Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT2559

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2005
Datum publicatie
25-03-2005
Zaaknummer
13.497.011-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevingswet, Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit België, ontbreken dubbele strafbaarheid van niet-lijstfeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

NEGENDE MEERVOUDIGE KAMER

Parketnummer: 13.497.011-05

RK nummer: 05/264

Datum uitspraak: 11 maart 2005

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 januari 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 10 januari 2005 door de justitiële autoriteit, de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, België. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

wonende op het adres [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 maart 2005. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een bevel tot aanhouding bij verstek van 10 januari 2005 van de onderzoeksrechter te Gent ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan drie, naar het recht van België, strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

Bij de stukken bevindt zich een schrijven van de Procureur des Konings te Gent van 14 januari 2005.

Dit schrijven bevat een nadere omschrijving van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit schrijven wordt aan de uitspraak gehecht. Het in die bijlage tussen [ ] geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1

De raadsman heeft aangevoerd dat de feiten onder A, B en C onvoldoende feitelijk zijn omschreven, nu onduidelijk is waaruit de strafbare handelingen nu precies bestaan.

Voorts zijn de feiten onder A en B naar Nederlands recht niet strafbaar en wordt niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.

De Nederlandse strafwet kent geen strafbaarstelling van het feit dat in het EAB onder A. wordt omschreven als ‘telefoonterreur’.

Met betrekking tot het feit omschreven onder B. stelt de raadsman dat naar Nederlandse maatstaven voor ‘belaging’ noodzakelijk is dat er sprake is van wederrechtelijke stelselmatige en opzettelijke aanranding van de persoonlijke levenssfeer van een ander. Uit de feitelijke omschrijving is dat niet vast te stellen en in de meegezonden Belgische wetsartikelen ontbreken deze bestanddelen.

De overlevering dient voor geen van deze feiten te worden toegestaan.

4.2

De officier van justitie stelt dat de feitelijke gedragingen, zoals door de Belgische autoriteiten omschreven, naar Nederlands recht strafbaar zijn. De omschrijving van de feiten in het EAB is niet uitgebreid, maar is wel voldoende helder en duidelijk om de dubbele strafbaarheid te kunnen vaststellen.

4.3

De rechtbank overweegt het volgende:

De feitenomschrijving in het EAB is weliswaar summier, maar dient in samenhang gezien te worden met de uiteenzetting van de feiten zoals weergegeven in de brief van de Procureur des Konings van 14 januari 2005.

De feiten onder A. en C. zijn, zoals zij zijn omschreven in het EAB en voornoemde brief van de Procureur des Konings, naar tijd en plaats voldoende duidelijk en deze omschrijving voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW.

Het in het EAB onder A. omschreven feit ‘telefoonterreur’ is, zoals de raadsman stelt, in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht inderdaad niet terug te vinden in een apart artikel. De rechtbank is echter van oordeel dat dat niet noodzakelijk is, nu de feitelijke gedraging naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert dat naar Nederlands recht kan worden gekwalificeerd als: bedreiging.

Ten aanzien van het in het EAB onder B omschreven feit ‘belaging’ is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke omschrijving van hetgeen de opgeëiste persoon wordt verweten weliswaar kenmerken van het misdrijf “belaging”, strafbaar gesteld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, bevat, doch dat aan die omschrijving de naar Nederlands recht kenmerkende onderdelen “stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op een anders persoonlijke levenssfeer” ontbreken, zodat overlevering voor dit feit dient te worden geweigerd wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid van het verweten feitencomplex.

4.4.

De feiten onder A en C zijn zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

A. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

C. Mishandeling

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de Overleveringswet bedoelde garantie geeft.

De Substituut Procureur des Konings te Gent heeft de volgende garantie gegeven:

Gelet op de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon wordt mijn ambt vanwege de Minister van Justitie machtiging verleend akkoord te gaan met de zgn. “terugkeergarantie” in het kader van de overlevering van [opgeëiste persoon], zoals bedoeld in artikel 5 § 3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees Aanhoudingsbevel.

Deze garantie houdt in dat, eens de overgeleverde Nederlandse onderdaan in België tot

een definitieve vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt veroordeeld, deze onderdaan op zijn verzoek naar Nederland zal worden overgebracht teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De overbrenging steunt op het Overbrengingsverdrag (Raad van Europa, 21 maart 1983).

Hierbij breng ik u eveneens ter kennis dat België steeds akkoord is gegaan met de na

overbrenging in het buitenland – in casu Nederland – toegepaste omzettingsprocedure beschreven in artikel 11 van het Verdrag van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4. is overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Verweren

7.1.

Uit het Uittreksel Justitieel Documentatieregister van 14 januari 2005 betreffende verdachte blijkt dat in Arnhem nog twee soortgelijke zaken tegen de opgeëiste persoon open staan, waarbij dezelfde vrouw het slachtoffer zou zijn. De raadsman bepleit behandeling van de Belgische zaken door de rechtbank Arnhem nu het in de Belgische zaak gaat om een Nederlandse man die een Nederlandse vrouw iets zou hebben aangedaan. De raadsman stelt dat er tevens Nederlandse kinderen bij zijn betrokken en dat de omgangsregeling in Nederland is vastgesteld, zodat het enige verband met België de plaats is waar de feiten zouden hebben plaatsgevonden, te weten: Gent. De raadsman heeft hierover contact gehad met de zaaksofficier van justitie te Arnhem, maar deze was niet bereid de Belgische zaken over te nemen. De raadsman acht het in het belang van zijn cliënt dat deze voor de Belgische zaken in Nederland worden vervolgd.

7.2.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat deze informatie niet relevant is voor de beslissing die deze rechtbank ten aanzien van de gevraagde overlevering dient te nemen.

7.3.

De rechtbank overweegt dat de beantwoording van de vraag of de Belgische strafzaak in Nederland zou kunnen worden behandeld, dan wel de zaken uit Arnhem in België, niet aan de rechtbank toekomt, maar aan het Openbaar Ministerie.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat, voor wat betreft de in het EAB onder e. genoemde feiten A en C, aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering voor de hiervoor bedoelde feiten te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, België, ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten A en C waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, België, ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar feit B waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. R.B. Kleiss en J.L. Hillenius, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif-fier

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2005.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.