen hij zich onderscheidt van andere imams en welk handelen moet blijken uit de onderliggende stukken. Het louter uitdragen van het salafisme wordt verzoeker niet verweten.

9. De staat is gerechtigd om ter bescherming van bepaalde belangen niet alle gegevens ter beschikking van de wederpartij te stellen. Dit beginsel heeft zijn weerslag onder meer gevonden in artikel 8:29 van de Awb. In het onderhavige geval, waarbij sprake is van AIVD-informatie, speelt voornoemde bescherming van onderliggende gegevens een bijzondere rol, hetgeen zich heeft vertaald in artikel 87 van de WIV. Waar onder artikel 8:29 van Awb de rechter nog kan bepalen of geheimhouding gerechtvaardigd is, is deze toets ten aanzien van AIVD-informatie komen te vervallen. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker op geen enkel moment in deze procedure de beschikking krijgt over (delen van) de onderliggende stukken, hetgeen het voeren van gemotiveerd verweer uiteraard bemoeilijkt. Bij deze stand van zaken dient verweerder verzoeker te compenseren voor diens nadelige procespositie indien en voor zover verzoeker op basis van de hem kenbare feiten voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht heeft gegeven, waarbij vanwege de nadelige positie waar verzoeker in verkeert, aan de invulling van dit criterium niet te hoge eisen mogen worden gesteld. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter met diens betwisting, zoals weergegeven in deze uitspraak onder rechtsoverweging III.4.1 tot en met rechtsoverweging III.4.4. aan voornoemd criterium voldaan.

De compensatie kan zijn gelegen in het stellen van nadere vragen door verweerder aan de AIVD in de bezwaarfase (en dus aanvullend op de eerdere vragen), maar zeker door het uitvoeren van de REK-check, in die zin dat verweerder vanuit zijn eigen deskundigheid vaststelt of de onderliggende stukken de conclusies uit het ambtsbericht kunnen schragen. Verweerder heeft hier, ook in het geval van een deskundigenbericht, een eigen verantwoordelijkheid alvorens een besluit te nemen en dit in rechte te verdedigen en kan zich in dit opzicht niet verschuilen achter de deskundigheid van de AIVD. Wat betreft dit laatste verwijst de voorzieningenrechter naar de door verweerder aangehaalde uitspraak van de AbRS van 9 juni 2004, 200402176/1. Het kan dan ook niet zo zijn dat verweerder geen kennis neemt van de onderliggende stukken, waar daar in dit geval wel (tijdig) toestemming voor is gegeven.

De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de eveneens door partijen aangehaalde uitspraak van het EHRM van 20 juni 2002 ([A.-N.], JV 2002/239) waarin onder meer is geoordeeld dat:

“123. Even where national security is at stake, the concepts of lawfulness and the rule of law in a democratic society require that measures affecting fundamental human rights must be subject to some form of adversarial proceedings before an independent body competent to review the reasons for the decision and relevant evidence, if need be with appropriate procedural limitations on the use of classified information (...)

124 The individual must be able to challange the executive assertion that national security is at stake. (...)”

Het Europese Hof legitimeert in deze passage, maar ook elders in deze uitspraak, het niet publiek maken van stukken in het geval de nationale veiligheid in het geding is, maar geeft eveneens aan dat de beschuldigde binnen de procedure in de gelegenheid moet zijn grieven te richten tegen de beschuldiging inclusief de onderbouwing daarvan. Nadere steun voor dit standpunt kan worden afgeleid uit de navolgende overweging: “137. (...)There must be some form of adversarial proceedings, if need be through a special representative after security clearance.(...)”.

10. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers bezwaar niet op voorhand kansloos moet worden geacht. Eveneens gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter met verzoeker van oordeel dat het eerst op de weg van verweerder had gelegen kennis te nemen van de onderliggende stukken alvorens de voorzieningenrechter te vragen zich hiermee te belasten.

11. Het voorgaande in acht nemende resteert de voorzieningenrechter een belangenafweging waarbij het door verweerder gestelde belang van handhaving van de nationale veiligheid niet licht kan worden overschat. De Nederlandse overheid zal bij een schending van de nationale veiligheid binnen de grenzen van de rechtsstaat tot handelen gehouden zijn ter bescherming van haar burgers. Indien sprake is van een concreet en actueel gevaar voor de nationale veiligheid zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval het belang van verweerder dan ook zwaarder moeten wegen dan dat van verzoeker, ook nu zijn bezwaar niet op voorhand als kansloos moet worden aangemerkt. Echter zonder actuele en concrete dreiging is weliswaar niet uitgesloten dat het handelen en nalaten van verzoeker al dan niet op termijn een gevaar oplevert voor de nationale veiligheid waartegen verweerder mogelijk kan optreden, maar valt niet in te zien waarom verzoeker de uitkomst van de beslissing op bezwaar niet in Nederland kan afwachten, waarbij eveneens de strafbaarheid van zijn verblijf alhier niet is aangewezen. De voorzieningenrechter zal dan ook beoordelen of verweerder in voldoende mate heeft aangetoond dat het gelet op de nationale veiligheid onverantwoord zou zijn om verzoeker hangende de bezwaarfase in beide procedures niet uit te zetten en/of zijn ongewenstverklaring te laten doorlopen.

12. Het individuele ambtsbericht van 16 februari 2005 stelt allereerst onder verwijzing naar de reeds eerder gememoreerde nota ‘Van dawa tot jihad’ dat de prediking binnen de Al Fourkaan moet worden aangeduid als openlijke ‘dawa’: het propageren van exclusivisme en parallellisme dat leidt tot puritanisme. Dit is een gevaar voor de democratische rechtsorde en daarmee voor de nationale veiligheid, aldus het ambtsbericht.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de in het ambtsbericht gemaakte constatering niet voldoende om te concluderen dat thans sprake zou zijn van een actuele bedreiging voor de nationale veiligheid. Uit het rapport “Van dawa tot jihad” blijkt immers dat openlijke dawa leidt tot een dreiging op horizontaal niveau, die een rechtsorde moeizaam kan doen functioneren (zie hiervoor de geciteerde passages uit deze nota, neergelegd onder II.5. in deze uitspraak), maar in tegenstelling tot een dreiging op verticaal niveau, niet het geweldsmonopolie van de overheid met voeten treedt.

12.1. In het individuele ambtsbericht wordt verder geconcludeerd dat verzoeker de radicale onderstroom binnen Al Fourkaan niet effectief bestrijdt terwijl rekruteurs voor de jihad zich in het verleden hebben gericht op de radicale onderstroom binnen Al Fourkaan, daarbij gebruik makend van het feit dat zij nauwelijks weerstand ondervonden van bestuur en imams. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter levert deze conclusie evenmin voldoende grond op om thans te spreken van een actuele en concrete dreiging. Het individueel ambtsbericht stelt immers met betrekking tot de rekruteurs dat deze zich in het verleden op de radicale onderstroom van Al Fourkaan hebben gericht. Voorts is van belang hetgeen is opgenomen in de nota van de AIVD van juni 2004 “Saoudische invloeden in Nederland” (zie onder rechtsoverweging II.4.), waaruit blijkt dat rekrutering veelal juist buiten de moskeeën om plaatsvindt dan wel dat de rekruteurs hun rekruten op enig moment uit de moskee hadden weggehaald, juist om te voorkomen dat rekruteringspogingen binnen die gemeenschap als zodanig werden onderkend en op weerstand zouden stuiten. Een uitzondering op deze tendens is mogelijk, maar hiervan is voorshands niet gebleken.

12.2. De meest verstrekkende conclusie in het individuele ambtsbericht betreft de constatering dat verzoeker zelf contacten onderhoudt met jihadistisch georiënteerde salafisten. Echter ook deze in het ambtsbericht niet nader onderbouwde constatering levert, op de wijze waarop die is geformuleerd, evenmin voldoende grond op om te concluderen tot een actuele en concrete dreiging voor de nationale veiligheid in de zin zoals die hiervoor onder IV.9. is weergegeven. De formulering is onbepaald, waarbij op voorhand niet valt in te zien dat in het geval van een actuele en concrete dreiging deze niet meer concreet en bepaald zou kunnen worden weergegeven in het ambtsbericht dan thans het geval is.

12.3. De omstandigheid dat niet is gebleken van strafrechtelijke vervolging van verzoeker, dat deze voorts niet op grond van artikel 59 van de Vw 2000 op grond van de nationale veiligheid en ter fine van uitzetting in bewaring is gesteld alsmede de tijd die is gelegen tussen het uitbrengen van het individuele ambtsbericht en de bestreden beslissingen (ongeveer vier maanden) zijn voorts eveneens elementen die niet bijdragen tot de gemotiveerde onderbouwing dat verzoeker de bezwaarprocedure wegens een actuele bedreiging van de nationale veiligheid niet in Nederland zou mogen afwachten.

13. De aan de orde zijnde belangen zijn evident zwaarwegend; beide partijen hebben de voorzieningenrechter voorgehouden dat het handelen van de ander de rechtsstaat fundamenteel aantast. De belangen zijn onderwerp van publieke zorg en aandacht. Binnen dit kader dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter de zorgvuldigheid te prevaleren boven de spoedeisendheid tenzij de actualiteit van de dreiging zou maken dat aan de spoedeisendheid een zwaarder gewicht zou moeten worden toegekend. Hiervan is in deze fase van de procedure, onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging IV.11 is overwogen, niet gebleken.

14. Gelet op het bovenstaande weegt het belang van verzoeker om niet uitgezet te worden totdat op het bezwaarschrift tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning is beslist, alsmede om zijn ongewenstverklaring op te schorten totdat op bezwaar is beslist, thans zwaarder dan het belang van verweerder. Ten aanzien van de ongewenstverklaring heeft verzoeker een zelfstandig belang om gedurende zijn verblijf in Nederland niet als gevolg van de ongewenstverklaring bij voortduring strafbaar te zijn, ongeacht en los van de vraag of de officier van justitie strafvervolging in zal stellen. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook toewijzen.

15. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:84, vierde lid, jo artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op

€ 644,--(1 punt voor de voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

16. Onder de gegeven omstandigheden is er aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de voorzieningenrechter.

V. BESLISSING

De voorzieningenrechter

1. wijst het verzoek toe in die zin dat de aan verzoeker opgelegde ongewenstverklaring wordt geschorst voor de duur van de behandeling van het bezwaarschrift van 17 juni 2005 en dat uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift van dezelfde datum is beslist;

2. veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de verzoeker;

3. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het griffierecht ad € 138,- (zegge: honderd achtendertig) vergoedt.

Gewezen door mr. J. Recourt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. de Man, griffier, en openbaar gemaakt op:

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.:

Bp: -

D: a

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.