Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT3133

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
13/497081-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Denemarken. Art. 13 OLW. Verweer t.a.v. art. 11 OLW verworpen: geen sprake van Deense toezegging dat de o.p. niet als verdachte zou worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

NEGENDE MEERVOUDIGE KAMER D

Parketnummer: 13/497081-05

RK nummer: 05/726

Datum uitspraak: 1 april 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 februari 2004 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd door het Deputy Head of Division (Souschef) van het Ministry of Justice (Justitsministeriet) van Denemarken. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting “Noord-Holland Noord” te Zwaag,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 maart 2005. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. M.J.C. Teurlings, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Deense taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een aanhoudingsbevel van 21 februari 2005 van de ‘City Court’ te Kopenhagen (Københavns Byret) ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Denemarken strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van de vertaling van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat niet de Nederlandse, maar de Deense nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer [9] op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten:

“Witwassen van opbrengsten van misdrijven”.

In dit verband heeft de raadsman opgemerkt dat het verzoek moet worden afgewezen, nu uit het EAB niet zonder meer kan worden afgeleid dat in dit geval het tweede lid van artikel 290 van het Deense Wetboek van Strafrecht van toepassing is, dat met een gevangenisstraf van 6 jaar is bedreigd. Volgens de raadsman moet ervan worden uitgegaan dat het eerste lid van genoemd artikel van toepassing is, dat met een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden is bedreigd.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de uitvaardigende autoriteit het tweede lid van voornoemd artikel op het oog heeft. In het in het Deens gestelde EAB is onder c) (‘maximum length of the custodial sentence or detention which may be imposed for the offence(s)’) ingevuld: ‘6 år’. De rechtbank acht het een kennelijke fout dat dit niet in het Engels is vertaald. Daarnaast blijkt uit de brief van de politie te Kopenhagen van 4 maart 2005 dat de verdenking bestaat dat het geld waarover de opgeëiste persoon zou hebben beschikt, afkomstig is van handel in verdovende middelen. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank onder de in artikel 290 (2) van het Deense Wetboek van Strafrecht bedoelde noemer “..the commercial nature of the crime or as a consequence of the gain obtained or intended.”, waarvoor de daar genoemde maximale gevangenisstraf van 6 jaar kan worden opgelegd.

Op dit feit is derhalve naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, OLW

Uit de stukken blijkt dat het feit waarvoor de uitvaardigende autoriteit de opgeëiste persoon wil vervolgen deels in Nederland, te weten in Amsterdam, is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a en b van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Hij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

? slechts een deel van het feit waarvoor overlevering wordt verzocht is op Nederlands grondgebied gepleegd, te weten het witwassen;

? uit de stukken blijkt niet dat de overige feiten (gedeeltelijk) op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd;

? de opgeëiste persoon heeft de Deense nationaliteit;

? de opsporing en vervolging van het strafbare feit is in Denemarken aangevangen;

? in Denemarken zijn de bewijsmiddelen – waaronder tapverslagen – voorhanden;

? in Denemarken zitten medeverdachten in voorlopige hechtenis en zij zullen daar worden vervolgd;

? overlevering naar aanleiding van een eerder EAB is reeds toegestaan, terwijl het onderhavige feit voortkomt uit politieel onderzoek voor het eerste EAB.

De rechtbank is van oordeel dat dient te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond nu de officier van justitie op de door hem aangevoerde gronden, met uitzondering van de eerste en tweede, in redelijkheid tot zijn vordering heeft kunnen komen.

De rechtbank merkt in dit verband op dat uit een gespreksbevestiging van 24 maart 2005 blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de overlevering van de opgeëiste persoon slechts heeft verzocht in verband met witwassen van opbrengsten van misdrijven en niet voor andere feiten.

7. Overige verweren

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie te Kopenhagen bij brieven van 29 september en 6 oktober 2004 heeft aangegeven dat geen verdenkingen tegen de opgeëiste persoon bestaan. Hij mocht dan ook erop vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd, terwijl geen sprake is van nieuwe ernstige bezwaren sindsdien. Vervolging van de opgeëiste persoon zou dan ook een flagrante schending de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon zijn, zodat overlevering op grond van de artikelen 9, eerste lid aanhef en onder c. en 11 OLW ontoelaatbaar moet worden verklaard, aldus de raadsman. De raadsman heeft de rechtbank, indien zij dit verweer zou verwerpen, in overweging gegeven de zaak aan te houden en opheldering te vragen bij de Deense autoriteiten.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Voor zover al sprake is van een ondubbelzinnige toezegging dat opgeëiste persoon niet als verdachte wordt aangemerkt voor het feit waarvoor thans overlevering wordt verzocht – de raadsman heeft in deze zaak geen afschriften van genoemde brieven overgelegd – dan valt deze toezegging niet onder het bereik van artikel 9, eerste lid aanhef en onder c. OLW, nu een dergelijke brief geen onherroepelijke beslissing als bedoeld in dit artikellid inhoudt.

Evenmin is sprake van een flagrante schending van fundamentele rechten van de opgeëiste persoon als bedoeld in artikel 11 OLW. Uit de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2005 (parketnummer 13/097308-04; RK nummer 04/4868) met betrekking tot een eerder EAB jegens de opgeëiste persoon, blijkt dat de uitlating dat geen verdenking jegens hem bestaat (voor zover in de onderhavige zaak van belang) mogelijk op een misverstand berust. Een en ander is dan ook niet ter beoordeling aan de overleveringsrechter, maar aan de rechter in Denemarken. Voorts is niet komen vast te staan dat de opgeëiste persoon in Denemarken geen “effective remedy” in de zin van artikel 13 EVRM ten dienste zal staan.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 van de Overleveringswet.

!0. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Deputy Head of Division (Souschef) van het Ministry of Justice (Justitsministeriet), Denemarken, ten behoeve van het in Denemarken tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. P.B. Martens en J.N.A. Jolink, rech-ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2005.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.