Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT5010

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
03-05-2005
Zaaknummer
13/037658-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Amsterdam veroordeelt een verdachte van zware mishandeling, verkrachting en poging tot zware mishandeling, meer malen gepleegd, tot 3 jaar cel en het betalen van een bedrag van € 2.500,00 aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/037658-04

Datum uitspraak: 27 april 2005

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, achtste meervoudige kamer B, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Penitentiaire Inrichting “Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos” te Heerhugowaard.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2005.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. De rechtbank acht het onder 1 primair en – anders dan de officier van justitie - 3 telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair telastegelegde:

op een tijdstip in de periode van 1 maart 2004 tot en met 18 juli 2004 te Amsterdam aan

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, brandwonden met blijvende littekens op de armen en benen en de hals en het bovenlichaam heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet

- een brandende sigaret en/of een hete aansteker tegen de armen en de benen en de hals en het bovenlichaam van die [slachtoffer] te drukken en te houden.

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair telastegelegde:

op tijdstippen in de periode van 1 maart 2004 tot en met 18 juli 2004 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

- meerdere malen met veel kracht in de keel van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of

- met een snoer met veel kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of

- meerdere malen met veel kracht een kopstoot tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft gegeven.

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

op 17 juli 2004 te Amsterdam door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] duwde/bracht, en bestaande die feitelijkheid hierin dat verdachte die [slachtoffer]

- meerdere malen met veel kracht tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en

- meerdere malen met veel kracht in de keel van die [slachtoffer] heeft geknepen en

- een brandende sigaret en/of een hete aansteker tegen de armen en de benen en de hals en het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gedrukt en gehouden en

- met een snoer met veel kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en

- meerdere malen met veel kracht een kopstoot tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft gegeven en

- daarbij heeft gezegd de woorden: “Je moet dood. Dit is je laatste dag. Ik kan je zo in stukken snijden of van de trap gooien. Je bent toch een oud wijf. Er kijkt toch niemand naar je”

en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.3. Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van de onder 2 bewezenverklaarde feitelijkheid overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft, in de vier maanden voorafgaand aan het bewezenverklaarde, heftig geweld toegepast op het slachtoffer waarbij ernstige intimidaties en bedreigingen jegens haar werden geuit. Verdachte had zowel fysiek als psychisch overwicht op het slachtoffer. Zij was bang voor verdachte en zijn woede-uitbarstingen en durfde niet tegen hem in te gaan. Getuigen bevestigen het beeld dat het slachtoffer op tijdstippen in juni en begin juli murw was. Verdachte en slachtoffer hebben gedurende deze vier maanden meerdere keren gemeenschap gehad, maar dienaangaande is (behoudens na te noemen keer) niet in voldoende mate vast komen te staan of en zo ja wanneer dit tegen de wil van het slachtoffer plaatsvond, dan wel dat dit was afgedwongen door gewelddadigheden van verdachte, mede gelet op de (ruime, weinig geconcretiseerde) manier zoals deze gewelddadigheden zijn geformuleerd in de telastelegging. Wel kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat op 17 juli 2004 sprake is geweest van (anale) verkrachting met dwang door een feitelijkheid in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht. Op die dag, derhalve tegen het einde van de geschetste voor slachtoffer indrukwekkende periode van gewelddadigheden, hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden zoals bewezenverklaard, waarbij het slachtoffer pijn ondervond, riep dat verdachte moest ophouden en om haar moeder riep.

De rechtbank oordeelt dat, gelet op het hiervoor beschreven overwicht dat verdachte had op het slachtoffer, het optreden van verdachte jegens het slachtoffer, voor deze een zodanige psychische druk moeten hebben opgeleverd dat zij daaraan geen weerstand kon bieden en zij aldus werd gedwongen aan verdachtes eisen te voldoen.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezengeachte feiten 1 subsidiair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezengeachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zijn toenmalige partner gedurende een periode van drie maanden veelvuldig en ernstig mishandeld alsmede haar één keer (anaal) verkracht. Verbalisanten hebben het slachtoffer in een mensonterende situatie aangetroffen. De situatie was zo beangstigend voor het slachtoffer en zij was als gevolg van de verkrachting, zware mishandeling en pogingen daartoe zo murw geworden dat zij het niet meer in zich had te kunnen vluchten of anderszins op eigen kracht aan de bedreigende situatie te ontkomen.

Door zijn handelen heeft verdachte gedurende een langere periode een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Ze is angstig en voelt zich geestelijk en lichamelijk vernederd, zo blijkt uit de stukken. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten vaak nog lang de psychisch nadelige gevolgen van deze feiten ervaren.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het psychiatrisch rapport, d.d. 13 februari 2005, van drs. C.J. Kerssens, waaruit onder meer blijkt dat bij verdachte sprake was van een psychotische stoornis, te weten paranoïde en achtervolgingswanen. Op grond van het onderzoek kan echter geconcludeerd worden dat hooguit sprake was van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het psychologisch rapport, d.d. 28 februari 2005, van drs. E. Stam, waarvan de strekking overeen komt met eerstgenoemd rapport.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering met betrekking tot de immateriële schade van de benadeelde partij [slachtoffer], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Voor zover was bedoeld de gestelde materiële schade tevens als vordering aan de rechtbank voor te leggen, is de rechtbank van oordeel dat die niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 242, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 1 primair en 3 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:

Zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde:

Poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Verkrachting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], per adres [adres] toe tot een bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen de som van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 weken, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter,

mrs. M.G. Tarlavski-Reurslag en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.J.G. Vandenberghe, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 april 2005.