Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT5804

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
19-05-2005
Zaaknummer
13.497075-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering naar Frankrijk, tussenbeslissing. Feit(en) op dit moment nog te onduidelijk om te kunnen beslissen. Garantie als bedoeld in art. 12 OLW ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497075-2005

RK nummer: 05/1094

Datum uitspraak: 13 mei 2005

INTERLOCUTOIRE UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 januari 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 24 januari 2005 door de adjunct procureur bij de Rechtbank van Grote Aanleg te Parijs, Frankrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1969,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

volgens het EAB verblijvende op het [adres] en volgens de vordering verblijvende op het [adres],

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem te Haarlem,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 mei 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is voor zover dat nodig was bijgestaan door een tolk in de Arabische taal.

2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft verzocht de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering nu zich in het overleveringsdossier een fax d.d. 16 februari 2005 van de KLPD bevindt waarvan een alinea met goedkeuring van de officier van justitie is doorgehaald. De doorgehaalde informatie kan van belang zijn voor het overleveringsverzoek. Door het achterhouden van de genoemde informatie handelt de officier van justitie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon. Een zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde dient te leiden tot niet-ontvankelijk-verklaring van de vordering van de officier van justitie, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft verklaard dat de doorgehaalde informatie niet zal worden verstrekt en heeft verzekerd dat de informatie niet relevant is voor enige te nemen beslissing in de onderhavige procedure.

De rechtbank is van oordeel dat er geen termen zijn om aan deze laatste mededeling van de officier van justitie te twijfelen. Op basis van het binnengekomen EAB kan de officier van justitie de behandeling hiervan vorderen.

De opgeëiste persoon heeft overigens geen belang bij een beoordeling van het gevoerde verweer. Indien de rechtbank de raadsman zou volgen in zijn verweer en de overlevering op de aangevoerde gronden zou weigeren, kan en zal onmiddellijk een nieuw EAB worden ingediend, op basis waarvan de detentie van de opgeëiste persoon kan worden bevolen en waarvan de behandeling kan worden gevorderd.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een bevel tot aanhouding, uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Grote Aanleg te Parijs en gedateerd 3 november 2004 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Marokkaanse nationaliteit heeft.

4. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De opgeëiste persoon heeft bestreden dat hij degene zou zijn van wie de overlevering door de Franse autoriteiten wordt verzocht en verklaard dat hij in de jaren 1994 tot 1997 in Frankrijk gedetineerd heeft gezeten.

De raadsman heeft op het punt van de identiteit verweer gevoerd en bepleit dat de gegevens die het EAB met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon verschaft, onvoldoende, danwel incorrect zijn. Er is niet voldaan aan de in artikel 2, lid 2, onder a van de OLW gestelde vereisten en dit leidt er toe dat de overlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op zichzelf verbaast het feit dat een dactyloscopisch signalement en een foto van de door de Franse justitie gezochte persoon aan het EAB ontbreken. Gelet op de mededeling van de opgeëiste persoon dat hij langere tijd in Frankrijk gedetineerd is geweest, mag verondersteld worden dat deze gegevens in Frankrijk voorhanden zijn. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat de in het EAB genoemde naam, geboortedatum en geboorteplaats juist zijn weergegeven, zij het dat er een onbeduidende spelfout voorkomt in de naam van de geboorteplaats. De opgeëiste persoon heeft niet bestreden dat hij degene is op wie de vordering betrekking heeft en het is niet aannemelijk geworden dat hij niet de persoon is die in Frankrijk verdacht wordt van de in het EAB omschreven feiten. Bovendien dient een dergelijke bewering te worden onderzocht in de in Frankrijk te voeren procedure; zij raakt namelijk aan de bewijsvraag waar de overleveringsrechter zich niet over kan en mag buigen.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt en aangegeven dat deze feiten vallen onder nummer 1 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten: deelneming aan een criminele organisatie.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de officier van justitie aan eerdergenoemde Onderzoeksrechter verzocht nader aan te geven hoe zij, gelet op de omschrijving van de feiten, is gekomen tot deze benoeming van de in het EAB omschreven feiten en waarom de feiten niet zijn aangeduid als feiten genoemd onder nummer 5 op bedoelde bijlage, te weten illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Bij brief van 14 april 2005 heeft de officier van justitie nog nadere vragen gesteld.

Uit een brief d.d. 28 april 2005, afkomstig van de “Procureur de la République” bij het Parquet du Tribunal de Grande Instance de Paris, blijkt dat de [opgeëiste persoon], op 21 april 2001 door het Tribunal de Grande Instance reeds bij verstek is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar voor overtredingen van de Franse Opiumwet.

In de brief wordt verder meegedeeld dat de opgeëiste persoon niet is veroordeeld voor de deelneming aan een criminele organisatie. Het EAB blijft gehandhaafd. De mogelijkheid om in verzet te gaan tegen het vonnis wordt in de brief niet uitgesloten. Een vonnis of een extract daarvan ontbreekt.

De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat uit telefonische mededeling van de Franse Onderzoeksrechter d.d. 28 april 2005 is gebleken dat in het EAB het verkeerde feit staat aangekruist; de bedoeling was de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen aan te kruisen. De officier van justitie heeft gevorderd de overlevering toelaatbaar te verklaren nu uit de feitsomschrijving in elk geval kan worden afgeleid dat het hier feiten betreft die zowel naar het recht van Frankrijk als naar Nederlands recht strafbaar zijn en nu op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste twaalf maanden is gesteld.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat dient te worden afgezien van de weigeringgrond als bedoeld in artikel 13, lid 1 van de OLW en haar samenvatting aan de rechtbank overgelegd.

De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren nu de uitvaardigende autoriteit de in artikel 12 van de OLW bedoelde garantie niet heeft gegeven. Er is onvoldoende gewaarborgd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de zitting, aldus de raadsman.

Bovendien heeft de raadsman zich beroepen op de weigeringgrond van artikel 13, lid 1 onder a van de OLW en gesteld dat de officier van justitie niet in redelijkheid kan vorderen dat van deze grond wordt afgezien.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het EAB zag op de vervolging van de opgeëiste persoon ter zake van in dat bevel aangegeven strafbare feiten. Het EAB lijkt in zoverre achterhaald dat uit de boven aangehaalde correspondentie thans is gebleken dat reeds vonnis is gewezen en dat de opgeëiste persoon reeds is veroordeeld. Een vonnis of een extract van een vonnis ontbreekt tot op heden. Uitgaande van de tekst van de brief van de Franse autoriteiten d.d. 28 april 2005 is aannemelijk dat de mogelijkheid van verzet openstaat voor de opgeëiste persoon. Dit is echter geen garantie zoals bedoeld wordt in artikel 12 van de OLW. De garantie dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering – indien deze wordt toegestaan – in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting dient ondubbelzinnig te worden gegeven door de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Onduidelijk blijft voor welke feiten de overlevering wordt verzocht. Volgens telefonische informatie van de zijde van de Franse Onderzoeksrechter is het verkeerde kruisje geplaatst op de bij het EAB behorende lijst. Afgaande op de brief d.d. 28 april 2005 heeft het vonnis betrekking op overtredingen van de Franse Opiumwet en uitdrukkelijk niet op deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden onvoldoende blijkt dat de Franse autoriteiten de overlevering van de opgeëiste persoon vragen in verband met de verdenking van betrokkenheid bij drugsdelicten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onderzoek heropend dient te worden

B E S L I S S I N G

De rechtbank heropent het onderzoek en schorst dit tot de zitting van

vrijdag 27 mei 2005, 14.15 uur.

De rechtbank is zich ervan bewust dat met deze beslissing de in artikel 22, eerste lid, van de OLW bedoelde termijn met enkele dagen wordt overschreden.

De rechtbank stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde bij de Franse justitiële autoriteiten nadere informatie in te winnen met betrekking tot de aard van de verdenking en teneinde een ondubbelzinnige garantie als bedoeld in artikel 12 van de OLW te verkrijgen.

De rechtbank verzoekt inzage in de tekst van het tegen de opgeëiste persoon gewezen vonnis d.d. 21 april 2005.

Tenslotte verzoekt de rechtbank de officier van justitie navraag te willen doen naar de adresgegevens van de opgeëiste persoon nu niet duidelijk is waar het in het EAB genoemde adres vandaan komt.

De rechtbank zal zich na de verkregen inlichtingen nader beraden over de vordering van de officier van justitie en alsdan in haar beraadslaging betrekken hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de toepassing van artikel 13, eerste lid, van de OLW.

De voorzitter beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen bovengenoemde zittingsdatum met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman mr. K. Canatan.

De voorzitter beveelt tevens de oproeping van een tolk voor de Marokkaanse taal.

Aldus gedaan door

mr. F. Salomon, voorzit-ter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en J.L. Hillenius, rech-ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 mei 2005.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.