Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT7046

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
13/497084-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onschuldverweer: overleveringsrechter mag niet oordelen over bewijsstukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497084-2005

RK nummer: 05/1347

Datum uitspraak: 27 mei 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 april 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 24 december 2004 door de Belgische justitiële autoriteit, de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en verblijvende op het [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2005. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Amsterdam gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een aanhoudingsbevel bij verstek, dossiernummer 2004/138, gedateerd 23 december 2004 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage 1 aan deze uitspraak is gehecht. De onderzoeksrechter van voornoemde rechtbank te Antwerpen heeft bij faxbrief van 22 april 2004 onderdeel e) van het EAB aangevuld, welke faxbrief als bijlage 2 aan deze uitspraak is gehecht. De in die bijlagen tussen [..........] geplaatste gedeelten gelden hier als ingevoegd.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten, vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de feiten vallen onder nummer 1 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten:

Deelneming aan een criminele organisatie.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten tevens aangemerkt als feiten die vallen onder nummer 23 op bijlage 1 van de Overleveringswet te weten: “vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten”. Dit oordeel volgt de rechtbank niet.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De overige feiten zijn echter wel zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en opzettelijk invoeren van valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken.

5. Onschuldverweer

De raadsvrouw heeft ter zitting stukken aan de rechtbank overgelegd uit de boekhouding van de opgeëiste persoon die de onschuld van de opgeëiste persoon zouden aantonen. De rechtbank overweegt dienaangaande dat deze stukken zien op het bewijs met betrekking tot de pleegdata van de feiten en dat deze bewijsvraag niet ter beoordeling van de overleveringsrechter staat.

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de Overleveringswet bedoelde garantie geeft.

De Procureur des Konings te Antwerpen heeft op 18 april 2005 de volgende garantie gegeven:

Gelet op de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon ga ik hierbij akkoord om de uit te leveren persoon, in geval van een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of indien er een maatregel welke vrijheidsbeneming met zich brengt, wordt opgelegd in België, naar Nederland over te brengen op basis van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. Ik heb de eer U ter kennis te brengen dat mijn ambt tevens instemt met de omzetting in Nederland van de in België op te leggen vrijheidsstraf zoals bedoeld in artikel 11 van het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen dd. 21 maart 1963 (bedoeld is 1983).

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan.

De onder 4.1 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Medeplegen van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en medeplegen van opzettelijk invoeren van valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 47, 225, 231, 337 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door:

mr. R.B. Kleiss, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en B.M. Vroom-Cramer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Mulder, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 27 mei 2005.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.