Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT6774

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
298374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afstand van de huwelijksgoederengemeenschap. Artikel 1:103 BW en 1:107 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

298374 / H.04.2912

(AV)

1 juni 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

EERSTE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n :

A,

wonende te (woonplaats),

e i s e r bij dagvaarding van 16 juli 2004,

procureur mr. M.A. Hupkes,

t e g e n :

B,

wonende te (woonplaats),

g e d a a g d e,

procureur mr. A.C. Zonneveld.

Partijen worden hierna A en B ge-noemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- dagvaar-ding, met bewijsstukken,

- conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- ambtshalve gewezen tussenvonnis van 22 september 2004 waarbij een comparitie van partijen is bepaald, die op 14 december 2004 heeft plaatsgevonden, en het daarvan op-gemaak-te proces-verbaal,

- brief van 13 december 2004 van A, met bewijsstukken,

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het volgende vast.

a. Partijen zijn op 27 augustus 1998 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 27 augustus 2003 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbe-schikking van 2 juli 2003 in de registers van de burgerlijke stand.

b. Bij de echtscheidingsbeschikking van 2 juli 2003 heeft de rechtbank bepaald dat in het kader van de huwelijksgoederengemeenschap aan ieder der partijen de helft van de schulden wordt toegescheiden en heeft de rechtbank, op verzoek van B, partijen bevolen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande overige bestanddelen van de gemeenschap van goederen. Tegen deze beslissing is B in hoger beroep geko-men. Bij arrest van 11 maart 2004 heeft het gerechtshof te Amsterdam B niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het bevel tot verdeling, omdat het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om een partij wiens verzoek door de eer-ste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven om die beslissing ongedaan te maken omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van dat verzoek af te zien. Voorts heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voorzover de rechtbank heeft bepaald dat in het kader van de huwelijksgoederengemeenschap aan ieder der partijen de helft van de schulden wordt toegescheiden. Het hof heeft daartoe overwogen dat de aard en de omvang van de boedel en de mate waarin reeds verdeling heeft plaatsgevon-den onvoldoende duidelijk is en bovendien B bij akte van 2 september 2003 afstand heeft gedaan van de gemeenschap.

c. Bij akte van 4 september 2003 heeft B afstand gedaan van de gemeenschap van goede-ren waarin zij met A was gehuwd.

d. A heeft op 12 juli 1996 een doorlopend krediet bij C afgesloten met een maximum van ƒ 20.000,=, waarvan hij direct een bedrag van ƒ 13.891,36 heeft opgenomen. Blijkens een rekeningoverzicht van 1 mei 2004 stond op die datum een bedrag open van € 10.642,57.

e. Uit een brief van 8 juli 2004 van de Sociale Dienst aan de advocaat van A blijkt dat de schuld op naam van A aan de Sociale Dienst op voornoemde datum

€ 27.698,55 bedroeg (hoofdsom € 32.143,23), welke schuld is ontstaan op 1 januari 1992 door fraude (A heeft ruim vier jaar voor de huwelijkssluiting met B naast zijn uit-kering van de Sociale Dienst inkomsten genoten welke door hem niet zijn opgegeven).

2. A vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen vast te stellen als volgt:

A. de schulden aan de Gemeentelijke Sociale Dienst en aan C toe te delen aan A;

B. de overbedelingsvordering die A op B heeft vast te stellen op

€ 19.000,=;

C. te bepalen dat B de overbedelingsvordering aan A dient te voldoen in 152 maan-delijkse termijn van elk € 125,= met ingang van tien dagen na betekening van dit vonnis;

D. de proceskosten te compenseren.

3.1 A stelt daartoe -kort gezegd- dat B haar recht om afstand te doen van de gemeenschap (zoals bedoeld in artikel 1:103 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) heeft verspeeld omdat zij de goederen van de gemeenschap aan zich heeft getrokken. Zo heeft B, aldus A, de inboedelgoederen onder zich gehouden en heeft zij zich als heer en meester van die inboedel gedragen. Ook heeft B het overleg gezocht om de verdeling vast te stellen. Voorts is B blijven wonen in de voormalige echtelijke woning, zodat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:107 lid 1 en lid 2 BW, met als gevolg dat de afstand rechtens geen effect heeft. Thans is A niet meer geïnteresseerd in de inboedel; de spullen die B heeft mag ze houden.

3.2 Voorts grondt A zijn vordering tot verdeling op de onherroepelijke beschikking van het hof van 11 maart 2004, waarin het hof B niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep tegen het bevel tot verdeling. Volgens A staat hierdoor vast dat B dient mee te werken aan de verdeling van de gemeenschap waaronder begrepen de verdeling van de schulden.

3.3 Verder voert A aan dat B misbruik maakt van recht door de afstand van de gemeen-schap in te roepen. Hij stelt dat B heeft geprofiteerd van de schulden nu daarmee mede haar overkomst vanuit (plaats) naar Nederland is bekostigd, een deel is aangewend om het huwelijk van partijen te vieren en zij ook profiteert van de inboedel die daarmee is aangeschaft. Derhalve moeten volgens A de schulden bij helfte worden verdeeld.

4.1 B bestrijdt de vordering en voert aan dat door de door haar afgelegde afstandsverklaring de schulden geheel aanwassen bij A, zodat er geen schulden tussen partijen meer te ver-delen zijn. Zij betwist dat zij zich zodanig heeft gedragen dat daaruit kan worden afge-leid dat zij zich als enige rechthebbende op goederen uit de gemeenschap beschouwde. Zij heeft de door A achtergelaten inboedelgoederen in de berging gezet, en heeft A ver-zocht deze op te halen. A weigert de spullen op te halen. Verder was B tot november 2002 (het moment waarop ze kennis nam van het verweerschrift van A terzake de echt-scheidingsprocedure) niet bekend met het feit dat A omvangrijke schulden had gemaakt.

4.2 Volgens B is door de beschikking van het hof van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank overgebleven het onbepaalde bevel tot verdeling van de boedel. De verdeling zelf is niet vastgesteld en ook partijen zijn niet overgegaan tot verdeling, hetgeen im-mers een meerzijdige rechtshandeling is. Dat A uit eigen beweging bepaalde inboedel-goederen heeft meegenomen en andere achtergelaten, zonder daarover afspraken met B te maken, is feitelijk handelen dat niet als verdeling kan worden beschouwd. Een bevel tot verdeling van de gemeenschap staat volgens B niet in de weg aan het recht afstand van die gemeenschap te doen. Afstand doen van een gemeenschap kan ook pas nadat deze is ontbonden. Toen B het nevenverzoek betreffende het bevel tot verdeling bij de rechtbank indiende, had zij geen enkel benul van de enorme schuldenlast van A. Ten-slotte betwist B dat zij het overleg zocht om de verdeling vast te stellen.

5. De rechtbank stelt voorop dat onbetwist is dat op de huwelijksgoederengemeenschap van partijen Nederlands recht van toepassing is, zodat ook de rechtbank hiervan uit zal gaan. Voorts overweegt de rechtbank als volgt.

6. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of B haar recht om afstand te

doen van de gemeenschap (als bedoeld in artikel 1:103 BW) heeft verloren in de zin van artikel 1:107 BW. Lid 1 van artikel 1:107 BW bepaalt dat de echtgenoot die zich de goederen van de gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft wegge-maakt of verduisterd geen afstand meer kan doen. Daden van dagelijks bestuur of tot behoud van de goederen brengen dit gevolg niet teweeg. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen A heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat B de goederen van de gemeenschap aan zich heeft getrokken als bedoeld in voornoemd artikel. Daartoe is niet voldoende dat zij op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen gebruik is blijven maken van de voormalige echtelijke (huur)woning. Evenmin is daartoe vol-doende dat er kennelijk inboedelgoederen bij B zijn achtergebleven, nu A zelf stelt dat hij niet van plan is deze goederen op te halen en B stelt dat zij A wel hierom heeft ver-zocht. De enkele omstandigheid dat B al dan niet het overleg heeft gezocht om de ver-deling vast te stellen doet aan het voorgaande niet af, nu B tijdig na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking afstand heeft gedaan van de gemeenschap.

7. De ontbinding van het huwelijk heeft tot gevolg dat de gemeenschap vatbaar is gewor-den voor verdeling. De rechtbank heeft op verzoek van B partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de gemeenschap. De beslissing omtrent de wijze van verdeling is door het gerechtshof echter vernietigd, mede omdat B inmiddels afstand had gedaan van de gemeenschap. Dat het bevel van de rechtbank inmiddels in kracht van gewijsde is ge-gaan, brengt niet mee dat de afstand, die immers gelet op het bepaalde in artikel 1:104 BW kan worden gedaan tot drie maanden ná de ontbinding van het huwelijk (en het voor verdeling vatbaar worden van de gemeenschap), zonder rechtsgevolgen behoort te blijven. Het recht biedt voor die stelling van A geen aanknopingspunten. Anders ge-zegd: het instellen van een vordering tot verdeling van de gemeenschap staat op zichzelf niet in de weg aan de bevoegdheid op een later tijdstip afstand te doen van de gemeen-schap. Omstandigheden die maken dat het beroep van B op de rechtsgevolgen van de afstand in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zijn gesteld noch gebleken. De af-stand heeft immers, gelet op het bepaalde in artikel 1:103 BW tot gevolg dat B ontheven wordt van aansprakelijkheid voor gemeenschapsschulden waarvoor zij vóór de ontbin-ding van de gemeenschap niet aansprakelijk was; zij blijft echter aansprakelijk voor schulden waarvoor zij al aansprakelijk was.

8. Van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van B door zich te beroepen op de akte van afstand van de gemeenschap is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. Als ontbetwist staat vast dat de schuld van A aan de Sociale Dienst is ontstaan vóór het hu-welijk van partijen en gesteld noch gebleken is dat B hier enig profijt van heeft gehad. Ook de schuld aan C is in ieder geval door A aangegaan vóór het huwelijk van partijen. A heeft ter zitting aanvankelijk verklaard dat hij

ƒ 20.000,= heeft geleend ten behoeve van het huwelijk van partijen. Nadat A bij voorle-zing van zijn verklaring erop is gewezen dat de lening dateert van juli 1996, derhalve ruim twee jaar vóór het huwelijk, heeft A verklaard dat een bedrag van

ƒ 6.000,= is aangewend voor het huwelijk van partijen. B betwist dit op zich niet. Wel heeft zij ter zitting verklaard dat haar familie de helft van het huwelijk van partijen heeft betaald. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat wellicht van het door A op 12 juli 1996 afgesloten doorlopend krediet bij C een deel is aangewend voor het huwelijk van partijen en wellicht ook ten tijde van het huwelijk van partijen voor in-boedelgoederen en de overkomst van B naar Nederland, onvoldoende is om met betrek-king tot de akte afstand van gemeenschap misbruik van recht aan de zijde van B te doen ontstaan. Een en ander geldt te meer daar A bij het afsluiten van het krediet bij C in 1996 meteen een bedrag heeft opgenomen van ƒ 13.891,36 waarvan gesteld noch geble-ken is dat ook B daarvan heeft geprofiteerd.

9. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het gevorderde dient te worden afgewezen, waarbij, nu partijen gewezen echtelieden zijn, de proceskosten zullen wor-den gecompenseerd.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het gevorderde af;

- compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, lid van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openba-re terecht-zitting van 1 juni 2005 in tegen-woordig-heid van de griffier.