Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT3171

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
AWB 03/3447 WAJONG, AWB 03/3540 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank te Amsterdam bepaalt dat aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag wordt voorgelegd:

Dient een uitkering op grond van de Wajong, die wordt vermeld in bijlage II bis bij Verordening 1408/71 te worden aangemerkt als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, van Vo 1408/71, zodat op personen zoals eiseressen in het hoofdgeding uitsluitend de bij artikel 10 bis van Vo 1408/71 ingevoerde coördinatieregeling moet worden toegepast en deze Wajong-uitkering derhalve niet kan worden verstrekt aan iemand die buiten Nederland woont?

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 3:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 159 met annotatie van F.J.L. Pennings
RSV 2005/133
USZ 2005/192
USZ 2008/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

TUSSENUITSPRAAK, TEVENS VERZOEK

aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 van het

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG),

in het geding tussen:

[eiseres 1], wonende te [plaats 1] in Frankrijk, eiseres 1, en

[eiseres 2], wonende te [plaats 2] in Duitsland, eiseres 2,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam,

verweerder.

1. FEITEN EN PROCESVERLOOP

1.1. [eiseres 1] (eiseres 1)

[eiseres 1] is geboren op […] 1964. Per 15 januari 1982 is haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar 80-100% arbeidsongeschiktheid. Deze uitkering is haar toegekend in verband met astma en psychische klachten. Per 1 januari 1998 is de AAW-uitkering van [eiseres 1] omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

[eiseres 1] is op 16 november 2002 naar Frankrijk verhuisd. Bij besluit in primo van 2 juni 2003 heeft de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) in verband daarmee besloten de Wajong-uitkering van [eiseres 1] per 1 december 2002 te beëindigen. Bij het besluit van 4 juli 2003, dat in de onderhavige procedure ter beoordeling voorligt, heeft de Raad van Bestuur van het UWV het bezwaar van [eiseres 1] tegen het besluit van 2 juni 2003 ongegrond verklaard.

1.2 [eiseres 2] (eiseres 2)

[eiseres 2] is geboren op […] 1970. Per 30 juni 1992 is haar een AAW-uitkering toegekend, berekend naar 80-100% arbeidsongeschiktheid. Per 1 januari 1998 is haar uitkering omgezet in een Wajong-uitkering.

Op 15 december 2002 is [eiseres 2] naar Duitsland verhuisd. De Raad van bestuur van het UWV heeft hierin ook in deze zaak aanleiding gezien om de uitkering te beëindigen.

In verband met onduidelijkheden in de berichtgeving over de gevolgen van haar verhuizing en over de vraag over het type uitkering waarop [eiseres 2] recht had heeft de Raad van bestuur van het UWV bij besluit in primo van 24 maart 2003 besloten de Wajong-uitkering van [eiseres 2] niet onmiddellijk na haar verhuizing te beëindigen, maar pas per 1 april 2004. Bij het besluit van 23 juni 2003, dat in de onderhavige procedure ter beoordeling voorligt, heeft de Raad van Bestuur van het UWV het bezwaar van [eiseres 2] tegen het besluit van 24 maart 2003 ongegrond verklaard.

2. OVERWEGINGEN

2.1. relevante Nederlandse regelgeving

Tot 1 januari 1998 ontving een jonggehandicapte een AAW-uitkering. Per 1 januari 1998 is de AAW vervallen. Voor de categorie jongehandicapten is de AAW vervangen door de Wajong.

De Wajong voorziet in een uitkering op minimum-niveau voor een specifieke categorie arbeidsongeschikten, te weten jonggehandicapten. Als jonggehandicapte worden aangemerkt ingezetenen die op hun 17e verjaardag reeds arbeidsongeschikt waren. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook studerenden die na hun 17e verjaardag arbeidsongeschikt zijn geworden nog als jeugdgehandicapte worden aangemerkt. De uitkering kan niet eerder ingaan dan op de 18e verjaardag.

Het recht op een Wajong-uitkering is niet afhankelijk van persoonlijke behoefte; de Wajong bevat geen middelentoets. Wel is het zo dat de uitkering gekort kan worden in verband met inkomsten uit arbeid en in verband met samenloop met bepaalde andere uitkeringen.

De Wajong-uitkering wordt betaald uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Dit fonds wordt nagenoeg geheel gevuld door bijdragen van het Rijk, dus vanuit de zogenoemde algemene middelen.

De Wajong kent, anders dan voorheen de AAW, een exportbeperking. Dit volgt uit artikel 17, lid 1, aanhef en sub c, van de Wajong. Deze bepaling zegt dat de uitkering wordt ingetrokken met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Op grond van deze bepaling heeft de Raad van Bestuur van het UWV de Wajong-uitkering van [eiseres 1] per 1 december 2002 beëindigd. Ook in de zaak van [eiseres 2] heeft de Raad van Bestuur van het UWV zich op deze bepaling beroepen. In die zaak is de uitkering echter in verband met onvolkomenheden in de berichtgeving niet onmiddellijk na de verhuizing beëindigd, doch met ingang van een later tijdstip.

De Wajong kent sinds 1 september 2002 een zogenoemde hardheidsclausule, neergelegd in art. 17, lid 7. Die bepaling zegt dat het bepaalde in art. 17, lid 1, sub c, buiten toepassing kan worden gelaten of daarvan kan worden afgeweken voorzover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op uitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De Raad van bestuur van het UWV heeft ten aanzien van deze hardheidsclausule beleid ontwikkeld. Dit beleid is neergelegd in het Besluit Beleidsregels Voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (Besluit Beleidsregels), in werking getreden op 2 mei 2003. In dit Besluit Beleidsregels wordt het begrip "onbillijkheden van overwegende aard" ingevuld in die zin dat de uitkering niet wordt beëindigd als de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van de uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende reden wordt volgens het Besluit Beleidsregels in ieder geval aangemerkt:

- het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

- het aanvaarden van arbeid met enig reïntegratieperspectief en;

- het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

Hoewel het Besluit Beleidsregels pas na de datum in geding in de zaak [eiseres 1], 1 december 2002, in werking is getreden heeft de Raad van Bestuur van het UWV er in die zaak toch aan getoetst. De Raad van Bestuur heeft besloten geen gebruik te maken van de hardheidsclausule aangezien naar zijn oordeel geen sprake was van zwaarwegende redenen als hiervoor omschreven. Meer specifiek heeft de Raad van Bestuur van het UWV daarbij aangegeven dat er naar zijn oordeel geen stringente medische indicatie bestond voor de verhuizing van eiseres naar Frankrijk.

In de zaak [eiseres 2] heeft de Raad van Bestuur van het UWV ter zitting van de rechtbank nader toegelicht dat hij de uitkering na haar verhuizing naar Duitsland niet heeft gecontinueerd op grond van de hardheidsclausule, maar op grond van coulance. In de visie van de Raad van Bestuur van het UWV was ook hier geen sprake van zwaarwegende redenen als hiervoor omschreven. Met name bestond voor [eiseres 2] en haar echtgenoot in de visie van de Raad van Bestuur geen noodzaak om naar het buitenland te verhuizen.

2.2. relevante Europese regelgeving

Artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) bepaalt voor zover hier van belang:

"1. Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:

[...]

b) prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit;

[...]

2. Deze verordening is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie- of bijdragebetaling berusten, alsmede op de regelingen betreffende de verplichtingen van de werkgever of de reder met betrekking tot de in

lid 1 bedoelde prestaties.

2 bis. Deze verordening is van toepassing op de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 of dan die krachtens lid 4 zijn uitgesloten, wanneer deze prestaties bestemd zijn:

a) ofwel om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, onder a) tot en met h), bedoelde takken van sociale zekerheid vallen;

b) ofwel uitsluitend voor de specifieke bescherming van gehandicapten."

Artikel 10 bis, lid 1, van Vo 1408/71 bepaalt:

"Niettegenstaande de bepalingen van artikel 10 en van titel III ontvangen de personen waarop deze verordening van toepassing is, de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, uitsluitend op het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen en krachtens de wetgeving van die lidstaat, voorzover deze prestaties zijn vermeld in bijlage II bis. De prestaties worden door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend."

Artikel 4, lid 2 bis en artikel 10 bis zijn in Vo 1408/71 ingevoegd bij Vo 1247/92. Uit de overwegingen 3 tot en met 6 van considerans van Vo 1247/92 blijkt dat het de bedoeling van de communautaire wetgever was te voorzien in een specifieke coördinatieregeling die rekening houdt met de bijzondere kenmerken van bepaalde prestaties die zowel aan de bijstand als aan de sociale zekerheid verwant zijn en die, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof, werden beschouwd als socialezekerheidsuitkeringen ten aanzien van werknemers die reeds vallen onder het stelsel van sociale zekerheid van de staat op welks wettelijke regeling een beroep wordt gedaan.

Artikel 10 bis van Vo 1408/71, dat een afwijking van de exporteerbaarheid van socialezekerheidsprestaties mogelijk maakt, dient volgens vaste jurisprudentie van het Hof restrictief te worden uitgelegd. Deze bepaling ziet slechts op de prestaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, lid 2 bis, van Vo 1408/71, namelijk prestaties die zowel bijzonder zijn als niet op premie- of bijdragebetaling berusten, en die in bijlage II bis bij deze verordening staan vermeld. De rechtbank verwijst in dit verband naar punt 21 van het arrest Jauch van 8 maart 2001 (C-215/99, Jurispr. blz. I-1901) en naar punt 19 van het arrest Skalka van 29 april 2004 (C-160/02).

De Wajong staat in bijlage II bis vermeld.

In bijlage II bis staat onder punt "J. Nederland":

"arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (wet van 24 april 1997)". De hier bedoelde wet is de Wajong.

Deze vermelding in bijlage II bis is tot stand gekomen via Vo 1223/98. De considerans van deze verordening vermeldt onder punt 5 slechts in algemene bewoordingen dat bijlage II bis moet worden aangepast om rekening te houden met de wijzigingen in de Nederlandse wetgeving. De considerans wijdt geen specifieke overwegingen aan de reden waarom de Wajong is opgenomen in de bijlage.

2.3. overwegingen met betrekking tot de te stellen vraag.

De Wajong berust zoals hiervoor aangegeven niet op premie- of bijdragebetaling.

De rechtbank ziet zich evenwel gesteld voor de vraag of een prestatie op grond van de Wajong wel kan worden aangemerkt als een prestatie die "bijzonder" is in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van Vo 1408/71.

Over de vraag welke prestaties zijn aan te merken als bijzondere prestaties heeft het Hof zich reeds in een substantieel aantal arresten uitgelaten. De rechtbank noemt de arresten Lenoir van 27 september 1988 (313/86, Jurispr. Blz. 5391), Snares van 4 november 1997 (C-20/96, Jurispr. Blz. I-6057, Partridge van 11 juni 1998 (C-297/96, Jurispr. Blz. I-3467), Leclère en Deaconescu van 31 mei 2001 (C-43/99, Jurispr. blz. I-4265) en eerdergenoemde arresten Jauch en Skalka.

Van belang is dat het Hof van Justitie in de arresten Leclère en Deaconescu (zie punt 35) heeft aangegeven dat alleen uitkeringen die niet zelf reeds binnen de algemene wetgeving betreffende de in artikel 4, lid 1, van Vo 1408/71 bedoelde regelingen vallen als uitkering in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van Vo 1408/71 kunnen worden beschouwd.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt voorts dat voor het kwalificeren van een prestatie als een bijzondere prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van Vo 1408/71 van belang is wat de doelstelling van deze prestatie is. Zij dient in de plaats te treden van of als aanvulling te dienen op een socialezekerheidsuitkering en het kenmerk te vertonen van een door economische en sociale motieven gerechtvaardigde maatregel inzake sociale bijstand, welke is neergelegd in een regeling die objectieve criteria hanteert (zie laatstelijk het arrest Skalka, punt 25).

De "reguliere" arbeidsongeschiktheidsverzekering is in Nederland de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze wet verzekert werknemers tegen het risico van loonderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Als werknemer merkt de WAO aan personen die in een publiek- of privaatrechtelijke dienstbetrekking staan en met hen gelijkgestelden. De WAO wordt gefinancierd uit premies die de werkgevers verschuldigd zijn over het loon dat zij aan hun werknemers betalen. Om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering dient men verzekerd te zijn op het moment waarop de arbeidsongeschiktheid intreedt. Duidelijk is dat prestaties op grond van de WAO onder de noemer van artikel 4, lid 1, van Vo 1408/71 vallen.

Ook de Wajong dekt het risico van loonderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Voor de Wajong-uitkering geldt evenals voor de WAO-uitkering dat zij aan de rechthebbende wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie, zonder individuele en/of discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften.

De bepalingen van WAO en Wajong komen op een groot aantal punten overeen. Zowel bij de WAO als bij de Wajong is voor de hoogte van de uitkering het doorslaggevend criterium de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze mate van arbeidsongeschiktheid wordt bij beide wetten met behulp van hetzelfde systeem vastgesteld. Bij beide wetten wordt op dezelfde wijze rekening gehouden met inkomsten uit arbeid. De Wajong kent evenmin als de WAO een vermogenstoets.

De Wajong onderscheidt zich van de WAO in die zin dat de Wajong zich richt op personen die in een zo vroeg stadium van hun leven arbeidsongeschikt zijn geworden, dat zij niet in staat zijn geweest op dezelfde wijze als gezonde personen deel te nemen aan het arbeidsproces. Waar het bij de WAO gaat om werknemers die eerst toetreden tot het socialezekerheidsstelsel, daar enige tijd aan meebetalen, vervolgens worden geconfronteerd met een verzekerd risico en in verband daarmee een uitkering krijgen, gaat het bij de Wajong om personen die als gevolg van hun handicap niet staat zijn geweest werkzaamheden te verrichten, en op grond daarvan toe te treden tot het stelsel van sociale zekerheid. Bij de Wajong gaat het om personen die als uitkeringsgerechtigde toetreden tot het stelsel van sociale zekerheid. Omdat het hier niet gaat om mensen die voor het intreden van hun arbeidsongeschiktheid hebben kunnen meebetalen aan het stelsel van sociale zekerheid wordt de Wajong gefinancierd vanuit de algemene middelen.

De WAO wordt berekend naar het zogenoemde dagloon, dat in het algemeen is afgeleid van het laatstverdiende loon. Aangezien een Wajong-gerechtigde in het algemeen geen arbeidsverleden heeft wordt de Wajong-uitkering gebaseerd op een van het minimumloon afgeleide grondslag.

Waar de WAO een feitelijke inkomensderving dekt, dekt de Wajong een veronderstelde inkomensderving.

Geredeneerd zou kunnen worden dat de Wajong in zekere mate het kenmerk van een bijstandsuitkering vertoont omdat dat de Wajong bij volledige arbeidsongeschiktheid een uitkering op minimumniveau biedt. In die zin is de Wajong, zo zou verder kunnen worden geredeneerd, ook afgestemd op de sociale omgeving van Nederland. Er vindt weliswaar geen individuele middelentoets plaats, doch uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie lijkt af te leiden dat dit geen vereiste is voor het aanmerken als een prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis van Vo 1408/71. Voldoende lijkt dat de prestatie een minimumlevensstandaard beoogt te waarborgen. De rechtbank verwijst in dit verband naar punt 26 van het arrest Skalka.

Hiertegenover staat evenwel dat anders dan het geval is bij een bijstandsuitkering de behoefte aan een inkomen op minimumniveau in het kader van de toepassing van de Wajong niet doorslaggevend is voor de omvang van de uitkering. De maximale uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid ligt op het niveau van het sociale minimum. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bedraagt de uitkering echter een gedeelte van het sociale minimum. Indien een gedeeltelijk arbeidsongeschikte jonggehandicapte niet beschikt over middelen van bestaan, zal deze naast de (gedeeltelijke) Wajong-uitkering aangewezen zijn op een aanvullende uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) en/of wet Werk en Bijstand (WWB) om zich te voorzien van een inkomen op minimumniveau. Voorts kent de Wajong, zoals hiervoor reeds opgemerkt geen vermogenstoets.

Gelet op de hiervoor weergegeven kenmerken van de Wajong vraagt de rechtbank zich af of de Wajong moet worden aangemerkt als een zelfstandige sociale verzekering die valt onder het bereik van artikel 4, lid 1, van Vo 1408/71. De rechtbank acht in dit kader het volgende van belang:

· de Wajong komt op wezenlijke onderdelen, zoals de systematiek aan de hand waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald, overeen met de WAO, die ontegenzeggelijk onder het bereik van artikel 4, lid 1, van Vo 1408/71 valt;

· dat de Wajong op een beperkt aantal onderdelen afwijkt van de WAO valt te verklaren vanuit het feit dat de Wajong zich richt op personen die in een zo vroeg stadium van hun leven arbeidsongeschikt zijn geworden dat zij doorgaans nog geen loonvormende arbeid hebben kunnen verrichten, zodat een speciale voorziening moest worden getroffen om te bepalen welk inkomen zij geacht worden te derven. Bij gebrek aan andere aanknopingspunten neemt de Wajong daarbij het wettelijk minimumloon als uitgangspunt. Hoewel gelet op dat uitgangspunt de Wajong in zekere mate het karakter heeft van sociale bijstand, omdat de uitkering nooit meer kan bedragen dan het sociale minimum neemt dat evenwel niet weg dat de Wajong evenals de WAO ook een inkomensdervingskarakter heeft. De hoogte van de uitkering is immers afhankelijk is van de mate van verlies aan verdienvermogen als gevolg van arbeidsongeschiktheid;

· in het kader van de toepassing van de Wajong speelt de mate van financiële behoeftigheid van de uitkeringsgerechtigde geen rol bij de beoordeling van de aanspraak. De hoogte van de uitkering wordt in de eerste plaats bepaald door de mate van arbeidsongeschiktheid. Voorts vindt een vermogenstoets niet plaats. Inkomsten uit arbeid en sociale zekerheidsuitkeringen worden op dezelfde wijze gekort als in de WAO. Inkomsten uit arbeid kunnen net als in de WAO leiden tot een verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid, en dientengevolge een lagere uitkering;

· de AAW, op grond waarvan een jonggehandicapte vóór inwerkingtreding van de Wajong op 1 januari 1998 een uitkering ontving, heeft nooit een exportbeperking gekend. De exporteerbaarheid van uitkeringen ingevolge de AAW heeft ook nooit ter discussie gestaan. Binnen het Nederlandse stelsel werd de AAW evenzeer als de WAO gezien als een "reguliere" verzekering tegen de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid. De vraag rijst waarom dit voor de Wajong, die inhoudelijk in grote lijnen vergelijkbaar is met de AAW, anders zou liggen.

De rechtbank sluit niet uit dat gelet op de hiervoor vermelde karakteristieken van de Wajong, de conclusie moet worden getrokken dat een Wajong-uitkering niet kan worden aangemerkt als bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, doch moet worden aangemerkt als een prestatie bij invaliditeit als bedoeld in artikel 4, lid 1 van Vo 1408/71.

In het geval de Wajong uitkering niet moet worden aangemerkt als een prestatie bij invaliditeit als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Vo 1408/71, doet zich het volgende vraagpunt voor.

De rechtbank is van oordeel dat de Wajong-uitkering in ieder geval niet kan worden aangemerkt als een aanvulling op een andere socialezekerheidsuitkering, of als een bijkomende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, onder a, van Vo 1408/71.

Zij is evenwel onzeker over het antwoord op de vraag of de Wajong kan worden aangemerkt als een regeling die in de plaats treedt van de WAO. Indien daarvoor is vereist dat er een verbinding bestaat tussen de Wajong en de WAO, is het de vraag of die verbinding (in voldoende mate) aanwezig kan worden geacht nu de Wajong ziet op een geheel andere doelgroep (jonggehandicapten) dan de WAO (personen die op grond van hun dienstbetrekking verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid ), en voor het recht op uitkering ingevolge de Wajong verzekering voor de WAO geen vereiste is. Anderzijds moet worden geconstateerd dat de Wajong wel een zekere verwantschap met de WAO heeft, nu beide regelingen een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid bieden, en een identieke wijze van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid kennen.

Tot slot is de rechtbank onzeker over het antwoord op de vraag of de Wajong moet worden aangemerkt als een uitsluitend voor de specifieke bescherming van gehandicapten bestemde prestatie, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, onder b, van Vo 1408/71.

De rechtbank merkt daarbij op dat ook dit vraagpunt slechts relevant is voor zover de Wajong-uitkering niet reeds als een uitkering bij invaliditeit als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Vo-1408/71 moet worden aangemerkt.

Uit de considerans bij Verordening 1247/92, waarbij artikel 4, lid 2 bis in Vo 108/71 is opgenomen, blijkt niet om welke soort uitkeringen het hier gaat. Ook in de jurisprudentie van het Hof van Justitie heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden voor beoordeling van de vraag wat precies moet worden verstaan onder “specifieke bescherming”, en onder “gehandicapten”.

De rechtbank merkt op dat zij op de hoogte is van het voorstel tot wijziging van Vo 1408/71 van de Commissie van 31 juli 203, COM(2003) 468 definitief, 2003/0184 (COD). In het kader van dit voorstel heeft de Commissie artikel 4 van Vo 1408/71 en Bijlage II bis bij Vo 1408/71 nader bezien tegen de achtergrond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie op dit stuk. Uit het voorstel blijkt dat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de Wajong op goede gronden in Bijlage II bis bij Vo 1408/71 is opgenomen. De rechtbank heeft in het voorstel van de Commissie echter onvoldoende aanknopingspunten aangetroffen om de bij de rechtbank bestaande onzekerheid, zoals hiervoor geschetst, weg te nemen.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

3. BESLISSING.

De rechtbank te Amsterdam bepaalt dat aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag wordt voorgelegd:

Dient een uitkering op grond van de Wajong, die wordt vermeld in bijlage II bis bij Verordening 1408/71 te worden aangemerkt als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, van Vo 1408/71, zodat op personen zoals eiseressen in het hoofdgeding uitsluitend de bij artikel 10 bis van Vo 1408/71 ingevoerde coördinatieregeling moet worden toegepast en deze Wajong-uitkering derhalve niet kan worden verstrekt aan iemand die buiten Nederland woont?

Gewezen door mr. T.P.J. de Graaf, voorzitter, en mrs. J.J. Bade en A.M. Ruige, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.I. van der Kris, griffier,

en openbaar gemaakt op: 4 april 2005

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 4 april 2005

Coll.

DOC: A