Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT5808

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
19-05-2005
Zaaknummer
13.497106-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering naar Frankrijk geweigerd. Ook na aanvulling voldoet het EAB niet aan de vereisten van art. 2 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497106-2005

RK nummer: 05/958

Datum uitspraak: 13 mei 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 maart 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 11 maart 2005 door de Public Prosecutor, County Court (Procureur de la République, Tribunal de Grande Instance) te Laval, Frankrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord,

Huis van Bewaring “Zuyderbos” te Heerhugowaard,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 mei 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. R.T.M. Borsjé, advocaat te Haarlem gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Roemeense taal.

Een eerdere behandeling van de vordering vond plaats op 12 april 2005.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een aanhoudingsbevel afgegeven door de Onderzoeksrechter bij bovengenoemde rechtbank en gedateerd 2 juni 2004, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan vier naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Roemeense nationaliteit heeft.

4. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

5. Strafbaarheid

5.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet

De feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd worden in het EAB onder e) als volgt omschreven:

“During the night of 13 to 14 July 19999, 3 burglaries took place at Mortain and Barenton.

Telephonecards were taken at this moment.

A user of these Cards states that he obtained them from [opgeëiste persoon] alias [opgeëiste persoon].

[opgeëiste persoon] is considered as an accomplice”.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt en aangegeven dat deze feiten vallen onder nummer 18 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal.

De rechtbank dient te beoordelen of de Franse justitiële autoriteiten, - uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - in redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen.

In dit kader en naar aanleiding van de behandeling van de vordering op 12 april 2005 heeft de rechtbank op 19 april 2005 een tussenuitspraak gewezen en daarbij het volgende overwogen:

De rechtbank acht zich op grond van de beschikbare informatie met betrekking tot de feiten onvoldoende geïnformeerd om vast te kunnen stellen hoe de feiten naar Nederlands recht dienen te worden gekwalificeerd. Uit het dossier blijkt onvoldoende waarom de opgeëiste persoon als medeplichtige moet worden aangemerkt. Indien Frankrijk het oog heeft op heling zal verder moeten worden onderbouwd dat en waarom de opgeëiste persoon wist of had moeten weten dat de telefoonkaarten van misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht de volgende vragen door te willen geleiden aan de Franse justitiële autoriteit:

- Is het EAB zo bedoeld dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht voor de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan drie diefstallen en een maal voor ‘het verstrekken van de bij die diefstallen gestolen telefoonkaarten aan een derde’?

- De rechtbank verzoekt, om de feiten naar Nederlands recht te kunnen kwalificeren, een duidelijker omschrijving van de aan de opgeëiste persoon verweten strafbare feiten. Met name zou de rechtbank willen vernemen of er bij het plegen van de diefstallen op 13 en 14 juli 1999 te Mortain en Barenton medeplegers zijn geweest en waaruit de medeplichtigheid van de opgeëiste persoon bij elk van die diefstallen zou hebben bestaan.

- Tevens zou de rechtbank geïnformeerd willen worden over het volgende:

Als de gebruiker van de bij die diefstallen gestolen telefoonkaarten de opgeëiste persoon heeft aangewezen als degene van wie hij die kaarten heeft gekregen, zijn er aanwijzingen dat de opgeëiste persoon heeft geweten of had moeten weten dat het gestolen telefoonkaarten betrof?

In antwoord hierop heeft het Parquet du Procureur de la République de Laval op 3 mei 2005 aan het Parket van de Officier van Justitie te Amsterdam schriftelijke informatie gestuurd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het EAB blijkt dat de verdenking jegens de opgeëiste persoon is gerezen vanwege het feit dat hij gestolen telefoonkaarten in zijn bezit had.

De op 3 mei 2005 gedateerde informatie bevat een nadere beschrijving van de feiten waarbij de opgeëiste persoon en anderen betrokken zouden zijn. Hieruit blijkt dat er op de plaats van twee inbraken vingersporen zijn aangetroffen, toebehorende aan ene [betrokkene], niet zijnde de opgeëiste persoon.

Uit onderzoek is het mogelijk om vast te stellen dat de opgeëiste persoon als inbreker óf als heler bij de feiten betrokken kan zijn, aldus de Franse justitie.

Vervolgens worden de gestelde vragen beantwoord.

Uit deze antwoorden blijkt

- dat de opgeëiste persoon vervolgd zal worden als medepleger bij ‘gang theft’ en ‘burglary’, niet voor heling van gestolen goederen. Een vervolging voor zowel de betrokkenheid, als pleger, bij de diefstal als de heling van de bij die diefstal ontvreemde goederen is ook naar Frans recht niet mogelijk.

- Voorts blijkt dat de opgeëiste persoon in het gezelschap heeft verkeerd van ene [betrokkene] van wie de vingersporen zijn aangetroffen op de plaats van het twee inbraken. Uit onderzoek is gebleken dat [betrokkene] en de opgeëiste persoon als gasten dezelfde (kamer?) hebben gedeeld.

- Tenslotte achten de Franse autoriteiten de derde vraag van de Amsterdamse rechtbank zinloos indien er van wordt uitgegaan dat de opgeëiste persoon als mededader van de diefstallen of berovingen wordt beschouwd. Vervolgens gaan zij in hun antwoord uit van de vervolging voor heling van gestolen goederen en citeren zij de verklaring van een getuige “[opgeëiste persoon] told me not to buy cards (...) He gave me a code number for the phone. I was able to call Spain every time. Except considering that it is a matter of generosity, these gracious transfers are proof that het was not aware of the origin of the cards”.

De rechtbank is van oordeel dat de Franse autoriteiten, ondanks de gelegenheid die hun geboden is om nadere informatie te verstrekken, de vraag of de opgeëiste persoon voor heling dan wel voor het medeplegen van diefstal/inbraak/beroving wordt vervolgd, in het midden hebben gelaten. Ook de vraag of de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvan hij wordt verdacht aangeduid dient te worden als mededader of als medeplichtige is niet duidelijk beantwoord.

Onduidelijk is ook het aantal feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd.

Indien de vervolging ziet op de heling van gestolen goederen, dan dient de rechtbank te beoordelen of dit feit zowel naar het recht van Frankrijk als naar Nederlands recht strafbaar is.

Bovendien dient op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden te zijn gesteld.

Nu de Franse autoriteiten hebben aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de vervolging zich tot de heling van de telefoonkaarten zou beperken, komt de rechtbank aan deze beoordeling niet toe, nog los van het gegeven dat in de stukken diverse Franse strafmaten worden genoemd.

De rechtbank is alles overziende van oordeel dat de Franse justitiële autoriteiten, - uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - in redelijkheid niet tot dat oordeel, te weten het aankruisen van nummer 18 (georganiseerde of gewapende diefstal) op de bij het EAB behorende lijst, hebben kunnen komen, terwijl de verstrekte informatie teveel lacunes vertoont om te beoordelen of het hier een of meer feiten betreft waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist, dat wil zeggen feiten die ook naar Nederlands recht kunnen worden gekwalificeerd als strafbare feiten.

De rechtbank zal de overlevering dan ook weigeren nu het EAB niet voldoet aan de vereisten die artikel 2 van de OLW daaraan stelt en de aanvullende informatie in dit gebrek niet heeft voorzien.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat niet aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden geweigerd.

7. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Public Prosecutor, County Court (Procureur de la République, Tribunal de Grande Instance) te Laval, Frankrijk ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. F. Salomon, voorzit-ter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en J.L. Hillenius, rech-ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 mei 2005.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.