Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT7104

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
13/497126-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2, lid 2, aanhef en onder b OLW is niet in het belang van de opgeëiste persoon doch in het belang van bespoediging van overlevering in de wet opgenomen.

Weigeringgrond van artikel 6, lid 5 OLW is niet bedoeld voor anderen dan in dat artikel(lid) genoemd

Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497126-2005

RK nummer: 05/1060

Datum uitspraak: 6 mei 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 maart 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 22 maart 2005 door de District Judge of the Leeds Magistrates’ Court te Leeds (Verenigd Koninkrijk). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

als adres opgevende: [adres]d,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Arnhem, Huis van Bewaring Arnhem-Zuid te Arnhem,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 april 2005. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. G. Meijer, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een Arrest Warrant, uitgevaardigd door Leeds Magistrates’ Court op 22 maart 2005, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage 1 aan deze uitspraak is gehecht.

Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Britse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten, vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Verweren

De raadsman heeft betoogd dat het EAB, in strijd met artikel 2, lid 2, aanhef en onder b van de OLW, niet het E-mail adres bevat van de uitvaardigende autoriteit en dat ervan moet worden uitgegaan dat de uitvaardigende autoriteit, die over een e-mail adres blijkt te beschikken, dit adres kennelijk opzettelijk niet in het EAB heeft vermeld. Als gevolg daarvan kan het EAB niet in behandeling worden genomen.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de weigeringgrond als bedoeld in artikel 6, lid 5 van de OLW van toepassing is omdat de opgeëiste persoon gelijk is te stellen met een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd nu de opgeëiste persoon al tien jaar in Nederland woont en hier te lande huis en haard heeft. Bovendien heeft hij als gemeenschapsonderdaan recht op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 2, lid 2 van de OLW niet in het belang van een opgeëiste persoon in de wet is opgenomen doch in het belang van de bespoediging van de overlevering. Bovendien heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB aangevuld bij brief van 24 maart 2005, op welke brief het E-mail adres is vermeld. In de visie van de officier van justitie kan een dergelijke geringe omissie niet in de weg staan aan het in behandeling nemen van een EAB.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de weigeringgrond ex artikel 6, lid 5 van de OLW op het standpunt gesteld dat deze bepaling zeer strikt dient te worden geïnterpreteerd en geen ruimte biedt voor andere personen dan in dat artikel genoemd. Bovendien zijn de feiten niet in Nederland gepleegd zodat de opgeëiste persoon voor deze feiten niet in Nederland zou kunnen worden vervolg.

De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en verwerpt de verweren van de raadsman.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. De beslaglijst is als bijlage 2 aan deze uitspraak gehecht.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7, 49 en 50 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan District Judge of the Leeds Magistrates’ Court te Leeds (Verenigd Koninkrijk) ten behoeve van het in het Verenigd Koninkrijk tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Deze beslissing is genomen door:

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. F. Salomon en L.E. Kalff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Mulder, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 6 mei 2005.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.