Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT7050

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
13/497161-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onschuldverweer: overleveringsrechter mag niet oordelen over buitenlandse bewijsstukken. Weigeringgrond artikel 13

Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497161-2005

RK nummer: 05/1343

Datum uitspraak: 27 mei 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 april 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 23 november 2004 door de Oostenrijkse justitiële autoriteit, de rechter van de arrondissementsrechtbank voor strafzaken te Graz (Oostenrijk). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Lelystad” te Lelystad,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Duitse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt arrestatiebevel van de arrondissementsrechtbank voor strafzaken Graz van 16 september 2004, dossiernummer: 18 Ur 255/04 y, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan naar het recht van Oostenrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Oostenrijkse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten, vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 1 en 5 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten:

1. Deelneming aan een criminele organisatie;

2. Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De raadsvrouw heeft ter zitting stukken aan de rechtbank overgelegd uit het Oostenrijkse strafdossier die de onschuld van de opgeëiste persoon zouden aantonen. De rechtbank overweegt dienaangaande dat deze stukken zien op het strafrechtelijk bewijs waarover de overleveringsrechter niet mag oordelen.

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Weigeringgrond, als bedoeld in artikel 13 van de OLW

Uit het dossier volgt dat de feiten, waarop dit EAB betrekking heeft, deels op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. Volgens artikel 13, eerste lid, OLW mag de overlevering niet worden toegestaan indien de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank afziet van toepassing van deze weigeringgrond.

De officier van justitie heeft zich in haar conclusie op het standpunt gesteld dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringgrond. Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd.

Enerzijds blijkt uit het Europees Aanhoudingsbevel dat de feiten gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd en dat de opgeëiste persoon derhalve belang heeft bij vervolging en berechting van die feiten in Nederland, nu hij het voornemen had zich met zijn partner in Nederland te vestigen.

Anderzijds blijkt uit de daarop betrekking hebbende stukken dat:

? de vervolging in Oostenrijk betrekking heeft op de internationale handel in verdovende middelen welke samen met anderen in Oostenrijk woonachtige personen en met in Oostenrijk reeds veroordeelde personen werd uitgevoerd;

? het onderzoek in Oostenrijk gaande is;

? de bewijsmiddelen zich in Oostenrijk bevinden;

? de Oostenrijkse rechtsorde door deze handel in verdovende middelen is geschonden.

Ten aanzien van de vordering ex artikel 13, lid 2 van de OLW is de rechtbank - op grond van het gestelde in de conclusie van de officier van justitie - van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7, en 13 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de arrondissementsrechtbank voor strafzaken te Graz ten behoeve van het in Oostenrijk tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door:

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. R.B. Kleiss en B.M. Vroom-Cramer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Mulder, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 27 mei 2005.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.