Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT5911

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
13/062852-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt verdacht van het opzettelijk, in het openbaar mondeling beledigen van een politicus in tv programma Barend en Van Dorp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/062852-03

Datum uitspraak: 20 mei 2005

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres]

De politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 mei 2005.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 9 december 2002 te Hilversum, in elk geval in Nederland opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij], in het openbaar mondeling heeft beledigd, door in het t.v.-programma Barend en Van Dorp te zeggen dat voornoemde [benadeelde partij] de grootste “neonazi” uit de Nederlandse politiek is, althans woorden van die aard en/of strekking.

2. Voorvragen

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Ter terechtzitting heeft de raadsman het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat vervolging van de verdachte een ontoelaatbare inbreuk vormt op het recht van een ieder op vrijheid van meningsuiting. Gelet op de Europese jurisprudentie hieromtrent had de officier van justitie niet tot vervolging mogen overgaan.

De raadsman heeft dit verweer onderbouwd met hetgeen staat vermeld in zijn op de terechtzitting van 11 mei 2005 overgelegde en aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehechte pleitnotitie.

De politierechter verwerpt dit verweer van de raadsman.

Noch uit de tekst van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het Europees Verdrag), noch uit de jurisprudentie van het Europese Hof valt af te leiden, dat de vrijheid van meningsuiting, zoals omschreven in artikel 10 van het Europees Verdrag, een absoluut recht is. Het recht op vrije meningsuiting kan blijkens het bepaalde in artikel 10, lid 2 van het Europees Verdrag worden onderworpen aan beperkingen, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor onder meer de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Het is dus niet zo dat thans reeds kan worden geoordeeld dat de vervolging van verdachte een ontoelaatbare inbreuk vormt op haar recht op vrije meningsuiting.

De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 9 december 2002 te Hilversum opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij] in het openbaar mondeling heeft beledigd, door in het t.v.- programma Barend en Van Dorp te zeggen dat voornoemde [benadeelde partij] de grootste “neonazi” uit de Nederlandse politiek is.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ter terechtzitting van 11 mei 2005 heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat in het onderhavige geval aan [benadeelde partij] geen recht tot beklag zou toekomen om reden dat –zakelijk weergegeven- hij er door zijn eigen handelen en uitlatingen zelf heeft toe bijgedragen dat hem deze bewoordingen zouden kunnen worden toegevoegd.

De raadsman heeft dit verweer onderbouwd met hetgeen staat vermeld in zijn op de terechtzitting van 11 mei 2005 overgelegde en aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehechte pleitnotitie

De politierechter overweegt hieromtrent dat, nog daargelaten of in het onderhavige geval kan worden gesteld dat [benadeelde partij] ertoe heeft bijgedragen dat hij de bewoordingen van de verdachte heeft toegevoegd gekregen, geen rechtsbeginsel bepaalt, dat een persoon in een dergelijk geval het recht tot klacht te dezen aanzien wordt ontzegd dan wel dat onderscheid wordt gemaakt tussen personen aan wie wel en aan wie niet een dergelijk recht toekomt.

Tevens heeft de raadsman ter terechtzitting van 11 mei 2005, mede met verwijzing naar het arrest van het EHRM 13 november 2003, NJ 2004, 338 ([S. en N.]) aangevoerd dat –zakelijk weergegeven-

a) de verdachte met haar uitlating [benadeelde partij] niet heeft beledigd doch slecht een toelaatbaar

waardeoordeel heeft geuit;

b) dat [benadeelde partij] door de toevoeging van verdachte niet kan zijn beledigd, omdat uit feiten en

omstandigheden blijkt dat hij neonazistisch sympathieën zou hebben ;

c) dat [benadeelde partij] door de uitlating van de verdachte niet beledigd is, omdat hij op grond van

genoemd arrest van het EHRM als politicus meer aan uitlatingen heeft te dulden dan een

“gewone” burger

d) op grond van genoemd arrest met de vervolging van de verdachte haar in artikel 10 van het

EVRM neergelegde recht op vrije meningsuiting is geschonden.

De raadsman heeft dit verweer onderbouwd met hetgeen staat vermeld in zijn op de terechtzitting van 11 mei 2005 overgelegde en aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehechte pleitnotitie

De politierechter overweegt ten aanzien van het door de raadsman gestelde als volgt.

In essentie draait het in de onderhavige zaak niet om de vraag of [benadeelde partij] als een neonazi kan worden aangemerkt, maar om de vraag of de door de verdachte gedane uitspraak een belediging is als bedoeld in artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht.

In het arrest van 30-10-2001, 01940/00 NJ 2002, 129 bepaalt de Hoge Raad: “Een uitlating is beledigend wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam.”

In het arrest van 06-01-2004, 01019/03 NJ 2004, 201 voegt de Hoge Raad hieraan toe dat een uitlating als beledigend moet worden beschouwd “wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.”

Naar het oordeel van de politierechter heeft de aanduiding van een persoon met de woorden “de grootste neonazi uit de Nederlandse politiek” naar objectieve maatstaven de strekking deze persoon bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Bovendien heeft de verdachte zelf ter terechtzitting verklaard, dat zij “het Nederlandse publiek wilde waarschuwen voor deze persoon.” Uit genoemde uitlating – en uit haar verklaring in het verhoor door de politie: “misschien is het woord neonazi niet goed door mij gekozen” kan naar het oordeel van de politierechter tevens de opzet op de belediging worden afgeleid. Tevens is van belang dat [benadeelde partij] aangifte heeft gedaan van de belediging en dat overigens uit de inhoud van die aangifte blijkt dat [benadeelde partij] zich ook daadwerkelijk beledigd heeft gevoeld door genoemde uitlating van de verdachte.

Gelet op de jurisprudentie hieromtrent van zowel de Hoge Raad als het Europees hof is eveneens van belang of een bepaalde uitlating (slechts) kan worden aangemerkt als een aanduiding of benoeming van een persoon dan wel dat deze uitlating dient te worden beschouwd als onnodig grievend of kwetsend. Bepalend bij dit onderscheid is naar het oordeel van de politierechter of een bepaalde uitlating onnodig zwaar is aangezet dan wel onnodig grievend moet worden geacht. Naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld dat, gelet op de context waarin de uitlating is gedaan de aanduiding van een persoon als “grootste neonazi uit de Nederlandse politiek” de gradatie van aanduiding of benoeming overschrijdt.

Waar, onder omstandigheden, een persoon aanduiden met het enkele woord “neonazi” mogelijk nog kan worden aangemerkt als zijnde een aanduiding of benoeming, door de toevoeging van de woorden “de grootste” èn vanwege het feit dat de uitlating is gedaan in boven geschetste context, dient de door verdachte gedane uitlating te worden aangemerkt als beledigend.

Het vorenstaande wordt niet anders indien het subject van de belediging een politicus is. Weliswaar mag onder omstandigheden van een politicus worden verwacht dat deze tegen meer bestand is dan een ‘gewone’ burger, doch dit laat onverlet dat ook een politicus niet beledigd mag worden op de manier zoals hiervoor is uiteengezet.

Voor wat betreft het betoog van de raadsman dat verdachte in haar vrijheid van menings-uiting wordt beknot, stelt de politierechter vast dat deze beknotting in overeenstemming is met artikel 10, lid 2 van het Europees Verdrag. Immers is de beperking van artikel 266 Sr bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk voor de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Verdachte heeft, zoals hiervoor uiteengezet, [benadeelde partij] opzettelijk beledigd en hiermee de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zoals omschreven in artikel 10 van het Europees Verdrag overschreden.

5. Het bewijs

De politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

6. De strafbaarheid van het feit

Ter terechtzitting van 11 mei 2005 heeft de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging om reden dat –zakelijk weergegeven- de uitlating van de verdachte ertoe strekte een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen als bedoeld in artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft dit verweer onderbouwd met hetgeen staat vermeld in zijn op de terechtzitting van 11 mei 2005 overgelegde en aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehechte pleitnotitie

De politierechter verwerpt dit verweer.

De politierechter overweegt, dat het tweede lid van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht mede bepaalt dat de gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen er niet op gericht mogen zijn “ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit”. Om redenen als hierboven uiteengezet met betrekking tot het onderscheid tussen aanduiden en beledigen is de politierechter van oordeel dat de uitlating van de verdachte wel gericht was op het zwaarder grieven van [benadeelde partij] dan uit de strekking van haar uitlating voortvloeit.

Verder verwerpt de politierechter dit verweer, omdat verdachte de beweerdelijke verwarring bij de kiezers voortvloeiende uit de overeenkomst in de naam van haar politieke partij en de naam van de politieke partij van [benadeelde partij] via de in de Kieswet vastgelegde procedure had kunnen aanvatten. Bovendien verwerpt de politierechter dit verweer omtrent de naamsverwarring, omdat niet ingezien kan worden waarom niet in een normaal politiek debat – dat wil zeggen zonder onnodig grievende uitlatingen - de kiezers van de verschillen overtuigd zouden kunnen worden.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is gelet op bovenstaande en ook overigens niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderdvijftig euro

( € 550,00), subsidiair elf (11) dagen hechtenis.

De politierechter overweegt dienaangaande, dat het openbaar ministerie bij eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie –mede afhankelijk van de aard van de belediging- een geldboete tussen de € 130,= en € 350,= pleegt te vorderen. Voor de eenvoudige belediging van een niet-ambtenaar zonder verzwarende omstandigheden pleegt een transactieaanbod in de orde van € 100,= tot € 150,= te worden gedaan. De officier van justitie heeft de afwijkende eis gemotiveerd door te verwijzen naar het verscherpte politieke klimaat tijdens de onderhavige verkiezingsperiode.

Met die motivering acht de politierechter niet te verenigen de mededeling ter terechtzitting van de officier van justitie, dat hij verdachte door het aanbieden van een transactie de gelegenheid heeft willen bieden de zaak in stilte af te doen.

Nu verdachte inmiddels niet meer direct politiek actief is, ziet de politierechter geen redenen haar een andere sanctie op te leggen dan in andere gevallen waarbij de ene burger zich jegens een andere burger beledigend uit.

Nu het bewezen verklaarde misdrijf bijna twee en een half jaar geleden is gepleegd en er sindsdien geen andere misdrijven ter kennis van politie of justitie zijn gekomen, is de politierechter van oordeel, dat volstaan kan worden met een geheel voorwaardelijke sanctie.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 266 van het Wetboek van Strafrecht.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Eenvoudige belediging

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 (drie) dagen, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.T. van Voorst, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. D. Oudshoorn-Kloos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze politierechter van 20 mei 2005.