Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT0873

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2005
Datum publicatie
17-03-2005
Zaaknummer
13.847011.04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting van de uitspraak in zaak tegen Hells Angels Limburg.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 130
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2005/506
NbSr 2005/506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Samenvatting vonnissen in de Nomads-zaak Uitspraakdatum 17 maart 2005

Welkomstwoord

1. Dames en heren. Hier volgt de uitspraak in de zaken van de 15 verdachten. Het betreft geen letterlijke weergave van de 15 vonnissen maar het is een samenvatting daarvan. Ook samengevat wordt het een lang betoog. Ik heb uitgerekend dat er ongeveer anderhalf uur mee gemoeid zal zijn. Deze lange duur komt omdat er door de rechtbank diverse beslissingen moeten worden genomen die alle gemotiveerd moeten zijn. In sommige gevallen is de motivering zelfs zeer uitgebreid. Gelet op de lengte van de tekst zullen we elkaar bij het voorlezen aflossen.

2. De rechtbank heeft niet de illusie dat we met onze argumenten iedereen kunnen overtuigen. Daarvoor zijn de verschillen te groot. De officier van justitie heeft in 14 gevallen levenslange gevangenisstraf geëist. In evenzoveel gevallen hebben de advocaten vrijspraak bepleit. Extremere verschillen bestaan niet. We hebben er uiteraard wel naar gestreefd onze overwegingen en beslissingen zo begrijpelijk mogelijk op te schrijven.

Samenvatting vonnissen

3. De verdachten zullen tot op het einde van de speech moeten wachten voordat ze weten tot welke beslissingen de rechtbank is gekomen. Wij kunnen ons voorstellen dat ze maar in één ding geïnteresseerd zijn en dat is of ze schuldig dan wel onschuldig worden bevonden en als ze schuldig zijn tot welke straf ze worden veroordeeld. Daarom zal ik een tipje van de sluier oplichten. Wat de gewelddadige dood van de drie Nomads betreft, volgen er 3 vrijspraken en 12 veroordelingen. De strafeis van de officier van justitie zal niet worden gevolgd. In geen der gevallen wordt levenslange gevangenisstraf opgelegd, bij lange na niet zelfs.

Opbouw verhaal

4. Hoe is het verhaal opgebouwd? Om te beginnen zal worden ingegaan op de zogenoemde formele verweren. Formele verweren betreffen niet de vraag of een feit bewezen is of niet maar of de rechtbank wel aan de beoordeling van de zaken kan toekomen. Dan gaat het om de bevoegdheid van de rechtbank de zaken te behandelen en meer in het bijzonder of de officier van justitie wel het recht heeft om de verdachten te vervolgen dan wel of hij dit vervolgingsrecht op enig moment heeft verspeeld. Om het juridisch te zeggen: of de officier van justitie wel ontvankelijk is in zijn vervolging. Na bespreking van deze verweren gaat de rechtbank in op de beoordeling van de ten laste gelegde feiten. Als ik dit zeg, betekent dit al dat de formele verweren worden verworpen. Dat neemt niet weg dat uitgebreid op deze verweren zal worden ingegaan. Bij de beoordeling van de feiten zullen ook enkele bewijsverweren aan de orde komen. Een bewijsverweer houdt in dat sommige processtukken naar het oordeel van de verdediging niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Met name zal lang worden stilgestaan bij het verweer van sommige advocaten dat de verklaringen van [getuige1] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Ten slotte komen we bij de eindbeoordeling.

Formele verweren

De bevoegdheid van de rechtbank

5. De raadsman van [verdachte1] heeft bij pleidooi zijn verweer herhaald dat de rechtbank om verschillende redenen onbevoegd is kennis te nemen van de aan hem ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt ten aanzien van haar bevoegdheid het volgende. Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering is - voor zover hier van belang - naast andere in die bepaling aangewezen rechtbanken gelijkelijk bevoegd tot kennisneming van de zaak de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verdachte woon- of verblijfplaats heeft en voorts de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verdachte zich bevindt. Onder woonplaats wordt in dit verband verstaan het adres waar betrokkene ingeschreven staat bij de gemeentelijke basisadministratie. Ten aanzien van de verblijfplaats is beslissend waar een verdachte zich bevindt op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem wordt aangevangen. In deze bepaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen vrijwillig en onvrijwillig verblijf. Uit het dossier blijkt dat [verdachte1] sinds 27 mei 2003 staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres] De verdachten [verdachte2], [[verdachte3] , [verdachte4], [verdachte5] en [verdachte7] bevonden zich op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen aanving in het arrondissement Amsterdam; zij zijn op 16 dan wel 17 juni 2004, dus daags nadat de rechtbank Amsterdam zich bevoegd had verklaard in de zaken tegen [verdachte8] en[verdachte9], onderscheidenlijk in Amsterdam en Amstelveen in verzekering gesteld. Gelet op de omstandigheid dat er al een Amsterdams onderzoek liep naar de Hells Angels (het Fluor-onderzoek) en de overige onderzoeken zijn overgedragen aan Amsterdam, was er ook reden om deze verdachten na hun aanhouding over te brengen naar het arrondissement Amsterdam. Op grond van het voorgaande is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van hetgeen aan deze verdachten ten laste gelegd is.

6. De bevoegdheid in de zaken van de hiervoor genoemde verdachten brengt op grond van artikel 6, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ook de bevoegdheid in de zaken tegen de medeverdachten mee.

7. De raadsman heeft aangevoerd dat alleen de rechtbank Roermond bevoegd is kennis te nemen van het ten laste gelegde en niet de rechtbank Amsterdam omdat er sprake is van gelijktijdige vervolging voor de rechtbank Roermond en Amsterdam. De rechtbank is het daar niet mee eens. De vervolging van [verdachte8] en [verdachte9] is weliswaar aangevangen bij de rechtbank Roermond maar het onderzoek in hun zaken is overgedragen aan de rechtbank Amsterdam. Dat blijkt uit een brief van de rechter-commissaris van de rechtbank Roermond van 26 april 2004. Reden voor de overdracht van de lopende onderzoeken in Roermond aan Amsterdam was dat het Amsterdamse onderzoek naar de drie vermoorde Hells Angels eerder was aangevangen. Deze twee verdachten worden nu dus alleen nog bij de rechtbank Amsterdam vervolgd. Er is dus geen sprake van een gelijktijdige vervolging en daarom is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het ten laste gelegde in alle zaken. De rechtbank verwerpt het verweer.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Overleggen processtukken

8. Mr. Stevens, de raadsvrouw van [verdachte8], heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdediging volledig kennis moet kunnen nemen van voor de strafzaak relevante informatie. Zonder tijdige en volledige informatie kan de verdachte ernstig in zijn verdediging worden geschaad. De raadsvrouw is van mening dat de rechtbank op 7 september 2004 niet de opdracht aan de officier van justitie had moeten verstrekken om een volledig en toegankelijk dossier over te leggen, maar het openbaar ministerie op dat moment niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. Zij verzoekt de rechtbank thans rekening te houden met deze schending van de rechten van de verdachte en op zijn minst de strafmaat te verminderen.

9. Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat in het begin van de procedure de verdediging niet beschikte over alle processtukken. Op de pro forma zitting van 7 september 2004 heeft de rechtbank bepaald dat het dossier onvoldoende toegankelijk was en dat de officier van justitie binnen een door de rechtbank aangegeven termijn een geordend dossier aan de verdediging diende te verstrekken. Voor de door de raadsvrouw aangevoerde stelling dat reeds toen de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging had moeten worden verklaard, bestaat geen grond, aangezien van een doelbewuste schending van de rechten van de verdachte door de officier van justitie door het bewust achterhouden van processtukken geen sprake was. De rechtbank heeft voorts op de pro forma zitting van 25 november 2004 vastgesteld dat de officier van justitie in oktober 2004 een geordend dossier heeft aangeleverd. Gaandeweg deze procedure en in ieder geval tijdig voor de inhoudelijke behandeling van deze zaak beschikte de verdediging over alle processtukken en bevond zij zich dus in beginsel tegenover de officier van justitie niet in een nadelige positie. Weliswaar is het geordende dossier pas na de eerste pro forma zitting en dus onwenselijk laat aan de verdediging verstrekt, maar niet is aangevoerd, noch zijn er concrete aanwijzingen dat de verdediging hierdoor na oktober 2004 in enig belang is geschaad. Derhalve ziet de rechtbank geen termen over te gaan tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Evenmin zijn er redenen om tot strafvermindering over te gaan.

Onrechtmatige aanhouding

10. De raadslieden mrs. Vonken en Stevens hebben aangevoerd - kort gezegd - dat op 8 maart 2004 ten onrechte tot aanhouding van de verdachten [verdachte9] en [verdachte8] is overgegaan. De aanhouding was uitsluitend gebaseerd op informatie van [getuige1] over zijn gijzeling en de informatie van [getuige2] die inhield dat [verdachte9] en [verdachte8] achter de drie moorden zaten. Deze informatie was oncontroleerbaar en niet serieus te nemen. Er bestond op het moment van aanhouding geen redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, aldus de raadslieden. Mr. Stevens heeft voorts betoogd dat er sprake was van een door politie - en mogelijk Justitie - in scène gezette gijzeling, bedoeld om het in het slop geraakte politieonderzoek nieuw leven in te blazen. Zij concluderen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard.

11. De rechtbank overweegt hierover het volgende. De telefoontjes op 8 maart 2004 van [getuige1] aan de politie, gekoppeld aan de telefonische informatie die de politie kreeg van [getuige2], alles bezien in het licht van de resultaten van het politieonderzoek tot dan toe, rechtvaardigden naar het oordeel van de rechtbank de aanhouding van [verdachte9] en [verdachte8] op 8 maart 2004. Er bestond op het moment van aanhouding voldoende concrete verdenking jegens hen ter zake de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde feiten, te weten gijzeling en moord. Uit de taps blijkt dat de aanhouding van [getuige1] - eveneens op 8 maart 2004 - door [getuige1] en de politie is geregisseerd. Het moment en de wijze van aanhouding van [getuige1] en [oud presidentBrothers Caribbean, Curaçao] zijn vooraf door [getuige1] met de politie doorgesproken. De rechtbank acht aannemelijk dat dit werd ingegeven door de angst van [getuige1], en vermoedelijk ook van de politie, dat de situatie uit de hand zou lopen zonder ingrijpen van buitenaf. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de reden voor [getuige1] om bij de politie bescherming te zoeken, namelijk de dreigende situatie veroorzaakt door [verdachte9] en [verdachte8], niet bestond. Dat de gijzeling in scène zou zijn gezet, blijkt uit niets. Integendeel, het dossier biedt voldoende aanknopingspunten dat er wel degelijk een serieuze dreiging voor [getuige1] bestond. Indien de verdediging heeft bedoeld te betogen dat de officier van justitie, dan wel iemand voor wie hij verantwoordelijk is, in dit opzicht te kwader trouw is geweest, is dit volstrekt ten onrechte. De verweren worden verworpen.

12. Van de gelegenheid maakt de rechtbank gebruik haar waardering voor de opstelling van de officier van justitie tot uitdrukking te brengen. Voor deze waardering bestaan diverse redenen. De officier van justitie heeft er op toe gezien dat in het procesdossier niet alleen materiaal is opgenomen dat belastend is voor de verdachten maar ook stukken die in hun voordeel zijn. Verder is de rechtbank onder de indruk van de juridische argumenten die de officier van justitie in zijn requisitoir heeft gebezigd. Ook waardeert de rechtbank het dat hij zelfstandig actie heeft ondernomen naar aanleiding van de brief van mr. Witlox over het ten onrechte niet aanvoeren van [verdachte10] op de pro forma zitting op 6 september 2004.

13. Deze waardering neemt niet weg dat de rechtbank het op onderdelen niet eens is met de officier en op een enkel punt zelfs forse kritiek heeft. Maar dan gaat het om een verschil in beoordeling. De rechtbank hoopt met haar argumenten de officier van de juistheid van haar beslissingen te overtuigen. Is dat niet zo dan staat de weg van hoger beroep voor hem open. Dit geldt uiteraard ook voor de verdachten.

14. De rechtbank wil niet verhelen onder de indruk te zijn geraakt van de wijze waarop de advocaten hun cliënten hebben bijgestaan en van de juridische betogen die zij hebben gehouden. De omstandigheid dat de rechtbank de verdediging niet in alle opzichten volgt doet hier niet aan af. Ook is de rechtbank de verdachten erkentelijk voor hun correcte houding ter zitting. Ere wie ere toekomt.

De deal met [getuige1]

15. De raadslieden hebben betoogd dat de overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en [getuige1] van 3 februari 2005 onrechtmatig is, hetgeen volgens de meesten van hen tot gevolg behoort te hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dat de inhoud van de verklaringen van [getuige1] van het bewijs dient te worden uitgesloten.

16. De rechtbank stelt voorop dat thans geen wettelijke regeling voorziet in het sluiten van overeenkomsten met getuigen in strafzaken. Er zijn wel wetsvoorstellen hierover bij het parlement ingediend; de wetsvoorstellen 26 294 en 28 107. De stand van zaken op dit moment is dat de Minister van Justitie een memorie van antwoord aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft gezonden. Wel is van toepassing de Tijdelijke Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken. Deze aanwijzing is een aanwijzing in de zin van artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie en betreft de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. Daaraan is de rechtbank derhalve niet gebonden. Gelet op het rechtskarakter van die regeling is de officier van justitie dat wel.

17. De rechtbank zal daarom eerst nagaan of de officier binnen het kader van zijn bevoegdheden is gebleven. Indien dat niet het geval is, zal de rechtbank beoordelen of eventuele onregelmatigheden - getoetst aan de in artikel 6 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens gewaarborgde fundamentele rechten en aan de mede uit artikel 6 van dit Verdrag afgeleide beginselen van een behoorlijke procesorde - verzuim opleveren als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, en zo ja, welke consequenties daaraan moeten worden verbonden. In het licht van deze toets zal waar nodig het wetsvoorstel met betrekking tot toezeggingen aan getuigen in strafzaken een richtinggevende rol spelen.

18. De gratiebepaling. De Tijdelijke Aanwijzing bepaalt onder 3 - voor zover hier van belang - dat aan een getuige die tevens verdachte is, toezeggingen kunnen worden gedaan strekkende tot vermindering van de te vorderen straf met ten hoogste een derde bij een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Aan een getuige die reeds is veroordeeld, kunnen toezeggingen worden gedaan met betrekking tot het uitbrengen van een positief advies tot vermindering van de opgelegde straf met ten hoogste een derde van die straf, indien de getuige een verzoekschrift tot gratie indient. Andere toezeggingen strekkende tot strafvermindering dan onder 3 genoemd mogen niet worden gedaan.

19. [getuige1] is niet veroordeeld, hetgeen blijkens de Tijdelijke Aanwijzing impliceert dat aan hem geen toezeggingen kunnen worden gedaan met betrekking tot gratie. De rechtbank ziet evenwel geen beletsel in het opnemen van een gratiebepaling in de overeenkomst indien deze geen inbreuk maakt op het wettelijk systeem inzake de vervolgingsbeslissing, strafoplegging en tenuitvoerlegging. De bepaling houdt niet in een toezegging tot het niet uitvoeren van een door de rechtbank op te leggen straf zodat van een dergelijke inbreuk geen sprake is. De officier van justitie neemt een inspanningsverplichting op zich, niet meer en niet minder.

20. Tegen de enkele toezegging een positief advies uit te brengen indien de getuige een verzoekschrift tot gratie indient bestaat dan ook geen bezwaar, mits de toezegging niet verdergaat dan strekkende tot vermindering van de opgelegde straf met ten hoogste een derde van die straf. In de overeenkomst met [getuige1] is echter toegezegd een positief advies uit te brengen, - zie onder 2.2 van de overeenkomst - in dier voege dat zal worden geadviseerd dat de tenuitvoerlegging van deze straf door middel van gratie effectief zal worden verminderd tot een zodanige onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de getuige met inachtneming van deze overeenkomst zou moeten ondergaan in geval van vorenbedoelde toepassing van art. 359 zevende lid Sv. achterwege blijft. Dit betekent dat als de rechtbank tot een zwaardere straf dan door de officier van justitie geëist zou besluiten, de officier via het gratieverzoek zal pogen te bewerkstelligen de straf alsnog tot 36 maanden gevangenisstraf te laten terugbrengen. Het gratieadvies is dus niet gekoppeld aan een evenredig deel van de opgelegde straf, maar aan de eis. Dit nu staat de Tijdelijke Aanwijzing aan de officier van justitie niet toe. Evenmin past een dergelijke toezegging in het voorgestelde artikel 226k van het Wetboek van Strafvordering, dat ook uitgaat van vermindering van de opgelegde straf. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het positief adviseren tot vermindering met een derde van de opgelegde straf mag, maar tot het verminderen van de opgelegde straf tot de strafeis niet.

21. Zoals gezegd, het gaat om een inspanningsverplichting van de officier van justitie. [getuige1], die bij het totstandkomen van de deal werd bijgestaan door een raadsman, zal zich er terdege van bewust moeten zijn dat de toezegging niet meer is dan dat; het houdt zeker geen garantie in. Anders dan door een aantal raadslieden is betoogd, kan de beslissing op een alsdan door [getuige1] in te dienen gratieverzoek bezwaarlijk als een “gelopen race” worden aangemerkt. Op het gratieverzoek wordt op voordracht van de Minister van Justitie door de Kroon beslist, welke voordracht onder andere vergezeld gaat van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Het rechterlijk advies is met redenen omkleed en dient door de Kroon bij de beschikking op het verzoek te worden betrokken. De omstandigheid dat de Minister van Justitie de overeenkomst met [getuige1] niet ontraden heeft, loopt naar het oordeel van de rechtbank niet vooruit op een eventueel te nemen beslissing in de toekomst. Dat hij de overeenkomst niet heeft ontraden, brengt niet mee dat hij afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheden met betrekking tot gratieverlening. In ieder geval zijn de handen van de minister door de inhoud van de overeenkomst in de toekomst op geen enkele wijze gebonden.

22. Heeft dit geconstateerde gebrek aan de gratiebepaling nu gevolgen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering? Naar het oordeel van de rechtbank niet. Niet gezegd kan worden dat het gebrek is aan te merken als een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten tekort wordt gedaan aan het recht op een behoorlijke behandeling van hun zaak. Voor niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie is dan ook geen aanleiding. Maar ook voor bewijsuitsluiting ziet de rechtbank dat niet gelet op al het voorgaande.

23. De eis. Met betrekking tot het standpunt dat de eis van 36 maanden (54 maanden met aftrek van 1/3) alle door [getuige1] in de verklaringen vermelde strafbare feiten betreft waardoor hem als het ware immuniteit is geboden voor die andere feiten overweegt de rechtbank het volgende.

24. Aan de verdediging kan worden toegegeven dat uit de tekst die onder 2.1 van de overeenkomst is opgenomen kan worden afgeleid dat de officier van justitie zijn strafeis voor het aandeel van [getuige1] in alle feiten als door hem genoemd in alle aangehechte processen-verbaal zal stellen op 36 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het daar verwoorde is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en levert een sterke aanwijzing op dat de overeenkomst moet worden uitgelegd op de door de raadslieden aangegeven wijze. Daar staat tegenover dat in de considerans van de overeenkomst onder A is opgenomen dat tegen de getuige een opsporingsonderzoek wordt verricht ter zake van het misdrijf kort gezegd het importeren van 293 kilo cocaïne, hetgeen er op wijst dat de overeengekomen strafeis slechts op dit feit ziet. Het is voorts deze import die aan [getuige1] in zijn strafzaak ten laste is gelegd. Daarbij komt dat ter zitting van 1 februari 2005 door de officier van justitie expliciet is verklaard dat het zeker niet de bedoeling is [getuige1] uitsluitend voor dit feit te vervolgen noch voor alle feiten tezamen slechts 36 maanden (na 1/3 korting) te eisen. [getuige1] heeft daarop ter zitting ook duidelijk te kennen gegeven er zelf ook niet van uit te gaan dat de eis geldt voor alle door hem ‘opgebiechte’ feiten. Integendeel, volgens [getuige1] is zijn raadsman nog in onderhandeling met het openbaar ministerie over de andere feiten. In dit licht bezien acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de officier van justitie heeft toegezegd [getuige1] voor alle feiten niet verder te zullen vervolgen. Mitsdien komt de rechtbank tot de conclusie dat de stelling van de verdediging feitelijke grondslag mist.

25. Ten aanzien van de door de officier van justitie te vorderen eis van 54 (onder aftrek van 1/3 deel 36) maanden voor import van 293 kilo cocaïne in de strafzaak tegen [getuige1] wordt als volgt overwogen. Vooropgesteld wordt dat het aan de beoordelingsvrijheid van de officier van justitie is overgelaten een strafeis te formuleren. De rechtbank dient deze beoordelingsvrijheid marginaal te toetsen. Een apert lage eis kan duiden op een niet toelaatbare toezegging als bedoeld in de Tijdelijke Aanwijzing. Niet zonneklaar is dat [getuige1] als spin in het web moet worden beschouwd, zoals door een aantal raadslieden is betoogd. De officier van justitie is niet zonder meer verplicht de Bos-Polarisrichtlijn tot richtsnoer te nemen. Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten dat op voorhand reeds gezegd kan worden dat een eis van 54 maanden kennelijk onredelijk laag is. Het verweer wordt verworpen.

26. Door de verdediging is voorts nog aangevoerd dat [getuige1] volledige immuniteit wordt gegeven voor het bezit van een vuurwapen. Dit standpunt ontbeert feitelijke grondslag nu uit de tenlastelegging in de zaak tegen [getuige1] blijkt dat hij voor het voorhanden hebben van een pistool wordt vervolgd.

27. Het door de verdediging gemaakte verwijt aan [getuige1] dat hij ten onrechte geen openheid heeft gegeven over de herkomst van het wapen snijdt geen hout. Ingevolge het bepaalde onder 5.2 van de Tijdelijke Aanwijzing is [getuige1] gehouden volledige informatie en opening van zaken te geven over zijn aandeel in de strafbare feiten waarop zijn getuigenverklaring betrekking heeft. In de overeenkomst onder 1.3 is opgenomen dat hij niet zal weigeren te verklaren over zijn eigen betrokkenheid bij feiten. Het leveren van het wapen heeft geen betrekking op het eigen aandeel van [getuige1] maar op dat van een derde. [getuige1] heeft derhalve op dit punt voldaan aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst.

28. Getuigenbescherming. Ten aanzien van eventuele getuigenbescherming overweegt de rechtbank het volgende. Voorop gesteld wordt dat de Tijdelijke Aanwijzing onder 4.9 toestaat dat er getuigenbeschermingsmaatregelen worden getroffen volgens de basisinstructie getuigenbescherming. Dit is de thans geldende Instructie getuigenbescherming 2001, in werking getreden op 15 januari 2002. Door de officier van justitie en [getuige1] is ter zitting meegedeeld dat er conform deze instructie is gehandeld. Er is tussen partijen een separate overeenkomst ter zake van getuigenbescherming gesloten. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat deze mededelingen in strijd met de werkelijkheid zouden zijn. Daarbij verdient aandacht dat onder 10 van de instructie is bepaald dat de officier van justitie geen mededelingen aan derden doet over getuigenbescherming. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen beletsel in de gevolgde handelwijze.

29. Proportionaliteit en subsidiariteit. De in de overeenkomst genoemde verklaringen onder B (nrs 1 t/m 17) waren door [getuige1] al afgelegd voordat er begonnen was met het onderhandelen over een deal. Het zijn verklaringen in ruil waarvoor hij bescherming heeft willen bedingen. Eerst na inschakeling van een advocaat is aan de orde gekomen de vraag of er een deal zou kunnen worden gesloten. Dit heeft de kluisverklaringen 1 t/m 14 onder C opgeleverd. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank eens dat de kluisverklaringen inderdaad een minder wezenlijke bijdrage leveren aan de strafzaak tegen verdachten. De kluisverklaringen hebben vooral betrekking op andere feiten dan die welke aan verdachten ten laste zijn gelegd. Hiermee houden de Tijdelijke Aanwijzing en overigens ook het wetsvoorstel geen rekening. De officier van justitie had de overeenkomst met [getuige1] op zichzelf niet nodig nu de 17 verklaringen (vermeld onder B) beschikbaar waren. De loop der dingen heeft alles te maken gehad met de wijze van totstandkoming van de overeenkomst én met de opdracht van de rechtbank aan de officier alle verklaringen van [getuige1] ter beschikking te stellen. Zo kon voor de strafzaken optimale transparantie worden bereikt, in welk kader de officier tevens een proces-verbaal van bevindingen heeft overgelegd.

De conclusie dat de proportionaliteit en subsidiariteit - gelet op dit verloop - zijn geschonden is niet gerechtvaardigd. De ernst van de feiten zoals deze in de overeenkomst onder C zijn benoemd en door de officier van justitie nader zijn toegelicht rechtvaardigen op zichzelf het sluiten van de overeenkomst met [getuige1], ook al is deze voor de thans aanhangige strafzaken van minder belang.

30. Concluderend: op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien is er aanleiding tot het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie. Evenmin om tot bewijsuitsluiting te komen. De vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen is daarmee nog niet beantwoord. Dat zal gebeuren daar waar de rechtbank het antwoord op die vraag relevant acht.

Zaanse verhoormethode

31. De raadsman van [verdachte11] heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat verschillende verdachten psychisch zwaar onder druk zijn gezet teneinde te bewerkstelligen dat een verklaring werd afgelegd. De verhoren duurden lang en waren intensief. Er zijn foto’s van de drie doodgeschoten slachtoffers getoond. [verdachte12] en [verdachte13] zijn onder druk gezet doordat verbalisanten de impact van deze zaak op familieleden ter sprake brachten. Bij [verdachte10] is ingespeeld op zijn gevoel. De tekst van de overlijdensadvertentie van de broer van [verdachte14] is aan hem voorgelezen. Er zijn meer voorbeelden te noemen. Dit alles is in strijd met het pressieverbod van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, aldus de raadsman.

32. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Er is niet komen vast te staan dat de verbalisanten op [verdachte11] ongeoorloofde pressie hebben uitgeoefend. [verdachte11] is zo’n twaalf keer verhoord, en deze verhoren waren soms intensief, maar de ernst van de feiten rechtvaardigden dit zonder meer. Voorts is niet gebleken dat [verdachte11] door de verhoren van anderen in zijn belangen is geschaad. Reeds om deze reden faalt het beroep op niet-ontvankelijkheid.

33. Er zijn geen formele verweren door de andere verdachten gevoerd op het punt van de toegepaste verhoormethoden. Uiteraard heeft de rechtbank ook ambtshalve beoordeeld of de afgenomen verhoren van de verdachten de toets der kritiek kunnen doorstaan. De rechtbank komt tot een voor de officier van justitie positieve beslissing. De ernst van de feiten en de proceshouding van verdachten rechtvaardigden de uitgeoefende druk en toegepaste methoden. Op twee punten is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de verbalisanten onbehoorlijk zijn opgetreden. Het betreft hier allereerst het voorlezen van de overlijdensadvertentie aan [verdachte14]. Daarvoor hebben de betrokken verbalisanten ook hun excuses aangeboden. Voorts gaat het om het verhoor van [verweerder15] waarin verbalisanten hem voorspiegelden hoe de rechter er over zou denken, wat deze wel of niet zou geloven en wat daar de consequenties van zouden zijn. De officier van justitie heeft de desbetreffende verbalisanten hierop aangesproken om deze praktijk in de toekomst te voorkomen. Dit onbehoorlijk optreden van de verbalisanten levert niet een zodanig ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde op dat niet-ontvankelijkheid dient te volgen, dan wel dat een andere sanctie zoals strafvermindering zou moeten worden getroffen.

De kwestie [verdachte10]

34. Mr. Witlox heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van zijn cliënt, nu deze in zijn aanwezigheidsrecht op de pro forma-zitting op 6 september 2004 is gefrustreerd.

35. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voorop gesteld moet worden dat het aanwezigheidsrecht een fundamenteel recht is, welk recht ook op een pro forma zitting uitgeoefend moet kunnen worden. Nadat [verdachte10] op de 6de september niet was aangevoerd en er twee verschillende afstandsverklaringen bleken te bestaan, heeft de officier van justitie een rijksrechercheonderzoek laten instellen. Deze resultaten van het onderzoek zijn - conform de beslissing van de rechtbank op 25 november 2004 - beschikbaar gekomen tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte. De rechtbank constateert wel dat zij de officier van justitie daartoe op de eerste zittingsdag een bevel moest geven. De voorlopige resultaten van het rijksrechercheonderzoek kunnen op dit moment niet de conclusie rechtvaardigen dat aan [verdachte10] doelbewust zijn aanwezigheidsrecht op de zitting is ontnomen. Wel is gebleken dat er zeer onzorgvuldig met de afstandsverklaring is omgesprongen. Immers op een door [verdachte10] op 18 augustus 2004 ingevulde afstandsverklaring, waarop door hem geen zittingsdatum was ingevuld, is op 3 september 2004 door een personeelslid van de penitentiaire inrichting de zittingsdatum van 6 september 2004 ingevuld. Daarna is de afstandsverklaring naar de rechtbank gefaxt. Vast staat dat [verdachte10] op 18 augustus 2004 nog geen oproeping voor 6 september 2004 had ontvangen en aldus geen afstand van deze zitting kon doen. In de week erna veronderstelt een ander personeelslid dat [verdachte10] op 6 september 2004 een zitting heeft in Rotterdam, vindt de afstandsverklaring van [verdachte10] in het bakje ‘wachtende zaken’ en wijzigt handmatig de bestemming van Amsterdam in Rotterdam. Hoewel een en ander eerder duidt op een pragmatische werkwijze dan op het opzettelijk frustreren van het aanwezigheidsrecht van [verdachte10], kan deze gang van zaken - welke voor de verantwoordelijkheid van de officier van justitie komt - naar het oordeel van de rechtbank de toets der kritiek niet doorstaan. De belangen van [verdachte10] zijn hierdoor immers geschaad. Deze belangenschending is echter in dit concrete geval niet zo ernstig dat de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het geding komt. De zaak werd immers niet inhoudelijk behandeld en zijn gemachtigde raadsman vertegenwoordigde [verdachte10]. De rechtbank vindt wel dat er gronden zijn voor strafvermindering voor de duur van twee maanden om aldus het onthouden van het aanwezigheidsrecht te compenseren.

Verweer inzake [verdachte13]

36. Ter terechtzitting heeft de raadsman van [verdachte13] aangevoerd dat niet valt in te zien waarom de officier van justitie - conform de geldende richtlijnen - zijn cliënt geen transactie heeft aangeboden inzake het voorhanden hebben van een traangasbusje, ploertendoder en katapult.

37. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Nu de officier van justitie [verdachte13] in de eerste plaats vervolgt voor een drievoudige levensberoving, ligt het niet voor de hand om de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten af te doen door middel van een transactie. Dat hij geen relevante documentatie heeft, doet daaraan niet af. De officier van justitie heeft in redelijkheid tot dagvaarden kunnen besluiten en het verweer kan dus niet slagen. Hoewel de raadsman aan zijn verweer betreffende het ontbreken van een vordering van de officier van justitie ten aanzien van de feiten 2 en 3 geen conclusies heeft verbonden, wenst de rechtbank ten overvloede op te merken dat dit verweer feitelijke grondslag mist, nu de officier van justitie in zijn requisitoir, zij het summier, wel degelijk heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 2 en 3.

Beoordeling van de feiten

38. Aangezien de formele verweren alle zijn verworpen, komen we toe aan de beoordeling van de ten laste gelegde feiten. Hierbij gaan we van licht naar zwaar. We beginnen met feiten die aan enkele verdachten zijn ten laste gelegd. Dan gaat het om verboden wapenbezit en het bezit van drugs. Dan wordt de gijzeling besproken die aan [verdachte8] en aan [verdachte9] is ten laste gelegd. Het woord gijzeling is eigenlijk niet correct want de officier van justitie heeft op de 1ste zittingsdag de gijzeling laten vallen en die vervangen door wederrechtelijke vrijheidsberoving. Wat is het verschil? Bij gijzeling gaat het om vrijheidsberoving om iets gedaan te krijgen. Het schoolvoorbeeld is het krijgen van losgeld. Bij vrijheidsberoving gaat het om beroven van de vrijheid sec. De officier van justitie heeft verder gezegd: als ik vrijheidsberoving niet kan bewijzen dan kan ik wel dwang bewijzen. Dit is een zelden toegepaste bepaling maar staat wel in de wet. Dwang is iemand door geweld of bedreiging te dwingen iets te doen, te dulden of na te laten. Hierna zal als 3de punt de schietpartij die aan [verdachte7] wordt ten laste gelegd worden doorgenomen evenals de overige aan hem ten laste gelegde feiten. Ten slotte komt het feit aan de orde waar het hier in wezen om gaat: de gewelddadige dood van de drie Nomads, [slachtoffer1], [slachtoffer2] en [slachtoffer3]. Maar we beginnen met de losse feiten.

Categorie I

39. Ik begin met de feiten 2 en 3 die aan [verdachte1] worden verweten, te weten het bezit van 2 boksbeugels en een busje peperspray. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen. Uit het dossier blijkt voldoende dat het bezit van deze voorwerpen overtreding oplevert van de Wet wapens en munitie. De boksbeugels en de peperspray zijn aangetroffen in de woning waar [verdachte1] verbleef met zijn [echtgenote verdachte1], en haar zoon. [verdachte1] staat daar niet ingeschreven. Zijn inschrijfadres is in Amsterdam maar daarom is hij nog wel verantwoordelijk voor wat zich in de woning te [woonplaats] bevindt, tenzij hij een goed verhaal heeft om het tegendeel aan te nemen. Dit verhaal ligt er niet en de verklaring van [echtgenote verdachte1] dat de spullen uitsluitend van haar waren overtuigt niet. Door de raadsman is nog betoogd dat niet is komen vast te staan dat het pepperspraybusje daadwerkelijk pepperspray bevatte zodat vrijspraak moet volgen. Dit verweer wordt verworpen. [echtgenote verdachte1] spreekt in haar verklaring zelf over pepperspray en heeft het daarmee over de inhoud van het busje. Verder heeft de politie het bij de inbeslagneming over een gasbusje met pepperspray. Een en ander is voldoende om met voldoende mate van zekerheid te kunnen oordelen dat het busje pepperspray bevatte zodat het verweer faalt. De bewezenverklaring zal echter niet tot een extra straf leiden. Deze feiten vallen in het niet in vergelijking met de feiten waar het hier echt om gaat, de gewelddadige dood van de drie Nomads.

40. De feiten 2 en 3 die op de tenlastelegging van [verdachte13] staan. Het gaat hier om een traangasbusje, een ploertendoder en een katapult. Verdachte heeft het bezit van deze voorwerpen in belangrijke mate erkend en kan daarvoor verantwoordelijk worden gehouden. Door een politieman is geverbaliseerd dat het bezit van deze spullen in strijd is met de Wet wapens en munitie. Door de verdediging is betoogd dat de inhoud van het traangasbusje niet is onderzocht zodat niet zeker is dat daarin werkende vloeistof zat. Dit betoog kan als een bewijsverweer worden opgevat. Het verweer wordt echter verworpen. Er mag worden uitgegaan van de uiterlijke kenmerken van een traangasbusje. Deze zijn bij het onderzoek vastgesteld en dat is voldoende. Verder heeft de politie het over een busje met traangas waarmee op de inhoud van het busje wordt gedoeld. [verdachte13] zal echter voor het bezit van deze spullen niet extra worden gestraft. Deze feiten vallen weg tegen het hoofddelict, de dood van de drie Nomads.

41. Dan nu de extra feiten die aan [verdachte2] ten laste zijn gelegd, te weten het bezit van 4 kilo amfetamine, 250 gram XTC en 300 gram hasjiesj. Dat het om amfetamine en om XTC gaat staat vast. Dat blijkt uit een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut. Ook staat vast dat er hasjiesj in het spel is. Dat blijkt uit een onderzoek door een politieman. [verdachte2] heeft over deze spullen niet willen verklaren. Hij heeft wel voor afstand getekend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze feiten bewezen. Ze zijn in zijn woning en schuur aangetroffen. Dan wordt het bezit daarvan aangenomen tenzij men een goed verhaal heeft om tot het tegendeel te kunnen besluiten. Dit goede verhaal is er niet gekomen. [verdachte2] zal voor het bezit van de amfetamine en de XTC extra worden gestraft, gelet op de grote hoeveelheden die hier in het geding zijn. De hasjiesj laten we dan maar verder zitten.

42. Ten slotte de extra feiten die aan [verdachte4] ten laste zijn gelegd, te weten het bezit van een pistool, munitie en een patroonhouder. Deze feiten worden bewezen geacht. De voorwerpen zijn aangetroffen in zijn woning. Hij heeft over de aanwezigheid geen ontlastende verklaring gegeven zodat hij daarvoor aansprakelijk wordt geacht. Het bezit van deze voorwerpen is in strijd met de Wet wapens en munitie. Deze bewezenverklaring zal tot strafverhoging met twee maanden aanleiding geven.

Categorie II

43. Dan nu de beoordeling van de feiten die aan [verdachte8] en [verdachte9] zijn ten laste gelegd. Aan deze feiten liggen de verklaringen van [getuige1] te grondslag. Voordat de verklaringen van deze getuige voor het bewijs kunnen worden gebezigd zal moeten worden nagegaan of deze als geloofwaardig en betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Dit geldt vanzelfsprekend voor iedere verklaring van welke getuige dan ook maar in het bijzonder ten aanzien van getuigen met wie een “deal” is gesloten. Deze getuigen kunnen immers een belang hebben bij het afleggen van onjuiste verklaringen omdat hun een beloning in het vooruitzicht wordt gesteld, te weten een korting op de strafeis van een derde. Daarin zouden zij grond kunnen vinden een verhaal te vertellen waarvan zij menen dat dit bij Justitie in goede aarde valt. Als één of meer verklaringen als ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt, zullen ze van het bewijs moeten worden uitgesloten.

44. De rechtbank stelt voorop dat zij wat betreft de beoordeling van de betrouwbaarheid van [getuige1] en de geloofwaardigheid van zijn verklaringen zich nadrukkelijk heeft beperkt tot de verklaringen over zijn motief om naar Justitie te lopen, over de gijzeling en over de drie doden.

45. De rechtbank zal alle verklaringen van [getuige1] die op deze drie onderwerpen betrekking hebben beoordelen, dus zowel de in de eerste fase na de aanhouding daarover afgelegde verklaringen als de zogenaamde kluisverklaringen. De verklaringen zijn op de openbare terechtzitting gepresenteerd in tegenwoordigheid van verdachten. De verdediging is in de gelegenheid gesteld [getuige1] te ondervragen ten einde diens verklaringen te kunnen betwisten en diens betrouwbaarheid aan de orde te stellen. Van belang is verder dat [getuige1] op de terechtzitting uitvoerig aan de tand is gevoeld. De rechtbank heeft al doende zich een eigen oordeel over de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van [getuige1] en diens verklaringen kunnen vormen.

46. Op welke wijze moet nu de rechtbank zich een oordeel vormen over de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen? Zonder uitputtend te willen zijn, zal het volgende moeten worden nagegaan:

a. Zijn de verklaringen consistent? Daarmee wordt bedoeld dat vanaf het begin tot aan het einde steeds in overwegende mate hetzelfde is betoogd. Het mag niet zo zijn dat in verklaring 2 zus, in verklaring 7 zo, in de 13de dit en in de 18de dat is verklaard.

b. Zijn in de verklaringen tegenstrijdigheden te constateren? En zo ja gaat het hier om hoofd- dan wel om bijzaken? Als er zodanige verschillen zijn vast te stellen, heeft de getuige daar dan een bevredigende verklaring voor? Heeft hij zich vergist en heeft hij deze vergissing willen herstellen of zijn er andere factoren die de verschillen kunnen verklaren en zijn deze verklaringen dan aannemelijk?

c. Is de getuige op enig moment met nieuwe gegevens op de proppen gekomen? Zo ja waarom heeft hij niet van meet af aan open kaart gespeeld? Heeft hij een aannemelijke verklaring voor het feit dat hij niet vanaf het begin open is geweest?

d. Passen de verklaringen in overig bewijsmateriaal? Indien dat niet het geval is hoe kan de getuige dan verklaren dat zijn relaas afwijkt van andere bewijsmiddelen?

e. Maakt de getuige ter zitting een oprechte, betrouwbare indruk?

47. De meest in het oog springende punten zullen hierna worden belicht zonder uitputtend te willen zijn.

a. In het bijzonder is het rechtbank opgevallen dat [getuige1] verschillend heeft verklaard over de reden waarom hij Justitie inschakelde. Aanvankelijk verklaarde [getuige1] dat hij naar Nederland was gegaan in opdracht van [verdachte3]. [verdachte3] had [getuige1] begin maart 2004 in Curaçao geconfronteerd met de stelling dat [getuige1] betrokken was geweest bij een ripdeal. [getuige1] ontkende deze betrokkenheid. [verdachte3] toonde zich verheugd over deze mededeling maar wilde dat [getuige1] naar Nederland zou gaan om hetzelfde verhaal aan [verdachte9] en aan [verdachte8] te vertellen. [getuige1] deed dit onmiddellijk. Dit resulteerde in twee gesprekken met [verdachte9] en [verdachte8]. Het 1ste gesprek bij [verdachte8] thuis; het 2de vlakbij het station in Sittard, bij de ijzeren brug. In het 1ste gesprek deelde [verdachte8] mee dat [verdachte8] en [verdachte9] de poep van de stoep hadden geveegd. Daaruit begreep [getuige1] dat zij de drie hadden geliquideerd. [slachtoffer1] was betrokken bij een ripdeal. [verdachte9] en [verdachte8] zouden de drie hebben omgebracht om de Colombianen van wie de cocaïne was geript aan te tonen dat [verdachte8] en [verdachte9] het probleem hadden opgelost. Aldus konden zij de cocaïnehandel met de Colombianen voortzetten. Met name het 2de gesprek was dreigend van aard. [verdachte9] en [verdachte8] waren niet geheel tevreden over de reactie van [getuige1] dat hij niet bij die ripdeal was betrokken. Zij deelden hem mee dat een transporteur van de cocaïne een andersluidende mening had. [verdachte9] en [verdachte8] wilden [getuige1] met deze transporteur confronteren. In afwachting van deze confrontatie mocht [getuige1] het Zuiden niet verlaten. Bij beide gesprekken was ook [oud-president Brothers Caribbean Curaçao] aanwezig, de oud-president van de Brothers Caribbean op Curaçao, alstoen een hang-around club van de Hells Angels van welke club [getuige1] ook lid was. [getuige1] vreesde dat hij bij een 3de gesprek zou worden geliquideerd en zocht daarom contact met de hem bekende [getuige3] op Curaçao met het verzoek Justitie in te schakelen. [getuige1] werd toen gebeld door een zekere [getuige2]. [getuige1] dacht aanvankelijk dat hij een politieman was. Dezelfde dag werd hij gebeld door een zekere [getuige2] die vertelde politieman te zijn. Op de zittingen op 1 en 11 februari 2005 deelde [getuige1] mee dat hij thans er van overtuigd is dat het hier een en dezelfde persoon betreft. Met [getuige2]/[getuige2] werd afgesproken dat [getuige1] en [oud president Carribean Brothers, Curaçao] zouden worden gearresteerd, zogenaamd om verboden wapenbezit. [oud president Carribean Brothers, Curaçao] en [getuige1] hadden namelijk wapens aangeschaft om zich tegen een eventuele liquidatie te kunnen verdedigen. Aldus kort samengevat de 1ste lezing van [getuige1].

b. In de kluisverklaringen alsmede op de terechtzittingen kwam [getuige1] echter met een ander verhaal. Dit verhaal houdt het volgende in. [getuige1] vernam op 17 februari 2004, op de begrafenis van de drie doodgeschoten Nomads, van [president Brothers Caribbean], dat de drie waren doodgeschoten in opdracht van de Hells Angels, chapter Amsterdam, en dat “[getuige4]” - op dat moment de president van dat chapter - hiervan op de hoogte was. [getuige1] vond het onaanvaardbaar dat de drie door eigen mensen waren doodgeschoten en besloot daarom uit de cocaïnehandel te stappen. Toen [verdachte3] hem meedeelde dat hij naar Nederland moest afreizen om aan [verdachte9] en [verdachte8] verantwoording af te leggen, besloot hij daarop in te gaan om aldus te achterhalen wat er precies was gebeurd. Na het verkrijgen van de informatie zou hij Justitie benaderen. Dat besluit had hij dus al op Curaçao genomen en hij had toen reeds [getuige3] benaderd. Volgens [getuige1] waren [verdachte9] en [verdachte8] al bij het 2de gesprek van plan om hem dood te schieten maar werden zij daarvan weerhouden omdat op korte afstand - zo’n 50 meter - een man met een hondje liep.

c. Naast het verschil in motief om naar Nederland te gaan - volgens de 1ste verklaring om verantwoording af te leggen over zijn rol bij een cocaïnetransport, volgens de 2de om nadere informatie te verkrijgen over de liquidatie van de drie Nomads - zijn nog andere verschillen in de verklaringen van [getuige1] te constateren.

d. [getuige1] verklaarde aanvankelijk dat de dreiging die van de 2de ontmoeting uitging onder andere bleek uit de omstandigheid dat [verdachte9] en [verdachte8] lieten zien dat zij bewapend waren. Ook droegen beiden een kogelvrij vest. Naderhand verklaarde [getuige1] uitsluitend bij [verdachte8] een wapen te hebben gezien. Hij begreep van [oud-president Brothers Caribbean Curaçao] dat ook [verdachte9] bewapend was. Ook zei [oud-president Brothers Caribbean] tegen [getuige1] dat [verdachte9] en [verdachte8] een kogelvrij vest droegen. Dat had [getuige1] zelf niet gezien.

e. Het is de rechtbank opgevallen dat [getuige1] aanvankelijk enige terughoudendheid heeft betracht bij het noemen van namen. Met name heeft hij aanvankelijk de persoonlijke gegevens niet willen onthullen van de personen met wie hij contacten over diverse cocaïnedeals heeft gehad. Dit heeft hij eerst gedaan in de kluisverklaringen. Ook corresponderen in enkele gevallen door de getuige opgegeven data niet met elkaar.

f. Ten slotte wordt geconstateerd dat de mededeling van [getuige1] dat de liquidatie van de drie Nomads hem er toe bracht uit de cocaïnehandel te stappen niet correspondeert met zijn feitelijke gedrag. Hij bleef zich immers ook nadien met deze handel bezig houden.

48. Op de zittingen is aan [getuige1] gevraagd hoe hij een en ander kon verklaren. Over de reden om naar Nederland af te reizen, deelde [getuige1] mee dat hij aanvankelijk niet het achterste puntje van zijn tong wilde laten zien. Hij wilde pas volledige openheid geven als hem door Justitie bescherming zou worden geboden, niet alleen voor hem zelf maar ook voor zijn ex-vrouw en zijn drie kinderen. Dat was ook de reden waarom hij aanvankelijk de betrokkenheid van het chapter Amsterdam niet aan de politie had verteld. Wat het tonen van de wapens en de kogelvrije vesten betreft, antwoordde [getuige1] dat hij dit vanaf zijn 1ste verhoren aan de politie had verteld maar dat de politie dat kennelijk niet goed had opgeschreven. [getuige1] tekende de verklaringen zonder ze eerst goed door te lezen. Hij vertrouwde er op dat een en ander goed op papier stond. De verlangde bescherming verklaarde eveneens waarom [getuige1] aanvankelijk geen namen wilde noemen van personen die bij de cocaïnehandel betrokken waren. Deze gegevens wilde hij achter de hand houden. Wat de verschillen in data betreft, deze berustten volgens [getuige1] op een vergissing. Ten slotte deelde [getuige1] mee dat zijn besluit uit de cocaïnehandel te stappen te verenigen is met het voortduren van zijn werkzaamheden: hij wilde eerst de klussen waar hij mee bezig was afmaken.

49. De rechtbank kan zich voorstellen dat gegevens worden achtergehouden als wisselgeld. Ook is het uiteraard denkbaar dat de getuige zich op onderdelen vergist. Ook wil de rechtbank aannemen dat [getuige1] over de wapens en de kogelvrije vesten steeds hetzelfde heeft willen betogen. Het valt niet uit te sluiten dat de politie het relaas van [getuige1] niet volledig juist heeft opgeschreven. Een en ander tast dan ook de betrouwbaarheid niet aan. De rechtbank is echter van oordeel dat de reactie van [getuige1] overigens niet volledig bevredigend is. Met name komt het verschil om de reden waarom [getuige1] naar Nederland is gegaan niet overtuigend over, te minder nu [getuige1] heeft moeten toegeven dat de “broedermoord” hem niet van het voortzetten van zijn cocaïnehandel heeft weerhouden.

50. Hiermee wil echter nog niet gezegd zijn dat de verklaringen van [getuige1] als zijnde onbetrouwbaar of ongeloofwaardig volledig ter zijde moeten worden gelegd. [getuige1] maakte een oprechte indruk toen hij ter zitting over de gijzeling sprak. Daarnaast wil de rechtbank nagaan hoe deze verklaringen zich verhouden tot het overige bewijsmateriaal. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen zijn verklaringen over de hem overkomen “gijzeling” en zijn verklaringen over de dood van de drie Nomads. Wat de gijzeling betreft, vinden zijn verklaringen steun in de telefoontaps waaruit duidelijk de ongerustheid van [getuige1] over de goede afloop blijkt. Door de verdediging is terecht gesteld dat [getuige1] in enkele gevallen grapjes maakte. Hieruit kan echter in tegenstelling tot het standpunt van de verdediging niet worden afgeleid dat [getuige1] niet serieus mag worden genomen. Veeleer acht de rechtbank het aannemelijk dat hij de spanning wilde onderdrukken door geestigheden te debiteren. Verder staan de twee ontmoetingen die [getuige1] met [verdachte9] en [verdachte8] hebben gehad vast. [oud-president Brothers Caribbean Curaçao] heeft in zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris op 28 januari 2005 verklaard dat [getuige1] als gevolg van deze twee gesprekken angstig was.

51. De rechtbank wil voorts aannemen dat [verdachte8] de uitdrukking “poep van de stoep” heeft gebezigd. Deze uitdrukking is echter onvoldoende concreet om daaraan conclusies te kunnen verbinden. [getuige1] heeft verklaard dat hij op grond van deze mededeling van [verdachte8] wist of begreep dat hij en [verdachte9] de drie hebben doodgeschoten. De rechtbank is echter van oordeel dat deze verklaring van [getuige1] speculatief is. Op de zittingen heeft [getuige1] hierover ondanks voortdurend doorvragen geen opheldering kunnen verschaffen. Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van [getuige1] niet redengevend kan zijn voor het oordeel over de vraag wie de drie Nomads hebben doodgeschoten. In dit verband wordt overwogen dat [getuige1] op de zitting van 1 februari 2005 verklaarde dat [verdachte8] voor hem en voor [verdachte9] heeft gesproken of misschien voor de hele club. Ook deze mededeling is vaag zodat hieraan geen betekenis kan worden toegekend. De rechtbank laat daarom de verklaringen die [getuige1] over de dood van de drie Nomads heeft afgelegd buiten beschouwing.

52. In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ondanks de kritische kanttekeningen die de rechtbank over de verklaringen van [getuige1] heeft deze voor zover betrekking hebbende op de “gijzeling” in essentie als geloofwaardig moeten worden aangemerkt. Hierbij verdient aantekening dat [getuige1] op beide zittingen in dit opzicht betrouwbaar overkwam. Het verweer dat de verklaringen van [getuige1] ter zake niet voor het bewijs mogen worden gebezigd wordt op grond van het vorenstaande verworpen.

53. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte8] en [verdachte9] zich schuldig hebben gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [getuige1]. Weliswaar is tegen hem gezegd dat hij zich beschikbaar moest houden en het Zuiden niet mocht verlaten maar dit levert nog geen vrijheidsberoving op. Dan moet je denken aan het opsluiten van iemand in een woning of het beletten dat iemand ergens naar toe wil gaan. Dit betekent dat [verdachte8] en [verdachte9] van dit feit worden vrijgesproken. Het subsidiaire feit, de dwang, acht de rechtbank wel bewezen. De rechtbank acht het aannemelijk dat [getuige1] zich door de twee verdachten geïntimideerd voelde en daarom deed wat zij zeiden. Zo blijkt hij na het 2de gesprek bij de ijzeren brug inderdaad conform de opdracht van de twee in het Zuiden te zijn gebleven. Hij voelde zich kennelijk niet vrij terug te gaan naar Amsterdam wat hij na het 1ste bezoek wel durfde. De bewezenverklaring van het 2de feit betekent dat [verdachte8] en [verdachte9] extra straf krijgen. Hierbij moet echter worden gedacht aan maanden in plaats van jaren. Dit hangt samen met het strafmaximum dat op dwang staat, namelijk negen maanden.

Categorie III

54. Nu de overige feiten die aan [verdachte7] ten laste zijn gelegd, om te beginnen de schietpartij. De officier van justitie acht poging tot moord bewezen met name omdat [verdachte7] het vuurwapen van tevoren heeft geregeld en daarmee naar de plek is gegaan waar hij heeft geschoten. Op zichzelf is de visie van de officier van justitie heel goed verdedigbaar. Toch komt de rechtbank tot poging van doodslag. Wij sluiten namelijk niet uit dat [verdachte7] impulsief om het wapen heeft gevraagd zonder op dat moment al te weten wat hij daarmee zou doen. Voor zover we dat op een zitting kunnen waarnemen, komt hij bij ons ook als impulsief over. Gelukkig heeft [verdachte7] niemand geraakt maar dat is niet zijn verdienste. Voor hetzelfde geld had hij wel iemand geraakt, [slachtoffer in zaak verdachte7] of iemand anders en dan zou de straf natuurlijk veel hoger worden dan nu aan hem wordt opgelegd. Van poging tot moord wordt [verdachte7] dus vrijgesproken evenals van de mishandeling van [slachtoffer in zaak verdachte7] maar dat vond de officier van justitie ook al.

55. Ook de feiten 3 tot en met 6 zijn bewezen. Het gaat hier om het bezit van 3 vuurwapens met munitie (feit 3), om nepwapens (feit 4), om een busje CS-gas (feit 5) en de hennepplanten, 117 in getal (feit 6). [verdachte7] heeft zijn betrokkenheid erkend en door deskundigen is vastgesteld dat het hier om wapens gaat die door de Wet wapens en munitie zijn verboden. Dus ook de nepwapens omdat deze op echte lijken en die mag je daarom ook niet hebben. Verder staat vast dat de planten die zijn aangetroffen hennepplanten zijn waardoor de Opiumwet is overtreden.

56. De officier van justitie heeft voor deze feiten 4 jaar gevangenisstraf geëist. De raadsman van [verdachte7] vond dat [verdachte7] met de tijd die hij gezeten had voldoende was gestraft en vroeg om een straf waardoor [verdachte7] meteen vrij zou komen. De rechtbank doet noch het ene noch het andere. De rechtbank heeft kennis genomen van een beschikking van het Hof van Amsterdam van 2 februari 2005 waarin het hoger beroep van [verdachte7] inzake zijn gevangenhouding is afgewezen. In deze beschikking staat dat de periode die verstreken is tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling een overschrijding van de redelijke termijn oplevert. Daarin vindt het Hof geen aanleiding [verdachte7] in vrijheid te stellen omdat het belang dat de maatschappij heeft bij het laten voortduren van de voorlopige hechtenis zwaarder moet wegen dan het belang dat [verdachte7] heeft bij een zo spoedig mogelijke behandeling van de zaak. De rechtbank stelt vast dat het Hof slechts tussen deze beslissingen kon kiezen. De keuzemogelijkheden voor de rechtbank zijn ruimer zoals strafvermindering. De rechtbank is van oordeel dat het overschrijden van de redelijke termijn moet worden gecompenseerd met een strafvermindering van één maand. Weliswaar kan de officier van het overschrijden van de termijn geen enkel verwijt worden gemaakt, maar dat geldt voor [verdachte7] evenzeer. Vandaar deze beslissing.

Categorie IV

57. Ten slotte de gewelddadige dood van de drie Nomads. Het zal geen verbazing wekken dat met het voorlezen van de overwegingen van de rechtbank hierover geruime tijd gemoeid zal zijn.

58. Door de officier van justitie wordt in 14 gevallen drievoudige moord bewezen geacht. Wat is het standpunt van de rechtbank hierover? Is er sprake van moord en zo ja wie zijn dan als schuldigen aan te merken?

59. De rechtbank dient om tot een beoordeling te komen de volgende vragen te beantwoorden:

a. op welke wijze zijn de drie Nomads om het leven gekomen?

b. waar en wanneer is dat het geval geweest?

c. wie zijn voor de dood van de drie aansprakelijk?

d. wat is de rol geweest van degenen die niet hebben geschoten?

e. was er een vooropgezet plan m.a.w. was er sprake van voorbedachte rade?

60. Voordat hierop wordt ingegaan zal eerst op een bewijsverweer van de advocaat van [verdachte1] moeten worden ingegaan. Hij stelde namelijk dat de telefoontaps niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. We kunnen hier kort over zijn. De rechtbank zal de telefoongesprekken waaraan [verdachte1] heeft deelgenomen in diens zaak niet als bewijsmiddel bezigen omdat zij geen toegevoegde waarde hebben. De raadsman heeft derhalve geen belang bij de beoordeling van dit verweer.

61. De oorzaak van het overlijden. Op grond van de gedingstukken waaronder de sectierapporten, is komen vast te staan dat [slachtoffer1], [slachtoffer3] en [slachtoffer2] als gevolg van schotwonden zijn overleden.

62. De plaats en het tijdstip van overlijden. De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat [slachtoffer1], [slachtoffer3] en [slachtoffer2] zijn gedood tijdens de meeting van de Nomads in Oirsbeek op 11 februari 2004, ergens tussen 20.03 uur en 21.19 uur. Dit oordeel is gebaseerd op het navolgende.

63. Ten eerste: vast staat dat de drie gedode Nomads samen met vrijwel alle andere full members de meeting op de woensdagavond van 11 februari 2004 hebben bezocht. [slachtoffer1] kwam iets verlaat aan. Uit het dossier blijkt dat hij om 20.03 uur arriveerde en meteen doorliep naar de meetingroom. [slachtoffer2] en [slachtoffer3] zijn met hem meegelopen. Vanaf dat moment ontbreekt ieder levensteken van deze drie.

64. Ten tweede: de rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat [slachtoffer1], [slachtoffer3] en [slachtoffer2] de meetingroom halverwege de meeting hebben verlaten zoals door sommige verdachten is beweerd. Uit de rules van de Hells Angels, die ook gelden voor het chapter Nomads, blijkt dat de wekelijkse meeting een belangrijke gebeurtenis is die door de full members moet worden bijgewoond. Dat blijkt ook in belangrijke mate op 11 februari 2004 het geval te zijn geweest. [verdachte5] ontbrak omdat hij last had van zijn rug dan wel van nierstenen. Hij heeft zich afgemeld hetgeen er op wijst dat op zijn komst was gerekend. Verder ontbrak van de full members alleen [full member I.] die op dat moment gedetineerd was. Hoe belangrijk zo’n meeting is, blijkt ook uit de verklaring van [getuige4] ter zitting afgelegd, dat hij in de 30 jaar dat hij full member bij de Hells Angels in Amsterdam was, nimmer een meeting heeft gemist. Met het voorgaande valt niet te rijmen dat drie leden de meeting verlaten terwijl deze nog in volle gang is. Dat geldt zeker voor [slachtoffer1] die de functie van president had. Uit het dossier is onvoldoende gebleken dat de drie enige afspraak elders hadden, waardoor hun vertrek zou kunnen worden verklaard. Verder is gebleken dat de telefoons van de drie bij de club zijn achtergebleven en dat deze na aanvang van de meeting niet meer in gebruik zijn genomen. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat [slachtoffer1], [slachtoffer3] en [slachtoffer2] de meeting hebben verlaten voor een afspraak elders zonder hun telefoons mee te nemen. Verder zijn de auto’s van [slachtoffer1] en [slachtoffer2] op het clubhuisterrein achtergebleven. [slachtoffer3] was met de clubbus naar de meeting gekomen, zoals blijkt uit de tweede verklaring van [vriendin slachtoffer3]. Ook deze bus bleek op het terrein te staan. Ook staat vast dat [slachtoffer1] niet bewapend was. Uit de verklaring van de dochter van [slachtoffer1], [dochter slachtoffer1], blijkt dat hij zijn wapen altijd bij zich had behalve op het clubhuis want daar vertrouwde hij iedereen, hetgeen er eveneens op wijst dat [slachtoffer1] niet een afspraak elders had. Daar komt bij dat [slachtoffer1] de meeting kort zou houden blijkens de verklaring van zijn [vriendin slachtoffer1]. Zij waren beiden vermoeid en zouden meteen na de meeting naar huis gaan om te relaxen. [slachtoffer1] had, omdat hij toch weer snel naar huis zou gaan, zelfs zijn onderbroek niet aangetrokken. [vriendin slachtoffer1], die in de nissenhut op [slachtoffer1] wachtte, heeft verder verklaard dat hij zich altijd aan de afspraken hield en haar zeker zou informeren als er iets tussen zou zijn gekomen. Dit bericht ontbreekt. Ook [slachtoffer2] zou volgens zijn vriendin [dochter slachtoffer1] gewoon zijn haar te informeren over zijn activiteiten. Ook hier ontbreekt enig bericht over een afspraak elders. Ten slotte is er geen enkele getuige die hun vertrek heeft vastgesteld.

65. Daarbij komt nog een derde punt. Uit het dossier blijkt zonneklaar dat de meetingroom klaar was. Er lag laminaat op de vloer. In de meetingroom stonden tafels en daaromheen stoelen. Kortom: de verbouwing van het clubhuis was wat betreft de meetingroom voltooid. Dit blijkt uit een groot aantal verklaringen van getuigen die de ruimte, sommigen zelfs die avond van de 11e februari voorafgaand aan de meeting, hebben gezien. [slachtoffer1] was blijkens verklaringen heel trots op de meetingroom. Op 13 februari 2004 hebben politiemensen die het gebouw onderzochten, vastgesteld dat de meetingroom volledig was gestript. Het laminaat was verwijderd. Twee muren waren opnieuw gestuukt en de tafels en de stoelen waren (wellicht op één stoel na) verdwenen. Voor deze bijzonder opmerkelijke onttakeling is door de verdachten geen aannemelijke verklaring gegeven. Een aantal verdachten heeft zich op het zwijgrecht beroepen. Dit is hun goed recht maar daardoor is opheldering omtrent dit feit uitgebleven. De verklaring van [verdachte7] dat de meetingroom op instorten stond, blijkt op een vergissing te berusten. Dit probleem was tijdens de verbouwing van de meetingroom een aantal maanden vóór 11 februari 2004 reeds opgelost.

66. Aan de voorgaande punten, in onderlinge samenhang bezien, verbindt de rechtbank de conclusie dat buiten redelijke twijfel staat dat [slachtoffer1], [slachtoffer3] en [slachtoffer2] de meetingroom uiteindelijk niet levend hebben verlaten.

67. Dit stelt de rechtbank voor de vraag wat zich tijdens de meeting heeft afgespeeld. De officier van justitie heeft in zijn requisitoir betoogd dat met uitzondering van [verdachte7] alle verdachten voor de dood van de drie aansprakelijk zijn. Zij zouden gezamenlijk de drie moedwillig en na kalm beraad en rustig overleg en dus met voorbedachte rade van het leven hebben beroofd. De officier heeft feiten en omstandigheden aangevoerd ten bewijze van drievoudige moord.

68. Aangezien de verdachten over de gang van zaken op de avond van 11 februari 2004 hebben gezwegen, of zelfs gelogen toen zij zeiden dat de drie tijdens de meeting de meetingroom levend hadden verlaten in verband met een afspraak, zal de rechtbank aan de hand van het dossier moeten nagaan hoe de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld. De rechtbank zal allereerst bespreken of kan worden bewezen dat er sprake was van een plan, en vervolgens de vraag onder ogen zien of de verdachten verantwoordelijk kunnen worden gehouden, en zo ja op welke wijze, voor de dood van één of meer slachtoffers.

69. De rechtbank ziet in het voorgenomen vertrek van [slachtoffer1] naar Parijs geen aanknopingspunt voor het bestaan van een vooropgezet plan om hem, [slachtoffer3] en [slachtoffer2] te doden. Immers, van de drie zou alleen [slachtoffer1] naar Parijs gaan. Voorts is niet vast komen te staan dat [slachtoffer1] na zijn vertrek de meetings niet meer zou bijwonen, terwijl bovendien Parijs op relatief korte afstand van het clubhuis ligt.

70. Ook het huren van de bus, een Citroën Jumper van de [firma P.], door [verdachte12] wordt door de rechtbank niet beschouwd als een omstandigheid waaruit een vooropgezet plan kan blijken. Eerder wijst het huren van het busje op het tegendeel nu dit gewoon op naam is geschied bij een firma waar [verdachte9] een goede bekende was. Het huurcontract lag zelfs nog in het busje. Het dossier levert onvoldoende aanknopingspunten op om met voldoende mate van zekerheid te kunnen oordelen dat de drie slachtoffers met het busje naar de Geleenbeek zijn overgebracht, laat staan dat het speciaal voor dit doel is gehuurd. De rechtbank moet evenwel erkennen dat er aanwijzingen zijn dat het busje wel gebruikt is voor het vervoer van de drie doden. Zo valt het op dat er drie verschillende redenen zijn genoemd voor het huren van het busje. Aan de andere kant mag niet worden uitgesloten dat, nu [verdachte12] of via hem anderen over het busje konden beschikken, daarmee verschillende activiteiten zijn uitgevoerd. Met het busje blijkt 227 km te zijn afgelegd. De bandensporen, die bij de plaats waar de drie zijn achtergelaten zijn aangetroffen, passen in het bandenprofiel van het busje. Maar zoals de verdediging terecht heeft opgemerkt, kan hiermee nog niet met zekerheid worden vastgesteld dat deze bandensporen slechts van het door [verdachte12] gehuurde busje afkomstig zijn geweest. Aldus is ook in het NFI-rapport overwogen. Het bewijs ontbreekt derhalve.

71. Dan is er nog het schotenpatroon. De rechtbank is van oordeel dat gezien het aantal schoten en de plaatsen op het lichaam waar de slachtoffers zijn geraakt buiten twijfel is dat de schutter of schutters de dood van de drie slachtoffers hebben gewild. Maar bewijs van een vooropgezet plan de drie te doden kan daaraan niet worden ontleend.

72. Het dossier bevat voorts geen aanwijzingen dat er voor of tijdens de meeting een clubbesluit tot het om het leven brengen van de slachtoffers is genomen. In dit verband is het opvallend dat het afmelden door [verdachte5] niet op enig verzet stuitte. Verwacht mag worden dat als er sprake is geweest van een moordplan van de hele club iedereen voor zover mogelijk daarbij aanwezig zou moeten zijn. Verder blijkt uit geen enkele telefoontap van enige voorbereiding van de dood van [slachtoffer1], [slachtoffer3] en [slachtoffer2]. Ook de omstandigheid dat twee bezoekers vlak voor de meeting zijn rondgeleid en dat er rekening mee moet worden gehouden dat de dames, onder wie nota bene de vriendin van [slachtoffer1], van de wc in het clublokaal gebruik maken, duidt er niet op dat een en ander van tevoren was gepland.

73. De vraag is van welke gang van zaken de rechtbank dan wel is overtuigd. Voordat de rechtbank een antwoord geeft op die vraag zal zij eerst vaststellen wie er bij de meeting aanwezig waren.

74. Uit het dossier blijkt dat aanwezig waren op de meeting alle verdachten, die op 11 februari 2004 full member waren van de Nomads met uitzondering van [verdachte5]. Niet aanwezig op de meeting waren [verdachte12] (supporter) en [verdachte7] (prospect). Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat ook [verdachte9] aan deze meeting heeft deelgenomen, hoewel hij op dat moment geen full member meer was. Uit het dossier blijkt dat zijn terugkeer aanstaande was en uit telefoontaps blijkt dat hij er op 11 februari 2004 bij zou zijn. Voorts is hij door personen die op de 11de in de nissenhut waren, waargenomen. Ondanks het feit dat niemand van deze personen heeft verklaard gezien te hebben dat [verdachte9] de full members daadwerkelijk naar de meetingroom volgde, staat dit toch voor de rechtbank voldoende vast.

75. Om vast te stellen wat zich heeft afgespeeld in de meetingroom acht de rechtbank het motief om de drie om het leven te brengen niet zonder belang. In het bijzonder is de vraag onder ogen gezien of er redenen waren om zowel [slachtoffer1], als [slachtoffer3] als [slachtoffer2] te doden.

76. In het proces-verbaal van verhoor van [verdachte8] op 12 maart 2004 is vermeld dat [verdachte8] denkt dat onder andere [slachtoffer1] Colombianen heeft besodemieterd en dat het uit de hand is gelopen. [slachtoffer1] was constant bezig met zaken om er maar geld aan te verdienen, niet alleen met de Colombianen. Daarin was hij niet altijd even eerlijk, waardoor hij de naam van de Nomads beschadigde en hij ervoor zorgde dat er mensen gevaar gingen lopen. De Nomads kwamen door [slachtoffer1] negatief bekend te staan, iets waar [slachtoffer1] door meer mensen op werd aangesproken, maar hij was iemand waar je dat nauwelijks tegen kon zeggen, hij ging over lijken. Door [slachtoffer1] zouden er met verschillende groeperingen problemen zijn, met Turken en met een Belgische groepering. Aldus [verdachte8].

77. In het proces-verbaal van verhoor van [verdachte11] van 1 juli 2004 is neergelegd dat [slachtoffer1] zich bezig hield met rippen en moorden. [verdachte11] zou [slachtoffer1] hierop hebben aangesproken en vervolgens zelf door [slachtoffer1] zijn bedreigd met de dood. [slachtoffer3] trok toen een mes en hield het tegen de keel van [verdachte11], waarop [slachtoffer1] zei niet te willen dat [verdachte11] gedood werd. [slachtoffer1] zou 11 tot 15 doden op zijn geweten hebben. Hij was de meest gehate man binnen de chapter Nomads. [slachtoffer1] heeft [verdachte11] de club uit willen zetten, hetgeen niet is gelukt. Hij heeft [verdachte9] wel uit de club gezet. Binnen de club had [slachtoffer1] slechts twee vrienden, [slachtoffer3] en [slachtoffer2]. [slachtoffer2] was alleen een meeloper. [slachtoffer1] deed zaken die in strijd waren met de regels van de Hells Angels. De 300 kilo cocaïne die geript zijn, zijn slechts peanuts. Er is veel meer gaande. Iedereen binnen de club was bang voor [slachtoffer1], want hij ging letterlijk over lijken. Aldus [verdachte11].

78. Uit deze verklaringen is best een motief voor een moordplan te destilleren waar meer leden van de Nomads bij betrokken kunnen zijn, maar dan in de eerste plaats gericht tegen [slachtoffer1]. Het verklaart nog niet waarom [slachtoffer3] en nog veel minder waarom [slachtoffer2] om het leven moesten worden gebracht. Bovendien, wat te denken van de omstandigheid dat het membership van [verdachte9] op de agenda van de meeting stond? Uit de telefoontaps die hierop betrekking hebben, blijkt dat de terugkeer van de gedegradeerde [verdachte9] als member zeker nog niet vast stond. Misschien had hij, al dan niet samen met zijn broer [verdachte3], wel reden zich tegen [slachtoffer1] te keren. Maar ook daar weer: waarom moesten dan ook [slachtoffer3] en [slachtoffer2] dood? Kortom, er is voldoende materiaal in het dossier om te speculeren over de vraag naar het motief. Er is van alles denkbaar, maar daar gaat het niet om. Het gaat om wat er bewezen is.

79. Wat voor de rechtbank op grond van het hiervoor gaande buiten redelijke twijfel is, is dat met name [slachtoffer1] niet bij alle Nomads goed stond aangeschreven. Integendeel, om verschillende redenen was hij een bron van op zijn zachtst gezegd hevige ergernis. Ook is voor de rechtbank buiten twijfel dat [slachtoffer1] er de man niet naar was om een confrontatie uit de weg te gaan. Daar komt nog bij dat hij de functie van president had, welke positie eveneens aannemelijk maakt dat gramschap eerder op hem dan op de twee anderen zal zijn gericht. Al deze omstandigheden leiden tot de navolgende conclusie.

80. De rechtbank acht het aannemelijk dat tijdens de meeting een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen een aantal Nomads en [slachtoffer1] en dat [slachtoffer3] en [slachtoffer2] zich toen hiermee hebben bemoeid om [slachtoffer1] bij te staan. Dat zij zich om [slachtoffer1] bekommerden is niet vreemd. [slachtoffer3] was een soort bodyguard van [slachtoffer1] en [slachtoffer2] was zijn aanstaande schoonzoon. De aanwezigheid op de meeting van oud-president [verdachte9], voor het eerst na lange tijd, kan ruzie en de escalatie hebben gevoed, overigens zonder dat de rechtbank daarmee wil zeggen dat uit het dossier is komen vast te staan dat hij als de aanstichter van alle kwaad moet worden gezien. De rechtbank acht het buiten twijfel dat de situatie volstrekt uit de hand is gelopen en dat op enig moment [slachtoffer3] en [slachtoffer2] zijn doodgeschoten en dat [slachtoffer1] via het raam is ontsnapt.

81. Dit laatste leidt de rechtbank af uit de verklaring van de [getuige5] die op 11 februari 2004 tegen 20.55 uur een man uit een raam van de eerste verdieping van het clubhuis zag vallen. De rechtbank acht geen termen aanwezig om deze verklaring onbetrouwbaar te achten ook al moet worden vastgesteld dat er tussen zijn eerste en tweede verklaring discrepanties bestaan. Deze verschillen kunnen worden verklaard door het verstrijken van de tijd; in de kern houden beide verklaringen hetzelfde in. De exacte plaats van de auto voor het clubhuis is niet komen vast te staan. De rechtbank houdt het echter zeer wel voor mogelijk dat deze zodanig stond geparkeerd dat dit met een val uit het raam is te verenigen. Verder wordt in dit verband nog overwogen dat de getuige bij het tonen van foto’s [slachtoffer1], [slachtoffer3] en [verdachte15] aanwees, zodat ook hier weer [slachtoffer1], zij het niet als enige, in beeld komt. Daarbij komt dan nog dat de kleding die [slachtoffer1] op 11 februari 2004 droeg wel, en die van [slachtoffer3] niet, aansluit bij de verklaring van de getuige. Hij verklaart immers over een man in witte bovenkleding, getuige denkt zelfs een wit T-shirt, en een donkere broek. [slachtoffer1] was degene die een wit T-shirt en een donkere broek droeg. [slachtoffer3] had een zwart sweatshirt aan. Het dossier bevat voorts geen enkel aanknopingspunt voor het eventueel uit het raam vallen van [verdachte15].

82. De rechtbank is ervan overtuigd dat de dood van [slachtoffer3] en [slachtoffer2] niet van tevoren was gepland. Van moord in deze twee gevallen kan dus niet worden gesproken. Gelet op het grote aantal kogels alsmede de plaatsen waar de twee zijn geraakt, staat buiten kijf dat de schutters het doden van de twee hebben gewild. De doodslag door de schutters kan dus worden bewezen.

83. Echter, hier doet zich een groot probleem voor. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gereconstrueerd wie de schutters waren. Vast staat dat door één of meer van de aanwezigen moet zijn geschoten, maar over wie dat waren, bestaat geen zekerheid. Dit oordeel heeft verstrekkende gevolgen. Nu niet kan worden vastgesteld wie als dader of daders van de doodslag op [slachtoffer3] en [slachtoffer2] zijn aan te wijzen, kan veroordeling alleen maar volgen als allen in de meetingroom als mededaders kunnen worden aangemerkt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk. Nu de confrontatie met [slachtoffer1] volledig uit de hand is gelopen, kunnen de personen die niet aan de schietpartij hebben deelgenomen, niet worden verweten dat zij zich niet van het gebeuren hebben gedistantieerd. Er zijn geen aanwijzingen dat daarvoor tijd en gelegenheid bestonden.

84. Ook overigens is niet gebleken dat - afgezien van de schutter of schutters - andere aanwezigen bij het doden van de twee betrokken zijn geweest. De omstandigheid dat de aanwezigen op de meeting, niet zijnde de schutter(s), zich hebben neergelegd bij de dood van [slachtoffer3] en [slachtoffer2], en mogelijk - al dan niet op verzoek of bevel van de schutter(s) - nadien hebben meegeholpen bij het wegbrengen van de lichamen en het wegmaken van sporen, levert niet zonder meer medeplegen van doodslag op. Daarvoor is meer nodig, zoals bijvoorbeeld wetenschap van een dreigende ernstige escalatie, of deelname aan schermutselingen die mogelijk aan de schietpartij zijn voorafgegaan. De aanwijzingen daarvoor ontbreken echter.

85. Dit leidt tot de conclusie dat alle verdachten zowel van de moord als van de doodslag op [slachtoffer3] en [slachtoffer2] moeten worden vrijgesproken. De rechtbank acht deze vrijspraak uiterst onbevredigend omdat deze vrijspraak ook de dader of daders betreft. Duidelijk geworden is immers in welke kring zij moeten worden gezocht, namelijk één of meer van de verdachten. De rechtbank kan zich voorstellen dat deze vrijspraak voor de nabestaanden verbijsterend overkomt.

86. Maar de rechtbank kan niet anders. De enige methode om de schutters achter de tralies te krijgen, is alle verdachten die in de meetingroom waren te veroordelen. Dan is zeker dat de dader of daders gepakt zijn. Maar dan staat ook vast dat mogelijk personen die part noch deel aan het gebeuren hebben worden veroordeeld en dat zou niet terecht zijn. Aanvaard moet worden dat schuldigen de dans ontspringen om daarmee te bereiken dat onschuldigen niet ten onrechte in het gevang komen. Dit is een hoge prijs maar die moet worden betaald.

87. Ten aanzien van de dood van [slachtoffer1] komt de rechtbank echter tot een andersluidend oordeel. Het staat voor de rechtbank vast dat [slachtoffer1] nog leefde na zijn val uit het raam. Gezien de plaatsen waar hij door kogels is geraakt is het uitgesloten dat hij daarna nog in leven was. Dit blijkt ook uit de verklaring van [getuige5] dat de man die op de grond terecht was gekomen zijn hoofd optilde. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat [slachtoffer1] op straat voor de deur van het clubhuis door schoten aan zijn einde is gekomen, gelet op de enorme risico’s van ontdekking. Voor de rechtbank staat derhalve vast dat [slachtoffer1] levend terug naar binnen is gebracht, en wel naar de meetingroom omdat daar uitsluitend de members toegang hadden.

88. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de op de meeting aanwezige Nomads na de val uit het raam in de hektiek van dat moment tijd voor bezinning hadden. Er is onvoldoende bewijs dat de aanwezigen na de val van [slachtoffer1] gezamenlijk uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend het plan hebben opgevat hem alsnog te doden.

89. Mogelijk is dit anders voor de schutter(s) en degenen die [slachtoffer1] na zijn val naar boven begeleid hebben, maar nu niet vast staat wie dit zijn, geldt hiervoor hetgeen in relatie tot [slachtoffer3] en [slachtoffer2] al is overwogen. Het kan niet zo zijn dat onschuldigen worden veroordeeld om zeker te stellen dat de daders worden gepakt. Geen medeplegen van moord dus.

90. Ten aanzien van de vraag of er sprake is van het medeplegen van doodslag op [slachtoffer1] oordeelt de rechtbank als volgt. Ook hier is de rechtbank niet in staat aan te wijzen wie [slachtoffer1] heeft of hebben doodgeschoten. Maar anders dan bij [slachtoffer3] en [slachtoffer2] is er naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van mededaderschap zodat allen die in de meetingroom aanwezig waren als schuldig aan de doodslag kunnen worden aangemerkt. Hierover wordt het volgende overwogen.

91. Tussen de val van [slachtoffer1] uit het raam en zijn dood is enige tijd verstreken, namelijk de tijd die gemoeid was met het naar hem toe gaan en het terughalen vanaf de straat naar de meetingroom. In deze periode hadden de aanwezigen die niet hebben geschoten, kunnen verhinderen dat clubleden achter [slachtoffer1] aan zouden gaan. Daarmee had kunnen worden voorkomen dat hij werd teruggehaald naar de meetingroom waar hij uiteindelijk zijn einde vond. Aldus hebben zij een bijdrage geleverd aan het verwezenlijken van de doodslag op [slachtoffer1].

92. Dit gaat overigens ook op in het onwaarschijnlijke geval [slachtoffer1] niet is teruggehaald maar op straat is gedood. Dan valt immers evenzeer de aanwezigen te verwijten dat zij de clubleden die hem achterna zijn gegaan niet hebben tegengehouden.

93. Voorts konden alle aanwezigen die niet op [slachtoffer3] en [slachtoffer2] hebben geschoten vanaf het moment dat [slachtoffer1] uit het raam is gesprongen dan wel gevallen zich onttrekken aan het gebeuren door weg te gaan. Er is niets dat er op wijst dat dit gebeurd is. Niemand heeft onmiddellijk of kort nadien het clubhuis verlaten.

94. De meeting was circa 21.15 uur afgelopen. Dit blijkt uit verklaringen van bezoekers van de nissenhut en het gebruik van de telefoon door een van de members om 21.19 uur. In het dossier bevinden zich diverse verklaringen waaruit blijkt dat behalve de drie slachtoffers alle aanwezige members na de meeting in de nissenhut zijn teruggekeerd.

95. Opmerking verdient dat [verdachte9] blijkens printgegevens zich om 21.24 uur in de directe omgeving van de zendmast aan de Rijksweg Zuid te Geleen bevond. Dit is op nog geen 10 minuten rijden van het clubhuis. Verder bevinden zich in het dossier verklaringen waaruit blijkt dat [verdachte9] op de avond van 11 februari 2004 na de meeting in de nissenhut is geweest. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat ook [verdachte9] als medepleger moet worden aangemerkt.

96. De rechtbank leidt ook uit de navolgende omstandigheden af dat geen van de aanwezigen zich heeft gedistantieerd. Nadat de drie de dood hebben gevonden tijdens de meeting hebben alle aanwezigen voor anderen verborgen gehouden wat er zich die avond had afgespeeld. In de nissenhut werd die avond gedaan of er niets aan de hand was, de lijken zijn naar de Geleenbeek gebracht, tegen de vrouwen en de vriendin van de slachtoffers is in strijd met de waarheid verteld dat de drie tijdens de meeting waren vertrokken, de meetingroom is gestript en bewijsmateriaal is vernietigd. Deze feiten zijn alle handelingen waaruit de rechtbank afleidt dat niet alleen direct na de val van [slachtoffer1] de in de meetingroom aanwezigen zich niet hebben gedistantieerd, maar ook dat zij dat achteraf niet hebben gedaan.

97. De rechtbank concludeert uit het niet verhinderen van het terughalen van [slachtoffer1], alsook uit het zich niet distantiëren zoals hiervoor beschreven dat alle aanwezige members inclusief [verdachte9] verantwoordelijk te houden zijn voor het bewerkstelligen van de dood van [slachtoffer1].

98. Voor alle duidelijkheid: dat de rechtbank alle aanwezigen verantwoordelijk acht voor de dood van [slachtoffer1] maar geen gezamenlijke verantwoordelijkheid aanneemt voor de dood van [slachtoffer3] en [slachtoffer2] komt omdat er tijdens de schietpartij waarbij [slachtoffer3] en [slachtoffer2] zijn omgekomen geen tijd en gelegenheid was om weg te gaan of iets te ondernemen wat hun dood had kunnen voorkomen, terwijl daarvan in het geval van [slachtoffer1] wel sprake was.

99. De rechtbank acht alle 12 op de meeting aanwezige verdachten voor de dood van [slachtoffer1] aansprakelijk. De rechtbank sluit niet uit dat de stemming na de dood van de drie niet bij iedere Nomad hetzelfde was. Zeker [verdachte15] en [verdachte10] en mogelijk ook anderen blijken er zeer veel moeite mee te hebben gehad. Maar dit neemt niet weg dat zij voor de club hebben gekozen. Op zichzelf neemt de rechtbank hen deze keuze niet kwalijk maar zij moeten hun verantwoordelijkheid dan wel aanvaarden.

100. Door een aantal raadslieden is nog betoogd dat de rechtbank rekening zou moeten houden met de omstandigheid dat verdachten mogelijk uit angst voor represailles niet vrij zouden zijn te verklaren over de gebeurtenissen op 11 februari 2004, dit omdat zij Hells Angels zijn en die omstandigheid een zwijgplicht mee zou brengen. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

101. Ten eerste is het gebruik van het zwijgrecht door verdachten niet betrokken bij het bewijs. Verder heeft te gelden - als al aangenomen moet worden dat een dergelijke zwijgplicht voor Hells Angels bestaat, en als al vast zou staan dat op het doorbreken van deze plicht een bestraffing staat door de eigen brothers - dat verdachten geen van allen het Hells Angels-lidmaatschap is overkomen. Uit de rules van de Hells Angels blijkt dat daaraan een lange procedure vooraf gaat die zeker niet door iedereen wordt doorstaan. Als bij het worden van een member inderdaad hoort dat voortaan gezwegen moet worden, dan is daar welbewust en vrijwillig voor gekozen. Ook dat is dan een eigen verantwoordelijkheid die door de betrokkene aanvaard dient te worden.

102. De conclusie van de rechtbank is dat de deelnemers aan de meeting allen schuldig zijn aan het medeplegen van de doodslag op [slachtoffer1]. Zij zullen daarvoor worden gestraft. Bij de strafmaat zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheid dat niet is vast te stellen door wie [slachtoffer1] is doodgeschoten. Er is immers verschil of iemand zelf de trekker overhaalt dan wel of iemand bij het gebeuren aanwezig is geweest. Daarom zal de straf relatief mild uitvallen. Dat de daadwerkelijke schutter of schutters daarvan profiteren is duidelijk maar ook dat is onvermijdelijk.

De rol van de niet bij de meeting aanwezige verdachten

103. [verdachte5]. In het proces-verbaal van verdenking [verdachte5] staat dat hij vermoedelijk op 11 februari 2004 de functie sergeant at arms bekleedde en uit dien hoofde verantwoordelijk is te achten voor het leveren van de wapens waarmee de drie zijn gedood. Voor het geval hij die functie niet meer bekleedde, heeft hij “zich in ieder geval wel bezig gehouden met de taken van een sergeant at arms”. De rechtbank leidt uit het dossier af dat [verdachte5] de functie sergeant at arms ruim vóór 11 februari 2004 aan een andere Nomad had overgedragen. De rechtbank erkent dat er op deze dag enkele opmerkelijke telefoongesprekken en ontmoetingen zijn geweest waarbij [verdachte5] was betrokken. Maar deze feiten zijn volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat hij de wapens heeft geleverd. Als [verdachte5] dat al gedaan zou hebben, dan staat vervolgens geenszins vast dat hij op het moment van het overdragen van de wapens wist wat daarmee zou gebeuren of daar rekening mee had moeten houden. Ook anderszins kan de betrokkenheid van [verdachte5] bij de dood van de drie, nu hij evenmin aanwezig was op de meeting, niet worden bewezen, zodat hij moet worden vrijgesproken.

104. [verdachte12]. Om zijn betrokkenheid te kunnen bewijzen, zal moeten komen vast te staan dat het busje inderdaad voor het vervoeren van de stoffelijke overschotten van de drie Nomads is gebruikt en verder dat [verdachte12] op het moment van het huren van het busje wist wat daarmee zou gaan gebeuren. Het een noch het ander is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Daarbij komt dat, zelfs indien zou komen vast te staan dat het busje is gebruikt om de drie lichamen te vervoeren, daarmee nog niet vast staat dat [verdachte12] op het moment van het huren van het busje wist wat daarmee zou gebeuren. Zou het niet eerder zo kunnen zijn geweest dat hij als stroman is ingezet? Aantekening verdient in dit verband dat [verdachte12] geen lid van de Nomads was, hooguit een supporter. Het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat aan een relatieve buitenstaander informatie over een moordplan zou worden verstrekt. De conclusie is duidelijk. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte12] enige betrokkenheid - dus ook niet als medeplichtige - bij het doden van de drie heeft gehad, zodat hij van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

105. [verdachte7]. Wat [verdachte7] betreft is de rechtbank het met de officier van justitie eens dat zijn betrokkenheid niet is komen vast te staan. Hij had de status van prospect en was op 11 februari 2004 dus geen full member. Hij was dan ook niet bevoegd een meeting van de Nomads bij te wonen anders dan voor het geven van inlichtingen. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte7] op enig moment de meeting heeft bezocht. Ook blijkt niet van enige rol in voorbereiding, uitvoering of afhandeling bij het doden van de drie. De conclusie is dan ook dat [verdachte7] op dit punt dient te worden vrijgesproken.

De beslissingen

106. We hebben nu alles gehad en dat betekent dat we nu de beslissingen kunnen meedelen die we ten aanzien van iedere verdachte afzonderlijk hebben genomen. We beginnen met de beslissingen over de beslaglijst want ook daarover moet de rechtbank een oordeel geven. Daarna komen we te spreken over de schadeclaims. We eindigen met de strafoplegging.

De beslaglijst

107. Het mes en de boksbeugel die onder [verdachte3] in beslag zijn genomen worden onttrokken aan het verkeer. Aan hem worden teruggegeven 2 houten tafelbladen, een houten onderstel van tafel met 4 vierkante poten, een lederen stoel op wielen en 2 laminaatplanken. Aan [verdachte6] wordt teruggegeven de mnb-harley. Volgens de rechtbank staat niet buiten redelijke twijfel vast dat er onregelmatigheden met betrekking tot deze motor zijn verricht. De andere in beslag genomen harley wordt niet aan [verdachte6] teruggegeven maar wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Het geld dat onder [verdachte7] in beslag is genomen (€ 60.765,-) wordt volledig aan hem teruggegeven. Er staat in de ogen van de rechtbank niet vast dat dit geld is verkregen door een van de door hem gepleegde misdrijven.

De schadeclaims

108. De verdachten zijn vrijgesproken van de moord of doodslag op [slachtoffer2] en [slachtoffer3]. Dit betekent - met alle respect aan de nabestaanden - dat de rechtbank de schadeclaims van [vriendin slachtoffer2] en van [vriendin slachtoffer3] niet in behandeling kan nemen. Juridisch gezegd: deze claims zijn niet-ontvankelijk.

109. Dit ligt anders ten aanzien van [benadeelde partij] omdat de rechtbank de doodslag op [slachtoffer1] wel bewezen acht. Er is komen vast te staan dat [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden. Hier is de rechtbank echter gebonden aan de beperkingen die de wet aan het toekennen van schadevergoeding in een strafproces aanlegt, te weten dat de claim eenvoudig van aard moet zijn. Dit is slechts met een deel van de vordering het geval. De rechtbank waardeert dit deel op een bedrag van € 4.844,82 (vierduizend achthonderdvierenveertig euro en tweeëntachtig eurocent), bestaande uit een bedrag van € 4.036,82 (vierduizend zesendertig euro en tweeëntachtig eurocent) zijnde de begrafeniskosten en een bedrag van € 808,-- (achthonderdenacht euro) zijnde de kosten voor de bloemen voor de begrafenis. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is voldaan. Het overige deel van de vordering is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat [benadeelde partij] in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. Zij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

110. In het belang van [benadeelde partij] wordt, als extra waarborg, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachten opgelegd. Dit betekent dat het openbaar ministerie met het innen van het bedrag wordt belast; zij hoeft er dus niet zelf achterheen.

De veroordelingen

111. Dan volgen nu de beslissingen per verdachte in alfabetische volgorde.

112. [verdachte1]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1] alsmede aan het bezit van 2 boksbeugels en een busje peperspray. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

113. [verdachte13] Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1] alsmede aan het bezit van een traangasbusje, een ploertendoder en een katapult. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

114. [verdachte2]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1]. Hij is verder schuldig aan het bezit van 4 kilo amfetamine, 250 gram XTC en 300 gram hasjiesj. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest.

115. [verdachte6]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1]. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

116. [verdachte8]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1] alsmede aan het uitoefenen van dwang op [getuige1]. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest.

117. [verdachte11]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1]. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

118. [verdachte5]. Hij wordt vrijgesproken van al hetgeen aan hem is ten laste gelegd.

119. [verdachte14]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1]. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

120. [verdachte12]. Hij wordt vrijgesproken van al hetgeen aan hem is ten laste gelegd, dus ook van medeplichtigheid. Zijn voorlopige hechtenis wordt opgeheven. Hij moet onmiddellijk in vrijheid worden gesteld.

121. [verdachte9]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1] alsmede aan het uitoefenen van dwang op [getuige1]. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest.

122. [verdachte3]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1]. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

123. [verdachte15]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1]. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

124. [verdachte4]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1] alsmede aan het bezit van een pistool, munitie en een patroonhouder. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en twee maanden met aftrek van voorarrest.

125. [verdachte7]. Hij wordt vrijgesproken van de moord/doodslag op de drie Nomads. Hij wordt veroordeeld wegens poging tot doodslag op [slachtoffer in zaak verdachte7] en/of op één of meer andere personen alsmede wegens het bezit van drie vuurwapens, vier namaakwapens en een busje CS-gas en het bezit van 117 hennepplanten. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest.

126. [verdachte10]. Hij is schuldig aan doodslag op [slachtoffer1]. Hij wordt vrijgesproken van de rest. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en tien maanden met aftrek van voorarrest.

127. Tot zover de vonnissen. De verdachten die zijn veroordeeld en de officier van justitie in alle gevallen hebben twee weken de tijd tegen de vonnissen hoger beroep in te stellen. De zitting is gesloten.