Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT6265

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
26-05-2005
Zaaknummer
13.497.137-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering naar Zweden van een Nederlander, ogv art 13 OLW is overlevering geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.137-2005

RK nummer: 05/1143

Datum uitspraak: 20 mei 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (hierna ook: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 april 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 13 maart 2005 door de Deputy chief Prosecutor van de Prosecutor’s office te Uddevalla, Zweden. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

wonende op het [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 10 mei 2005. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M. Ferschtman, advocaat te Amsterdam gehoord. De behandeling is aangehouden tot de zitting van 13 mei 2005 teneinde de raadsman en de officier van justitie in Nederland in de gelegenheid te stellen in overleg te treden met de Zweedse autoriteiten. De raadsman en de opgeëiste persoon zijn, met hun instemming, niet meer gehoord op de zitting van 13 mei 2005. De officier van justitie heeft op 13 mei 2005 haar samenvatting ingevolge artikel 26, tweede lid, OLW aan de rechtbank overhandigd.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een beslissing van het Vänersborg district court van 11 maart 2005 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Zweden strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het feit is zowel naar het recht van Zweden als naar Nederlands recht strafbaar.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien de overlevering wordt toegestaan, uitdrukkelijk niet over te leveren voor Section 4 subsection 3, maar slechts voor het strafbare feit omschreven in Section 4, subsection 1, van het Zweedse Wetboek van Strafrecht, omdat die strafbepaling betrekking heeft op het omschreven feit. Er is naar zijn oordeel geen reden om het feit aan te merken als ‘aggravated crime’.

De rechtbank overweegt dat het vaststellen van dubbele strafbaarheid dient om het feitencomplex naar Nederlands recht te kunnen kwalificeren en zodoende te kunnen bepalen of voldaan wordt aan het vereiste dat het feit in beide staten bedreigd wordt met een maximumstraf van ten minste twaalf maanden. Hoe het feit uiteindelijk gekwalificeerd zal worden is een bevoegdheid die toekomt aan de Zweedse rechtbank. Nu beide genoemde Zweedse strafbepalingen voldoen aan het criterium dat het feit wordt bedreigd met een maximumstraf van ten minste 12 maanden, heeft de opgeëiste persoon geen belang bij dit verweer.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.

Op dit feit is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard wel schuldig te zijn aan het feit, maar hij verklaart ten tijde van het plegen van het feit niet op de hoogte te zijn geweest van de strafbaarheid daarvan.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van

schuld aan dit feit is dan ook niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit.

Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de Overleveringswet bedoelde garantie geeft.

De deputy chief Prosecutor van de Office of the Prosecutor General te Stockholm heeft bij brief van 2 mei 2005 de volgende garantie gegeven:

“If [opgeëiste persoon] is convicted to a custodial sentence or detention order, [opgeëiste persoon] will be returned to the Netherlands in order to serve the sentence after the judgment has gained legal force. The Netherlands may convert the sentence in accordance with article 11 of the Council of Europe Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983”.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e) van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Verweren

7.1. Artikel 2, tweede lid onder e, van de Overleveringswet

De raadsman heeft aangevoerd dat het EAB te algemeen en te vaag is geformuleerd. Met name is de betrokkenheid van de opgeëiste persoon onvoldoende beschreven. Op die grond dient de overlevering te worden geweigerd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

De Zweedse autoriteiten hebben onder e) van het EAB ten aanzien van het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht onder meer geschreven:

“On 2 Dec. 2004 in the municipality of Trollhättan, Sweden, without any consideration

worthy of attention, together with the [child's mother], he abducted the [child] born 1998 from Trollhättan to the Netherlands”

De rechtbank acht de betrokkenheid van de opgeëiste persoon in de verdenking voldoende duidelijk omschreven, mede gelet op de eigen verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting.

7.2. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Overleveringswet.

7.2.1.Uit de stukken blijkt dat een deel van het feit waarvoor de Zweedse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.

7.2.2

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe, zoals vermeld in haar samenvatting, het volgende aangevoerd:

Enerzijds blijkt dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland verblijf houdt en werkt, alsmede dat de opgeëiste persoon (zieke) gezins- en familieleden in Nederland heeft. Onder meer op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon een belang heeft bij vervolging en berechting in Nederland.

Anderzijds blijkt uit dit Europese Aanhoudingsbevel en de daarop betrekking hebbende stukken dat:

1. Het feit waarop het EAB ziet zich slechts gedeeltelijk en in zeer beperkte mate op Nederlands grondgebied heeft afgespeeld. De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt – als mededader – aan het onttrekken aan het ouderlijk gezag van een ongeveer 6 jaar oud Zweeds kind, over wie de in Zweden wonende vader, bij wie het kind woont, alleen het ouderlijk gezag heeft. De opgeëiste persoon heeft samen met de moeder, het kind meegenomen uit Zweden naar Nederland, en het kind op deze wijze aan het gezag van de vader onttrokken;

2. De opsporing en de vervolging van de feiten zijn in Zweden aangevangen;

3. Met betrekking tot dit EAB zijn in Zweden de bewijsmiddelen voorhanden;

4. Het feit waarvan [opgeëiste persoon] door de Zweedse autoriteiten wordt verdachte heeft betrekking op een onttrekking aan het ouderlijk gezag van een in Zweden wonende Zweedse minderjarige, hetgeen eveneens een argument vormt voor de conclusie dat het zwaartepunt van de schending van de rechtsorde vanwege de schadelijke gevolgen van het strafbare feit vooral buiten Nederland ligt.

Het bovenstaande brengt de officier van justitie tot het oordeel dat bij afweging van het belang dat de opgeëiste persoon heeft bij een berechting in Nederland en het belang dat de verzoekende staat heeft bij zijn berechting aldaar, het belang van de verzoekende staat dient te prevaleren.

7.2.3.

De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het EAB betrekking heeft op een feit dat voor het grootste gedeelte op Nederlands grondgebied is gepleegd. De raadsman baseert zich hierbij op het feit dat de overlevering uitdrukkelijk wordt verzocht voor het onttrekken van de minderjarige aan het gezag van zijn vader en niet voor ontvoering dan wel vrijheidsberoving terwijl de minderjarige enige tijd in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon heeft volgens de raadsman recht op vervolging in Nederland in plaats van in Zweden.

De vordering van de officier van justitie om af te zien van deze weigeringsgrond dient te worden afgewezen, aldus de raadsman.

Hij voert hiertoe de volgende argumenten aan:

De opgeëiste persoon is Nederlander zonder strafblad. Hij heeft in Nederland zijn vaste woon-en verblijfplaats, zijn vaste baan, zijn huis en gezin. Hij is, zoals blijkt uit een verklaring van zijn werkgever, onmisbaar voor zijn werk en zal, indien hij wordt overgeleverd, zo goed als zeker zijn baan verliezen. Dit zal tot gevolg hebben dat hij zijn huis niet meer zal kunnen betalen en de woning kwijt zal raken.

De opgeëiste persoon heeft de zorg voor de 16-jarige dochter van zijn partner. Zij gaat hier naar school. Indien de opgeëiste persoon wordt overgeleverd zal niemand voor haar kunnen zorgen, gelet op de afwezigheid van haar moeder, die inmiddels in Zweden is gedetineerd in verband met deze zaak.

Voorts heeft de opgeëiste persoon zorg voor zijn zieke vader die onvoldoende door zijn moeder kan worden verzorgd.

Naar het oordeel van de raadsman dienen de Nederlandse autoriteiten te beoordelen of de opgeëiste persoon in Nederland zal worden vervolgd. Op deze wijze kan, zo stelt hij, ook gekeken worden naar de rol van de Raad voor de Kinderbescherming, die de opgeëiste persoon in deze heeft geadviseerd. Indien de rechtbank dat noodzakelijk acht, verzoekt de raadsman de betrokken persoon van de Raad voor de Kinderbescherming op te roepen als getuige op de voet van artikel 26, vijfde lid, OLW.

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat, indien de rechtbank van oordeel is dat Zweden toch het aangewezen land is voor de vervolging van dit feit, er alternatieven aanwezig zijn, zoals een rogatoire commissie, om tegemoet te komen aan het Zweedse onderzoeksbelang zonder dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd. De opgeëiste persoon is ten volle bereid mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek.

Overlevering zal voor de opgeëiste persoon en zijn familie onomkeerbare gevolgen meebrengen. De belangenafweging dient, naar het oordeel van de raadsman, in het voordeel van de opgeëiste persoon uit te vallen. Hij concludeert dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot haar vordering heeft kunnen komen.

7.2.4.

Ter zitting van 10 mei 2005 heeft de raadsman melding gemaakt van het feit dat hij contact heeft opgenomen met het Zweedse openbaar ministerie om te bezien of er mogelijkheden waren voor de opgeëiste persoon zich vrijwillig in Zweden te melden om zo te voorkomen, zo begrijpt de rechtbank, dat de opgeëiste persoon daar in voorlopige hechtenis hoeft te verblijven. Dat overleg had op dat moment nog tot niets geleid. De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden tot de zitting van 13 mei 2005 om verder overleg tussen de officier van justitie en de raadsman onderling en met de Zweedse autoriteiten mogelijk te maken.

Na de zitting heeft de raadsman aan de officier van justitie meegedeeld dat de opgeëiste persoon bereid is zich vrijwillig te melden in Zweden als aan hem de garantie wordt gegeven dat hij in Zweden niet in voorlopige hechtenis zal gaan.

Uit overleg van de officier van justitie bij deze rechtbank met de Zweedse officier van justitie is gebleken dat de Zweedse officier van justitie hieraan niet wil meewerken. Hij wil het EAB niet intrekken, zal de opgeëiste persoon na overlevering in voorlopige hechtenis doen nemen en zal niet meewerken aan een vrijwillige melding van de opgeëiste persoon.

7.3 De beoordeling

De rechtbank overweegt het volgende:

Artikel 13, tweede lid, OLW, schrijft voor dat op vordering van de officier van justitie wordt afgezien van een weigering van de overlevering uitsluitend krachtens het eerste lid, onder a en b, tenzij naar het oordeel van de rechtbank de officier van justitie niet in redelijkheid tot zijn vordering heeft kunnen komen.

7.3.1

Ter zitting van 10 mei 2005 heeft de officier van justitie gesteld dat het openbaar ministerie ongeschreven beleid heeft in zaken waarin artikel 13 OLW een rol speelt. Samengevat houdt dit beleid in dat een afweging wordt gemaakt tussen enerzijds de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon en anderzijds die van een goede rechtsbedeling.

Dit beleid is niet kenbaar voor anderen, die daarop dus geen beroep kunnen doen. Evenmin kan de rechtbank dit ongeschreven beleid bij haar toets in deze betrekken. De rechtbank zal dan ook bij haar beoordeling van de vordering van de officier van justitie, om af te zien van de weigeringgrond krachtens artikel 13 lid 1 onder a en b van de OLW, uitgaan van het toetsingkader zoals zij dat heeft neergelegd in haar uitspraak van 1 april 2005 (LJN: AT3380). Op het openbaar ministerie rust een verzwaarde plicht te motiveren waarom wordt gevorderd van deze weigeringgrond af te zien. Naarmate de argumenten, die de opgeëiste persoon in dit verband aanvoert concreter van aard zijn, zal het openbaar ministerie die argumenten concreter dienen te betrekken in haar afweging.

7.3.2

In het onderhavige geval heeft de officier van justitie haar vordering gemotiveerd zoals hiervoor onder 7.2.2 weergegeven.

In deze motivering ontbreekt een overweging die is gewijd aan het beginsel van subsidiariteit. Immers, gelet op de ernst van het feit waarvan de opgeëiste persoon in Zweden wordt verdacht en de stand van het onderzoek, een en ander in het licht van bestendige rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, inhoudende dat terughoudend dient te worden omgegaan met de toepassing van voorlopige hechtenis, dient in het onderhavige geval te worden bezien of er alternatieven bestaan om tegemoet te komen aan de belangen van een goede rechtsbedeling. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Zweden een onmiskenbaar belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het onderhavige EAB.

7.3.3

De behandeling ter zitting is op 10 mei 2005 een aantal dagen geschorst opdat de raadsman in overleg kon treden met de uitvaardigende autoriteit om te bezien of een vrijwillige melding, zonder dat de opgeëiste persoon direct in voorlopige hechtenis zou worden genomen, tot de mogelijkheden behoort.

Zoals hiervoor onder 7.2.4 is weergegeven, wil de uitvaardigende autoriteit hieraan niet meewerken. Het persoonlijk belang van de opgeëiste persoon om niet te worden overgeleverd (dan wel in Nederland te worden berecht) is door deze beslissing groter geworden.

In haar samenvatting op grond van artikel 26 lid 2 OLW van 13 mei 2005 heeft de officier van justitie geen blijk ervan gegeven met dit toegenomen belang rekening te hebben gehouden, zodat het voor de rechtbank onmogelijk is vast te stellen of de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen, reden waarom aan de vordering voorbij moet worden gegaan.

Het voorgaande brengt mee dat de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid OLW niet kan worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Deputy chief Prosecutor van de Prosecutor’s office te Uddevalla, Zweden ten behoeve van het in Zweden tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

HEFT OP de – geschorste – detentie waarin de opgeëiste persoon zich thans bevindt.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. A.J.R.M. Vermolen en P.B. Martens, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 mei 2005.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.