Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT9506

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
AWB 05-27332
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat hij in Nederland mag verblijven totdat op zijn bezwaarschriften tegen de besluiten van respectievelijk 13, 14 en 15 juni 2005 is beslist. Voorts heeft hij ten aanzien van het besluit van 15 juni 2005, zijn ongewenstverklaring, verzocht de werking hiervan te schorsen tot op het bezwaar is beslist.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/27332

V-nr.: 221.500.976[verzoeker]ke: [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1971, van Keniaanse nationaliteit, wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Verweerder heeft bij besluit van 13 juni 2005 verzoekers verblijfsrecht op grond van de richtlijn 64/221 EEG beëindigd. Bij besluit van 14 juni 2005 heeft verweerder de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning onder de beperking “het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam ten behoeve van de Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven” ingetrokken. Verweerder heeft bij besluit van 15 juni 2005 verzoeker ongewenst verklaard. Een van de rechtsgevolgen van deze besluiten is dat verzoeker na bekendmaking van de besluiten niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat verzoeker Nederland uit eigen beweging binnen 0 uur moet verlaten. Bij bezwaarschriften van 17 juni 2005 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van de besluiten niet op.

2. Bij brief van 16 juni 2005 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de werking van de ongewenstverklaring op te schorten totdat op het bezwaarschrift daartegen is beslist, de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist tegen de intrekking van de verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam en de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist tegen de beëindiging van het rechtmatig verblijf als EU-onderdaan. De gronden van het verzoek zijn ingediend bij brief van 24 juni 2005. De gronden zijn nader aangevuld bij brief van 28 juni 2005. Bij brief van 30 juni 2005 heeft verweerder laten weten dat met betrekking tot het bezwaarschrift gericht tegen de intrekking van verzoekers verblijfsrecht op grond van richtlijn 64/221 EEG besloten is om ingevolge artikel 1.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ) om advies te vragen. Verzoeker mag de beslissing op dit bezwaarschrift hier te lande afwachten. Bij dezelfde brief van 30 juni 2005 heeft verweerder laten weten dat aan het bezwaarschrift tegen de ongewenstverklaring en het bezwaarschrift tegen de intrekking van verzoekers verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam geen schorsende werking wordt toegekend.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2005. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door mr. P.J. Schüller, kantoorgenoot van verzoekers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [tolk] tolk in de Arabische taal.

4. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. De voorzieningenrechter gaat in deze zaak uit van de volgende feiten.

2. Verzoeker heeft van 5 januari 1996 tot 14 december 1996 en van 19 november 1996 tot

14 december 1997 een vergunning tot verblijf gehad met als doel: “het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam bij de Stichting Alwaqf Alislami te Helmond”.

Met ingang van 7 juli 1999 tot 1 januari 2001 is verzoeker in het bezit geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking “het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam ten behoeve van de Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven”.

Bij besluit van 25 juni 2002 is verzoeker per 6 juli 2001 een verblijfsvergunning verleend onder de beperking “verblijf als godsdienstleraar ten behoeve van de Stichting Alwaqf Alislami te Helmond”, onder gelijktijdige verlenging tot 6 juli 2003.

Bij besluit van 13 september 2004 is verzoeker per 6 juli 2004 een verblijfsvergunning verleend onder de beperking “verblijf als godsdienstleraar ten behoeve van de Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven”, onder gelijktijdige verlenging tot 6 juli 2005. Op 1 april 2005 heeft verzoeker een aanvraag om verlenging ingediend van deze verblijfsvergunning. Bij voornoemd besluit van 14 juni 2005 is deze verlengingsaanvraag afgewezen.

3. Verzoekers echtgenote, [echtgenote verzoeker], en hun zoon, [zoon verzoeker], geboren op 21 juli 2003, hebben beiden de Zweedse nationaliteit.

In een brief van het Cathariana-Ziekenhuis van 28 februari 2005 is neergelegd dat ten aanzien van [zoon verzoeker] een afwijking is geconstateerd in de rechter hersenhelft.

4. Op 16 februari 2005 heeft de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) een ambtsbericht met betrekking tot verzoeker uitgebracht. In dit ambtsbericht is – onder meer – het volgende neergelegd:

(...)

“De AIVD heeft vastgesteld dat de moskee Al Fourkaan, stichting Islamitisch Cultureel Centrum, [adres], een centrum is waar het salafisme actief wordt uitgedragen. Het gaat daarbij om de sterk anti-Westerse en anti-integratieve stroming binnen het salafisme (salafiyya ilmiyya). Onder verwijzing naar de AIVD-nota Van dawa tot jihad kan de prediking in Al Fourkaan worden aangeduid als openlijke ‘dawa’: het propageren van exclusivisme en parallellisme die leidt tot radicaal puritanisme. Zoals gesteld in voornoemde nota vormt dit een gevaar voor de democratische rechtsorde en daarmee voor de nationale veiligheid.

(...)

“Als imam is [verzoeker] binnen Al Fourkaan één van de meest invloedrijke personen. Als zodanig is hij direct (mede) verantwoordelijk voor hetgeen hiervoor over Al Fourkaan is gesteld. Op grond van de hiervoor gepresenteerde bevindingen komt de AIVD tot de conclusie dat betrokkene willens en wetens bijdraagt aan het uitdragen van de salafiyya ilmiyya en het propageren van exclusivisme en parallellisme en daarmee mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van voedingsbodem voor radicaal puritanisme en de vatbaarheid voor rekrutering voor de jihad. Tevens kan betrokkene nalatigheid worden verweten wegens het niet bestrijden van de jihadistische elementen en de rekruteringen binnen Al Fourkaan.

Op grond van het voorgaande stelt de AIVD dat betrokkene een gevaar is vormt voor de nationale veiligheid.”

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Standpunt verweerder

1. Verweerder stelt zich in het besluit van 14 juni 2005 op het standpunt dat voornoemd ambtsbericht aanleiding geeft om de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar/imam in te trekken.

2. Ter zitting heeft verweerder in aanvulling op het bestreden besluit het volgende naar voren gebracht. Verzoeker heeft - nu hij schorsende werking heeft ten aanzien van zijn bezwaarschrift gericht tegen de intrekking van zijn verblijfsrecht op grond van het gemeenschapsrecht - geen (spoedeisend) belang meer bij het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekers stellingname dat hij wellicht wil verhuizen naar een ander land maar wel in Nederland zijn werk als imam wil blijven uitoefenen, is een onzekere toekomstige gebeurtenis. De besluitvorming in de verschillende bezwaarprocedures zal zo veel mogelijk parallel lopen.

Standpunt van verzoeker

4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen en acht hiertoe het volgende redengevend.

5. Desgevraagd heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat hij een concreet belang heeft bij de voorlopige voorziening hangende het bezwaarschrift gericht tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning als imam. Verzoeker sluit niet uit dat hij in verband met de medische situatie van zijn zoon zal verhuizen naar een ander land, maar hij wil dan wel in Nederland zijn werk als imam kunnen blijven uitoefenen en hierbij niet strafbaar zijn.

IV. OVERWEGINGEN

1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat hij in Nederland mag verblijven totdat op zijn bezwaarschriften tegen de besluiten van respectievelijk 13, 14 en 15 juni 2005 is beslist. Voorts heeft hij ten aanzien van het besluit van 15 juni 2005, zijn ongewenstverklaring, verzocht de werking hiervan te schorsen tot op het bezwaar is beslist.

2. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorzieningen te treffen. Daartoe dienst eerst de vraag beantwoord te worden of verzoeker procesbelang heeft bij zijn verzoeken nu hem is toegezegd dat hij Nederland niet hoeft te verlaten tot dat op zijn bezwaar tegen het besluit van 13 juni 2005 is beslist.

3. Ten aanzien van de verzoeken gericht tegen besluiten van 13 juni 2005 en 14 juni 2005 acht de voorzieningenrechter geen procesbelang aanwezig. De voorzieningenrechter kan verzoeker niet meer toewijzen dan hem reeds door verweerder is toegezegd. De omstandigheid dat verzoeker wellicht naar het buitenland vertrekt waarna het vervolgens niet zeker is dat hij naar Nederland kan terugkeren, is een toekomstige onzekere gebeurtenis en niet onderbouwd zodat hierin geen concreet procesbelang kan worden aangenomen. Deze verzoeken zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. In de omstandigheid dat verzoeker met zijn aanwezigheid in Nederland bij voortduring strafbaar is, acht de voorzieningenrechter een concreet procesbelang aanwezig, waarbij anders dan verweerder heeft gesteld niet van belang wordt geacht de vraag of de officier van justitie hiertegen strafvervolging zal instellen. Voorts ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding het verzoek om de werking van het besluit tot ongewenstverklaring te schorsen tot op het bezwaar tegen dit besluit is beslist, toe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.

5. De voorzieningenrechter acht niet goed verenigbaar dat verzoeker het land dient te verlaten om het plegen van een strafbaar feit te voorkomen, terwijl hem juist met reden is toegezegd dat hij hangende het bezwaar Nederland niet hoeft te verlaten, in aanmerking genomen dat het plegen van een strafbaar feit moet worden voorkomen.

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening dat er toe strekt om de ongewenstverklaring te schorsen totdat is beslist op het bezwaarschrift van 17 juni 2005 zal worden toegewezen.

7. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:84, vierde lid, jo artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op

€ 644,--(1 punt voor de voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

8. Onder de gegeven omstandigheden is er aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de voorzieningenrechter.

V. BESLISSING

De voorzieningenrechter

1. verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het ziet op het verkrijgen van een verbod op uitzetting van verzoeker totdat is beslist op bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning als godsdienstleraar/imam en voor zover het ziet op het verkrijgen van een verbod op uitzetting totdat op het bezwaar is beslist tegen de beëindiging van het rechtmatig verblijf als EU-onderdaan;

2. wijst het verzoek toe in die zin dat de aan verzoeker opgelegde ongewenstverklaring wordt geschorst totdat op het bezwaarschrift van 17 juni 2005 is beslist;

3. veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan verzoeker;

4. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het griffierecht ad € 138,- (zegge: honderd achtendertig) vergoedt.

Gewezen door mr. J. Recourt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. de Man, griffier, en openbaar gemaakt op: 15 juli 2005

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.:

Bp: -

D: c

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.