Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT4518

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
313927/KG 05-722 P
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van eiser om het uitzenden van een televisieprogramma te verbieden wordt afgewezen, nu het belang van gedaagden om zich in het openbaar kritisch over het gedrag van eiser uit te laten de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser rechtvaardigt. Om privacy redenen vormt de onderstaande tekst een uittreksel van het vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

P/MV

vonnis 14 april 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t n u m m e r s 313927 / KG 05-722 P v a n:

[eiser]

wonende te [...],

e i s e r bij concept-dagvaarding,

procureur mr. G.J. Kemper,

t e g e n :

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

g e d a a g d e n , vrijwillig verschenen,

procureur mr. J.A. Schaap.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 14 april 2005, welke zitting in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van eiser (artikel 27 sub c Rv) met gesloten deuren heeft plaatsgevonden, heeft eiser gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte concept-dagvaarding. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 14 april 2005 de beslissing gegeven. Het onderstaande vormt hiervan de uitwerking. Eiser heeft op grond van artikel 28 lid 4 Rv de griffier verzocht aan derden uitsluitend een geanonimiseerd uittreksel van dit vonnis te verstrekken. Gedaagden hebben te kennen gegeven tegen dit verzoek geen bezwaar te hebben. Het verzoek zal dan ook worden ingewilligd. Het onderstaande vormt het geanonimiseerde uittreksel van het vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. Eiser is werkzaam geweest als officier van justitie te Amsterdam. In juni 2004 heeft hij zijn privé-computer bij het vuilnis is gezet. Vervolgens heeft gedaagde sub 1 de beschikking gekregen over deze computer. Gedaagde sub 1 heeft in oktober 2004 in zijn televisie-programma (dat wordt geproduceerd door gedaagde sub 2 en uitgezonden door gedaagde sub 3) aandacht besteed aan – met name – de zakelijke inhoud van de computer. De kwestie heeft ruim aandacht getrokken in de media. Als gevolg van deze kwestie heeft eiser zijn positie van officier van justitie te Amsterdam prijsgegeven. Hij is deel gaan uitmaken van het Functioneel Parket.

b. Nadat de onder a genoemde televisie-uitzending heeft plaatsgevonden heeft gedaagde sub 1 de computer, onder grote belangstelling van de media, afgegeven aan het openbaar ministerie te Amsterdam.

c. Bij brief van 29 november 2004 heeft gedaagde sub 1 het openbaar ministerie te Amsterdam [...] onder meer het volgende bericht:

Ik vind het vervelend om te moeten vaststellen dat je niet reageert op verzoeken en ingesproken voicemails met de vraag terug te bellen en bovendien ook niet zelf terugbelt, terwijl je dat eerder uitdrukkelijk hebt beloofd (zaak [eiser]).

Vandaar dat ik mijn verzoek nu ook nog een keer schriftelijk verwoord: kun je mij inlichten over de stand van zaken in de kwestie-[eiser] en mij berichten waar thans het wachten op is en wat de verdere procedure is?

Zoals één en ander thans loopt strookt dit niet erg met de gang van zaken zoals die ons door Hoofdofficier van Justitie Leo de Wit is voorgespiegeld. Bij het uitblijven van een adequate reactie acht ik mezelf vrij om over de kwestie te berichten.

d. Bij brief van 6 april 2005 heeft gedaagde sub 1 het openbaar ministerie te Amsterdam [...] onder meer het volgende bericht:

In onze uitzending van 14 april 2005 zullen wij wederom aandacht besteden aan de zaak-[eiser]. Daarin ligt de nadruk op de nog niet in de publiciteit gebrachte privé-documenten en [...]

Tijdens ons bezoek aan uw parket op 1 oktober vorig jaar hebben wij u al deze informatie voorgelegd. U verzocht mij toen met klem nog even te wachten met publicatie en zegde een onderzoek toe naar dit aspect van de inhoud van de computer. Later heeft u mij mede gedeeld dat dit werd uitgevoerd door de Advocaat-Generaal in Den Bosch en verzekerde u mij dat ik over de uitkomst geïnformeerd zou worden.

Er is inmiddels een half jaar verstreken. Gezien het feit dat alle relevante informatie voorhanden was ga ik er dan ook van uit dat het onderzoek inmiddels voldoende heeft opgeleverd om een inhoudelijk commentaar en waarde-oordeel van het Openbaar Ministerie te kunnen verwachten. U verzekerde ons immers destijds dat het onderzoek met voortvarendheid zou worden aangepakt.

Langs deze weg wil ik u ook uitnodigen om op 14 april aanstaande een toelichting te komen geven in onze studio. (...)

e. Mr. H.J. Moraal, hoofdofficier van justitie te Den Haag, is door het College van procureurs-generaal verzocht de kwestie rond het persoonlijk deel van de computer van eiser verder in behandeling te nemen. Bij brief van 12 april 2005 heeft mr. Moraal de raadsman van eiser over deze kwestie bericht. Mr. Moraal beëindigt zijn brief met:

Ik meen dat er geen reden is voor een verder strafrechtelijk onderzoek naar het privé gedeelte van de pc van [eiser]. Ik zal deze zaak seponeren vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

2. Thans vordert eiser op straffe van dwangsommen – kort gezegd – gedaagden te verbieden informatie die betrekking heeft op zijn persoonlijke levenssfeer en ontleend aan diens computer door middel van een televisie-uitzending of anderszins openbaar te maken. Daarnaast vordert eiser gedaagde sub 1 te bevelen om schriftelijk opgave te doen van alle namen en adressen van diegenen aan wie informatie is verstrekt die is ontleend aan de computer van eiser. Tot slot vordert eiser gedaagde sub 1 te bevelen om alle (digitale en/of schriftelijke) kopieën van de bestanden van de computer van eiser aan hem af te geven.

3. In zijn dagvaarding stelt eiser hiertoe – samengevat weergegeven – dat de teruggave door gedaagde sub 1 van de computer aan het openbaar ministerie niet anders kan worden verstaan dan als het eveneens afstand doen van de in die computer opgeslagen (persoonlijke en zakelijke) informatie. Desondanks heeft gedaagde sub 1 bij brief van 6 april 2005 (zie 1d) kenbaar gemaakt dat hij opnieuw in zijn televisieprogramma aandacht zal besteden aan de inhoud van de computer en dan met name aan het privé gedeelte hiervan. De openbaar te maken gegevens betreffen [...]. Eiser mag de redelijke verwachting hebben dat deze privégegevens niet openbaar worden gemaakt. Openbaarmaking vormt onmiskenbaar een schending van de persoonlijke levenssfeer van eiser; [...]. Eiser wordt hierdoor geschaad in de onbevangenheid waarmee hij met de buitenwereld behoort om te kunnen gaan. Een beroep op de vrijheid van meningsuiting van gedaagden gaat in dit geval niet op nu het belang van eiser om niet in zijn persoonlijke levenssfeer te worden geschonden zwaarder weegt. Van belang hierbij is dat gedaagden geen (publieke) misstand aan de kaak stellen.

Ter zitting is hier door de raadsman van eiser nog aan toegevoegd dat uit de onder 1e genoemde brief van mr. Moraal blijkt dat er geen reden is voor een strafrechtelijk onderzoek naar eiser.

[...]

Voor rechters en officieren van justitie geldt bovendien in zijn algemeenheid dat de pers minder vrijheid toekomt om gegevens over hun (privé)leven openbaar te maken dan bijvoorbeeld bij politici. Bij rechterlijke ambtenaren wordt minder snel aangenomen dat dit het algemeen belang dient. Zij nemen een vertrouwenspositie in en kunnen zich bovendien niet in het openbaar verantwoorden. Eiser heeft zelf aan zijn superieuren inzage gegeven in en een toelichting verstrekt op hetgeen er in zijn computer is aangetroffen. Het openbaar ministerie is hier dan ook volledig van op de hoogte en heeft hier een onderzoek naar ingesteld. Blijkens de brief van mr. Moraal is er op basis van dit onderzoek een gepast oordeel gevormd. Er is dus geen sprake van een misstand die in de doofpot wordt gestopt en die op geen enkele andere wijze aan de kaak wordt gesteld.

4. Gedaagden hebben – samengevat weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Het onderwerp van de gewraakte televisie-uitzending betreft een gevoelige materie en niet wordt bestreden dat het naar buiten brengen van de gegevens een ernstige inbreuk op de privacy van eiser vormt. Voor deze inbreuk bestaat echter een rechtvaardiging die is gelegen in het algemeen belang. Gedaagde sub 1 heeft nimmer toegezegd geen uitzending meer te zullen wijden aan (de inhoud van de computer van) eiser. Het openbaar ministerie was er wel degelijk van op de hoogte dat er een tweede televisie-uitzending zou volgen. Nog voor de eerste televisie-uitzending heeft een gesprek plaatsgevonden tussen gedaagde sub 1 en de hoofdofficier van justitie, mr. De Wit. In dit gesprek heeft gedaagde sub 1 nauwkeurig melding gemaakt van de privé-inhoud van de computer. Mr. de Wit heeft toen verzocht hier in de eerste uitzending geen aandacht aan te besteden omdat het openbaar ministerie eerst zelf een onderzoek zou instellen. Gedaagde sub 1 heeft vervolgens op verzoek van de hoofdofficier met uitstel ingestemd op voorwaarde dat het zou gaan om een voortvarend onderzoek en op voorwaarde dat hij op de hoogte zou worden gehouden van de resultaten ervan. Teneinde het onderzoek mogelijk te maken heeft gedaagde sub 1 op uitdrukkelijk verzoek van het openbaar ministerie de computer afgestaan. Hij heeft nooit toegezegd of de indruk gewekt dat hij eveneens alle op de computer opgeslagen informatie zou afstaan. Die indruk kan ook niet zijn gewekt, omdat gedaagde sub 1 bekend heeft gemaakt dat hij prints van de bestanden heeft gemaakt en die prints zijn nooit overhandigd. Eiser noch het openbaar ministerie zijn ooit op die prints teruggekomen. Na de eerste televisie-uitzending is inmiddels een half jaar verstreken. Gedaagde sub 1 heeft diverse malen contact gezocht met het openbaar ministerie, onder andere door middel van de brief van 29 november 2004 (zie 1c). Op deze brief is niet gereageerd. Pas enige uren voor de zitting in dit kort geding heeft gedaagde sub 1 de brief van mr. Moraal ontvangen. Op de conclusies in deze brief valt het nodige af te dingen. Het onderzoek lijkt een haastklus en de betrokkenen, waaronder gedaagde sub 1, zijn niet gehoord. De conclusie van de brief is dat er geen sprake is van strafbaar handelen. Dit is echter niet essentieel voor de rechtmatigheid van de televisie-uitzending. In de uitzending wordt ook niet gezegd dat eiser strafbaar heeft gehandeld. Het gaat om laakbaar handelen door iemand die een publieke functie bekleedt. Van belang hierbij is dat een officier van justitie een voorbeeldfunctie heeft. Het openbaar ministerie lijkt alles met de mantel der liefde te bedekken en geen maatregelen te nemen jegens eiser. Hier ligt de waakhondfunctie van de pers. Hetgeen door gedaagden op de computer is aangetroffen wordt door hen als laakbaar gekwalificeerd.

[...]

Beoordeling van het geschil:

5. Tegenover de betwisting hiervan door gedaagden heeft eiser in dit geding niet aannemelijk kunnen maken dat tussen gedaagde sub 1 en de hoofdofficier van justitie zou zijn afgesproken, althans dat gedaagde sub 1 de schijn zou hebben gewekt, dat met de teruggave van de computer ook afstand is gedaan van de daarin opgeslagen informatie en dat gedaagde sub 1 in het betreffende televisieprogramma niet meer op de kwestie van eiser zou terugkomen. Ook de onder 1c geciteerde brief van gedaagde sub 1 van 29 november 2004 wijst niet in die richting. Dit staat derhalve niet aan de rechtmatigheid van de voorgenomen televisie-uitzending in de weg.

6. De vraag of een uitlating in een televisie-uitzending onrechtmatig is, ligt in het spanningsveld tussen het recht op vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Hierbij staan derhalve twee hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat men zich (in het openbaar) kritisch, informerend, opiniërend, of waarschuwend moet kunnen uitlaten om te voorkomen dat door een gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken, kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. Deze omstandigheden worden onder meer gevormd door de aard en inkleding van de verdenking, de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenking betrekking heeft, de ernst van de misstand, de mate waarin de verdenking steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, de mate van waarschijnlijkheid dat het algemeen belang ook langs andere, voor eiser minder schadelijke weg kan worden gediend en de kans dat de informatie op andere wijze in de openbaarheid kan komen.

7. Door eiser is gesteld – en door gedaagden is erkend – dat de voorgenomen televisie-uitzending een zeer ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser zal vormen. Desalniettemin wordt, gelet op de omstandigheden van dit geval, geoordeeld dat het belang van gedaagde sub 1 om zich in het openbaar kritisch over het gedrag van eiser uit te laten de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser rechtvaardigt. De te verwachten gevolgen van de openbaarmaking van dat gedrag zijn voor eiser weliswaar bijzonder ernstig, maar daar staat tegenover dat de te openbaren gedragingen eveneens als bijzonder ernstig kunnen worden gekwalificeerd.

[...]

8. Voorts kan niet worden gezegd dat de door gedaagden te uiten beschuldigingen geen of onvoldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Zij baseren zich op de inhoud van de door hen onderzochte computer [....].

9. Verder is niet waarschijnlijk dat het algemeen belang ook via een andere, voor eiser minder schadelijke weg kan worden gediend. Door gedaagden is in eerste instantie gewacht op de uitkomst van het onderzoek van het openbaar ministerie. Dit onderzoek (dat in beginsel als een minder schadelijke weg zou kunnen worden gekwalificeerd) is echter door gedaagden – voorshands terecht – bekritiseerd.

[...]

Ook mede gezien de lange duur van het onderzoek en het tijdstip waarop dit is afgerond – kort voor de zitting in dit geding – is de indruk gewekt dat het openbaar ministerie aan de zaak verder geen gevolg wilde geven en eiser is er onvoldoende in geslaagd deze indruk weg te nemen. Hierbij is niet van belang of eiser zelf verantwoordelijk is voor het wekken van de indruk dat de zaak in de doofpot dreigde te verdwijnen of dat dat het gevolg is van het (uitblijven van) handelen van derden. Wanneer het gevaar bestaat dat een dergelijke zaak in de doofpot verdwijnt is er bij uitstek een taak voor de pers weggelegd. Het valt te betwijfelen of de informatie in zo’n geval op andere wijze naar buiten kan komen.

10. Op grond van bovenstaande overwegingen wordt de vordering die strekt tot een verbod van de televisie-uitzending geweigerd. Ook de overige vorderingen moeten gelet op al het voorgaande worden afgewezen. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van gedaagden begroot op:

- € 244,= aan vastrecht en

- € 816,= aan salaris procureur.

3. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann, vice-president van de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 14 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: