Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT8930

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
13/057339-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een door een Ghanees gepleegde doodslag op een andere Ghanees die hij zag als minnaar van zijn (ex) vrouw. Verdediging beriep zich op ontbreken opzet (vrijspraak) subs. op noodweer en meer subs. op noodweerexces. Officier van justitie was van oordeel dat slachtoffer zich verdedigde waardoor verdachte zich niet op noodweer kan beroepen, subs. dat verdachte zelf confrontatie had gezocht en hem daarom ook geen beroep op noodweer toekomt. Rechtbank acht (voorwaardelijk) opzet aanwezig en oordeelt dat, anders dus dan de officier van justitie, verdachte wel een beroep op noodweer kan doen maar dat dit beroep toch wordt verworpen evenals beroep op noodweerexces. Rechtbank legt i.p.v. 9 jaar 'slechts' 5 jaar op omdat zij de zaak beschouwd als dramatisch einde van een noodlottige confrontatie en niet als een koele afrekening.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2005/379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/057339-04

Datum uitspraak: 7 juli 2005

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, 9e meervoudige kamer B, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]] op [geboortedatum] 1967,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres]

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Almere-Binnen” te Almere.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 april 2005, 2 juni 2005 en 24 juni 2005.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

hij op of omstreeks 03 mei 2004 te Diemen opzettelijk [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in

het hart, in elk geval in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

….

3. Bespreking van de gevoerde verweren

Overwegingen ten aanzien van het bewijs, de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte

verweren verdachte

Verdachte heeft zich er primair op beroepen dat hij geen opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer en dat hij derhalve dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft hij zich beroepen op noodweer en uiterst subsidiair op noodweer-exces zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Een en ander is verwoord in de pleitnotities die door de verdediging zijn overgelegd op de zittingen van 15 april 2005 en 24 juni 2005. De officier van justitie heeft gerequireerd tot verwerping van deze verweren, één en ander neergelegd in haar op schrift gestelde requisitoir.

feiten

De rechtbank heeft ten aanzien van de beoordeling van de feitelijke toedracht van hetgeen zich vóór en tijdens de steekpartij heeft voorgedaan, acht geslagen op de inhoud van het dossier, alsmede op hetgeen naar voren is gekomen tijdens de onderzoeken ter terechtzitting, waaronder de reconstructie(video) en een schriftelijke verklaring opgesteld door verdachte.

vóór het steekincident

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden in de periode voorafgaande aan het steekincident.

Verdachte verkeerde in een opgewonden toestand toen hij op 3 mei 2004 de woning van [getuige F] betrad. Hij had immers langdurig moeite moeten doen om binnengelaten te worden en [getuige F] had nagelaten zijn telefonische oproepen te beantwoorden. Daarbij vermoedde verdachte dat zich iemand anders in de woning bevond. Nadat [getuige F] uiteindelijk de voordeur had geopend, heeft verdachte [getuige F], met in haar armen haar kind, opzij geduwd en is onmiddellijk begonnen met het doorzoeken van de gehele woning. Nadat verdachte in alle kamers had gekeken heeft hij het latere slachtoffer, [slachtoffer], aangetroffen op het balkon.

Met betrekking tot hetgeen zich vervolgens heeft afgespeeld is het volgende van belang.

verklaring [getuige F]

[getuige F] heeft verklaard dat [slachtoffer], nadat verdachte hem had aangetroffen op het balkon, onmiddellijk de woning heeft verlaten en dat verdachte, na eerst in de keuken te zijn geweest, [slachtoffer] heeft achtervolgd tot op de galerij. Zij heeft verdachte daarbij niet tegengehouden.

verklaring verdachte

Volgens verdachte’s verklaring ter zitting en hetgeen hij heeft opgeschreven in een aan de rechtbank overgelegde verklaring, alsmede volgens hetgeen hij heeft laten zien tijdens de reconstructie, heeft zich het volgende voorgedaan. Verdachte is naar de keuken gelopen en heeft daar 2 messen uit de keukenlade gepakt, omdat [slachtoffer] daarvoor dreigend op hem af was gekomen en hij zich kansloos achtte om aan die dreiging te ontkomen als hij door de voordeur zou proberen de woning te verlaten. Toen verdachte uit de keuken kwam, bevond [slachtoffer] zich in de gang naar de voordeur. Verdachte heeft zich daarop met de 2 messen in één van zijn handen in de richting van [slachtoffer] begeven. [getuige F] probeerde daarbij verdachte, tevergeefs, tegen te houden, waarbij verdachte één van de messen in de gang heeft laten vallen. [slachtoffer] is vervolgens door de voordeur de galerij van de flat opgegaan en verdachte is [slachtoffer], (soms heftig) worstelend met [getuige F], gevolgd, zodat verdachte op een gegeven moment op de galerij is komen te staan met in zijn hand een mes, terwijl [slachtoffer] aldaar stond in de buurt van de voordeur van [getuige A], terwijl [getuige F] was achtergebleven in haar woning. Verdachte heeft toen gezien dat [slachtoffer] een bezem, die bij de rioolpijp bij de voordeur van de woning van [getuige A] hing, tot zich heeft genomen en daarna op hem is afgelopen met die bezem.

oordeel rechtbank over feiten vóór steekincident

Het valt de rechtbank op dat het mes, waarvan verdachte stelt dat hij het in de gang heeft verloren, uiteindelijk is aangetroffen in de keuken op de vloer bij de ingang (foto 17 op p. 99). Voorts valt het de rechtbank op, dat verdachte wisselend heeft verklaard over de wijze waarop hij vanuit de woning op de galerij is gekomen. Bij de politie heeft hij verklaard (p.34) dat hij, nadat hij een mes had verloren, dit zou in de gang zijn gebeurd, tezamen met [slachtoffer] langzaam richting galerij is gelopen. Bij de Rechter-Commissaris heeft verdachte verklaard, dat hij in de gang van de keuken naar de galerij min of meer voortdurend door [slachtoffer] zou zijn aangevallen, althans dat [slachtoffer] daarmee gedreigd zou hebben en dat [slachtoffer] vervolgens de galerij opliep en hij, (verdachte), ook de galerij op is gegaan. Tijdens de terechtzitting en ook tijdens de reconstructie heeft verdachte echter verklaard dat hij niet heeft gezien hoe [slachtoffer] naar buiten ging omdat hij op weg van de keuken naar de galerij voortdurend in een (soms heftige) worsteling verkeerde met [getuige F]. Voor deze wisselende verklaringen heeft verdachte geen aannemelijke verklaring kunnen geven.

Wat hier echter van zij, de rechtbank ziet aanleiding om van het door verdachte geschetste feitencomplex uit te gaan nu zij niet kan uitsluiten dat deze weergave van de feiten juist is.

De rechtbank houdt het er dan ook op dat [slachtoffer] als eerste de woning heeft verlaten en op de galerij is terechtgekomen en in de buurt stond van de voordeur van de woning van [getuige A] en dat verdachte, kort na [slachtoffer], ook is gearriveerd op de galerij. Verdachte heeft er op dat moment niet voor gekozen de voordeur van binnenuit te sluiten, waardoor [slachtoffer] zou zijn buitengesloten, noch is verdachte toen onmiddellijk in de woning teruggekeerd of anderszins weggevlucht. Verdachte is echter de woning uitgegaan de galerij op. Daar aangekomen heeft hij [slachtoffer] en [getuige A] zien staan bij de woning van [getuige A], een aantal meters van hem vandaan. Verdachte is dan nog gewapend met één mes. Verdachte heeft waargenomen dat [slachtoffer] een bezem heeft gepakt. Verdachte had ook op dat moment een einde aan de situatie kunnen maken door terug te keren in de woning van [getuige F]. Verdachte heeft niet aannemelijk kunnen maken dat dit niet mogelijk was. De voordeur waardoor hij naar buiten was gegaan, was immers niet achter hem gesloten.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat [slachtoffer], nadat hij door verdachte was aangetroffen op het balkon, de woning heeft verlaten en dat verdachte, na eerst 2 messen uit de keukenla te hebben gepakt, [slachtoffer] heeft achtervolgd en derhalve de confrontatie met het latere slachtoffer heeft gezocht. Dit past, naar het oordeel van de rechtbank, ook in het licht van de gebeurtenissen waarbij het verdachte was, die er alles aan deed in de woning te komen om daar op zoek te gaan naar de persoon, waarvan hij vermoedde dat die zich in de woning bevond. Of hij in die achtervolging op de één of andere wijze nog (fysiek) contact heeft gehad met [getuige F] is daarbij naar het oordeel van de rechtbank, niet van belang.

oordeel rechtbank over feiten vlak vóór en tijdens steekincident

Voor de rechtbank staat vast dat, nadat verdachte op de galerij is aangekomen er aldaar een schermutseling is ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft een bezem, die zich op de galerij bevond, gepakt en met de steel daarvan verdachte op de schouder geslagen waardoor de steel in tweeën brak. Vervolgens zijn [slachtoffer] en verdachte, staande op de galerij met de balustrade aan verdachte’s rechterhand en aan [slachtoffer]’s linkerhand, in een schermutseling geraakt, waarbij zij dicht tegen elkaar aan hebben gestaan en ook lichamelijk contact met elkaar hebben gehad. Niet alleen verdachte verklaart aldus, maar hiervoor is ook steun te vinden in de verklaringen van [getuige F] en [getuige A].

Verdachte heeft vervolgens een zodanige (zwaai) beweging gemaakt met zijn rechterarm dat het mes, dat hij nog in zijn rechterhand had, het slachtoffer in het hart heeft getroffen.

oordeel rechtbank over oorzaak overlijden [slachtoffer]

Uit de verklaring dienaangaande van verdachte, het afwezig zijn van enige andere mogelijke oorzaak, gevoegd bij het resultaat van het sectieonderzoek, bestaat geen twijfel dat het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt als gevolg van de door verdachte toegebrachte messteek en het daardoor ontstane steekletsel.

opzet

De verdediging stelt primair, dat de zwaaiende beweging van verdachte met het mes, waardoor het slachtoffer dodelijk werd geraakt, een reflexbeweging was om los te komen uit [slachtoffer]’s greep, waarbij verdachte onbedoeld [slachtoffer] met het mes zou hebben geraakt. Het opzet bij verdachte zou aldus hebben ontbroken. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 24 juni 2005 heeft de verdediging benadrukt, dat verdachte zich toen niet bewust is geweest van het feit dat hij een mes vasthield.

oordeel rechtbank over opzet

Verdachte heeft willens en wetens messen in zijn hand genomen. Met één van die messen in zijn hand is verdachte achter [slachtoffer] aan de galerij opgegaan. Vervolgens werd verdachte door [slachtoffer] geslagen met een steel van een bezem. Op dat moment was verdachte zich terdege bewust van de aanwezigheid van het mes in zijn hand. Verdachte heeft immers ter terechtzitting van 15 april 2005 verklaard, dat hij het mes toen niet wilde weggooien omdat het mes zijn enige bescherming was. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat verdachte zich het volgende moment niet meer bewust zou zijn geweest van de aanwezig-heid van het mes in zijn hand.

Verdachte heeft herhaaldelijk, zij het in verschillende bewoordingen, verklaard het mes te hebben willen gebruiken, namelijk om los te komen. Ook dit wijst erop dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van het mes in zijn hand toen hij de fatale beweging maakte en dat er geen sprake is geweest van (enkel) een reflexbeweging.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte met opzet het slachtoffer met het mes heeft gestoken tijdens de schermutseling. Hij heeft zich daarmee op zijn minst willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat hij het slachtoffer zodanig zou raken met dat mes, dat daardoor bij het slachtoffer dodelijk letsel zou kunnen ontstaan.

noodweer/noodweer-exces

Subsidiair heeft verdachte zich erop beroepen dat hij uit noodweer dan wel uit noodweer-exces zou hebben gehandeld.

Omdat [slachtoffer] is overleden zonder een verklaring te hebben kunnen afleggen en er verder onvoldoende aanknopingspunten zijn om vast te stellen, dat [slachtoffer]’s handelen gerecht-vaardigd was op grond van noodweer - in die situatie zou verdachte immers geen beroep op noodweer toekomen-, kan de rechtbank, anders dan de officier van justitie meent, niet uitsluiten dat [slachtoffer]’s handelen niet als noodweer mag worden opgevat, zodat de rechtbank verdachte’s beroep op noodweer dan wel noodweer-exces nader zal beoordelen.

Ter onderbouwing van het verweer is aangevoerd dat verdachte reeds in de woning is aangevallen door [slachtoffer] en dat van hem, verdachte, geen initiatief zou zijn uitgegaan om op de galerij terecht te komen. Vervolgens zou het wederom [slachtoffer] zijn geweest, die verdachte op de galerij zou hebben aangevallen met een bezem, verdachte vervolgens zou hebben vastgepakt en opgetild, waarbij verdachte een beetje van de grond zou zijn gekomen, waardoor verdachte heeft gevreesd dat hij door [slachtoffer] over de balustrade van de galerij zou worden gegooid. Verdachte heeft betoogd dat hij zijn lijf toen noodzakelijk heeft verdedigd tegen die -in zijn ogen- ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Anders dan verdachte, concludeert de rechtbank uit de hiervoor door de rechtbank vastgestelde feiten, dat het verdachte is geweest die de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht. Verdachte is immers direct bij binnenkomst in de woning op zoek gegaan naar een persoon die zich, naar verdachte vermoedde, in de woning zou bevinden. Daarna is verdachte, met een mes in zijn hand, achter [slachtoffer] aan de woning uitgegaan. De oorzaak van de schermutseling die vervolgens is ontstaan, is naar het oordeel van de rechtbank gelegen in het gedrag van verdachte.

De omstandigheid dat [slachtoffer] verdachte heeft geslagen met een bezemstok maakt dit niet anders omdat verdachte, die gewapend met een mes tegenover de ongewapende [slachtoffer] stond, zich moet hebben gerealiseerd, dat de door hem opgezochte confrontatie tot een reactie van [slachtoffer] kon leiden en op een handgemeen zou kunnen uitlopen. De rechtbank is evenwel niet van oordeel dat hieraan, zoals door de officier van justitie betoogd, de conclusie moet worden verbonden, dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer], waarbij hij uiteindelijk zou zijn opgetild, willens en wetens over zich heeft afgeroepen, op grond waarvan hem (wegens culpa in causa) een beroep op noodweer/noodweer-exces niet kan toekomen. De rechtbank heeft in aanmerking genomen, dat niet is komen vast te staan, dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht met het doel hem te doden. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan het gegeven dat verdachte in eerste instantie, en ondanks zijn vermoeden dat er iemand bij [getuige F] in de woning verbleef, ongewapend de woning is binnengegaan en pas na de ontmoeting met [slachtoffer] op het balkon, de messen uit de keuken heeft gepakt.

oordeel rechtbank over noodweer/noodweer-exces

De verdediging heeft gesteld, dat verdachte zich heeft verdedigd tegen de door verdachte als zodanig ervaren poging van [slachtoffer] om hem over de balustrade van de galerij te gooien. Gelet op de geringe mate waarin verdachte is opgetild en de positie die verdachte en [slachtoffer] innamen op de galerij, is de rechtbank van oordeel dat er op dat moment geen sprake was van een concrete dreiging dat verdachte over de balustrade gegooid zou worden. Verdachte heeft zijn conclusie dat een dergelijk concreet gevaar wel bestond, ten onrechte getrokken.

Dit brengt met zich dat, voor zover de handelingen van [slachtoffer] al moeten worden opgevat als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen verdachte’s lijf, deze aanranding niet zodanig was, dat het voor verdachte noodzakelijk was zich daartegen te verdedigen op de wijze die [slachtoffer] noodlottig is geworden.

Nu ook niet uit andere omstandigheden aannemelijk is geworden, dat het door verdachte toebrengen van de messteek geboden was ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf, komt hem geen beroep toe op noodweer. Evenmin slaagt daarom het beroep op noodweer-exces. Ten aanzien van dit verweer is de rechtbank overigens van oordeel dat het onvoldoende is onderbouwd terwijl evenmin anderszins is gebleken, dat er bij verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging zoals bedoeld in artikel 41 lid 2 Sr.

De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer/noodweer-exces.

4. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 3 mei 2004 te Diemen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in het hart gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

5. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

5.1. De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2005 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 3 mei 2004 was ik in Diemen in en bij de woning van [getuige F] aan [adres]. Ik heb [slachtoffer] met een mes gestoken. Daarna zakte hij in elkaar.

5.2. Het ambtsedig proces-verbaal nr. 2004110908-1, van 4 mei 2004, opgemaakt door [hoofdagent en adjunct-inspecteur] van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. (blz. 19 ev.)

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 3 mei 2004 stelden wij een onderzoek in naar aanleiding van een dodelijke steekpartij op [adres].

Het slachtoffer, genaamd: [slachtoffer] was middels een ambulance naar het AMC te Amsterdam gebracht.

5.3. Het geschrift, zijnde een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgemaakt door [arts], verbonden aan de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam. (blz 16 ev.)

Dit geschrift houdt –zakelijk weergegeven- onder meer het volgende in:

Naam: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats].

Overleden op 3 mei 2004 om 21.05 uur te Amsterdam.

Verklaart het lijk te hebben geschouwd.

Bijzonderheden:

Op EHBO AMC beland om 20.10 in verband met steekwond links in de borst.

Dood door verwonding linker hartkamer.

Datum: 3 mei 2004,

Handtekening: onleesbaar.

[arts]

5.4. Het ambtsedig proces-verbaal nr. 2004110908, van 5 mei 2004, opgemaakt door

[hoofdagenten], hoofdagenten van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

(blz 65 ev.)

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij hebben de familie van de overledene [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats], geconfronteerd, dit ter vaststelling van de identiteit.

[De tante van het slachto[benadeelde partij], antwoordde op de vraag of zij de overledene kende:

It’s him, [slachtoffer].

5. 5. Het verslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 4 mei 2004, opgemaakt door [arts en patholoog]. (blz 63 ev)

Dit verslag houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij sectie op het lijk van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1969 is het navolgende gebleken:

Bij sectie werd 1 éénduidig steekkanaal gezien, verlopend vanaf de borstkas links tot in het hart. Dit letsel is bij leven ontstaan en verklaart het overlijden volledig door weefselschade en bloedverlies.

Het onder 5.3 bedoelde geschrift geldt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook overigens niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf en de maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit onder meer zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft tijdens een confrontatie opzettelijk een man genaamd [slachtoffer], met een mes in de borststreek gestoken. Tengevolge hiervan is het slachtoffer later in het ziekenhuis overleden.

Door deze doodslag is onbeschrijfelijk veel leed aan de nabestaanden toegebracht en is de rechtsorde ernstig geschokt. Dit feit op zich rechtvaardigt een vrijheidsstraf van lange duur.

Bij het opleggen van de duur van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het gepleegde feit plaatsvond onder voor verdachte emotioneel zeer beladen omstandigheden. Het uiteindelijke steken van verdachte kan volgens de rechtbank niet zozeer worden gezien als een koele afrekening –die een straf als gevorderd zeker zou hebben gerechtvaardigd- maar moet veeleer worden beschouwd als het dramatische einde van een noodlottige confrontatie. Daarbij heeft verdachte de rechtbank ervan kunnen overtuigen dat hij de fatale afloop van de gebeurtenissen op 3 mei 2004 zeer betreurt en dat hij meeleeft met de nabestaanden van het slachtoffer. Tenslotte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder werd veroordeeld.

In vorenomschreven omstandigheden ziet de rechtbank dan ook aanleiding om te komen tot een vrijheidsstraf van aanmerkelijk kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd.

Onttrekking aan het verkeer

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven keukenmes dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien het bewezen geachte met behulp van dit mes is begaan.

Ten aanzien van de [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij slechts voor een gedeelte van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. Deze schade bestaat uit de kosten van het ticket van € 174,-, de huur van de stoelen van € 225,- alsmede de internationale telefoonkosten, doch slechts ter hoogte van een bedrag van € 50,-. De rechtbank waardeert deze schade derhalve op een totaalbedrag van € 449,- (zegge: vierhonderdnegenenveertig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Dit geldt in de eerste plaats voor de op naam van [benadeelde partij] gestelde factuur van PC Uitvaartzorg van in totaal € 281,-. De raadsman van verdachte heeft gesteld dat deze factuur is voldaan door [getuige F], wat, gelet op de mededeling van [benadeelde partij] ter terechtzitting van 15 april 2005, dat [getuige F] de kosten van overbrenging heeft voldaan, op voorhand niet valt uit te sluiten zodat deze vordering nader onderzoek behoeft. Ten aanzien van de kosten van de video geldt dat deze niet zijn onderbouwd met een factuur zodat op voorhand niet duidelijk is of deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Volgens de eigen verklaring van [benadeelde partij] ter terechtzitting van 15 april 2005 heeft zij wel betaald voor de video maar heeft zij de video nooit ontvangen omdat de maker ervan is overleden. Zij kan zich met haar vordering dan ook richten tot de nabestaanden van de maker. Tenslotte geldt dat met de ter terechtzitting van 15 april 2005 overgelegde factuur van Tele2 voorshands onvoldoende is aangetoond dat de door [benadeelde partij] gemaakte internationale telefoonkosten uitstijgen boven het eerdergenoemde bedrag van € 50,-, zodat het meer gevorderde niet kan worden toegewezen. [benadeelde partij] zal ten aanzien van deze onderdelen dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op: Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij], wonende op het [adres], toe tot een bedrag van van € 449,-

(zegge: vierhonderdnegenenveertig euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], te betalen de som van € 449,- (zegge: vierhonderdnegenenveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Verklaart de vordering voor het overige niet ontvankelijk.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: één keukenmes.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

één telefoon merk Motorola, één grijze broek en één blauwe jas.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden van:

één gebroken bezemstok.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. B.E. Mildner en A.R.P.J. Davids, rechters,

in tegenwoordigheid van J.H. Zandbergen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2005.

mr. B.E. Mildner is buiten staat dit vonnis te ondertekenen