Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT8151

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
23-06-2005
Zaaknummer
13.497.173-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- art 13 (standaard) en

- de rechtbank komt tot de conclusie dat voldoende vast staat dat het in het EAB opgenomen verzoek tot overlevering betrekking heeft op de ter zitting aanwezige OP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULP KAMER

Parketnummer: 13.497.173-2005

RK nummer: 05/1367

Datum uitspraak: 3 juni 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 april 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 15 april 2005 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Almere te Almere,

alias:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 mei 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een bevel tot aanhouding van 15 april 2005 uitgaande van de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan één naar het recht van België strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij [opgeëiste persoon] genaamd is en dat hij niet de Nederlandse, maar de Nigeriaanse nationaliteit heeft.

3.1 De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat volgens het EAB de overlevering van [opgeëiste persoon] wordt gevraagd en dat haar cliënt die persoon niet is.

3.2 De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat nu het EAB op naam van zowel [opgeëiste persoon] als op naam van [opgeëiste persoon] is gesteld en de opgeëiste persoon heeft verklaard [opgeëiste persoon] te zijn, het EAB betrekking heeft op de opgeëiste persoon.

3.3 De rechtbank overweegt als volgt.

Het EAB is op naam van [opgeëiste persoon] en op naam van [opgeëiste persoon] gesteld. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij [opgeëiste persoon] is en dat dat zijn echte naam is. Van de opgeëiste persoon zijn op Schiphol – na zijn aanhouding aldaar - foto’s gemaakt. Deze foto’s zijn in België aan een getuige getoond die verklaard heeft dat [opgeëiste persoon] dezelfde persoon is als de persoon die is afgebeeld op de aan haar getoonde foto’s. Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat voldoende vast staat dat het in het EAB opgenomen verzoek tot overlevering betrekking heeft op de ter zitting aanwezige opgeëiste persoon [opgeëiste persoon].

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op dit feit is bovendien naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, OLW

Uit de stukken blijkt dat het feit waarvoor de Belgische justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen deels in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

Enerzijds is gebleken dat de opgeëiste persoon af en toe in Nederland verblijft. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat hij belang heeft bij vervolging en berechting in Nederland, doch anderzijds blijkt

? dat slechts een deel van het feit waarop het EAB ziet op Nederlands grondgebied is gepleegd;

? dat de opgeëiste persoon niet beschikt over de Nederlandse nationaliteit;

? dat de opsporing en vervolging van het strafbare feit in België is aangevangen;

? dat in België de bewijsmiddelen – onder meer een verklaring van mevrouw [getuige] en in beslag genomen drugs - voorhanden zijn;

? dat in België de medeverdachten worden of zijn vervolgd;

? dat de al dan niet in beslag genomen verdovende middelen bestemd waren voor de Amerikaanse markt, in elk geval niet de Nederlandse markt, hetgeen eveneens een argument vormt voor de conclusie dat het zwaartepunt van de schending van de rechtsorde vanwege de schadelijke gevolgen van het strafbare feit vooral buiten Nederland ligt.

Deze overwegingen wegen naar het oordeel van de officier van justitie zwaarder dan het persoonlijke belang van de opgeëiste persoon.

De rechtbank is van oordeel dat dient te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond nu de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] alias [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,

mrs. R.B. Kleiss en B.M. Vroom-Cramer, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juni 2005.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.