Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AT0211

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2005
Datum publicatie
14-03-2005
Zaaknummer
13/047053-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tezamen met zijn mededaders een dreigbrief opgesteld met daarin een top tien van “neer te leggen” docenten en medewerkers van het Marcanticollege. Vervolgens hebben zij een kogel bij de brief gestopt en deze onder de deur van een van die docenten geschoven. Verdachte en zijn mededaders hebben dit volgens eigen zeggen als grap gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/047053-04

Datum uitspraak: 14 maart 2005

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, vierde meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2005.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. Ter terechtzitting is feit 3 van de telastelegging afgesplitst teneinde afzonderlijk berecht te worden. De gewijzigde en aldus gesplitste telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op of omstreeks 15 januari 2004 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

[benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] en [benadeelde partij3] en [benadeelde partij4] en [benadeelde partij5] en [benadeelde partij6] en [benadeelde partij7] en [benadeelde partij8] en [benadeelde partij9] en [benadeelde partij10], docenten en/of medewerkers van de Esprit scholengemeenschap "Marcanti College", heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend een brief opgesteld met daarin een top tien dodenlijst met 10 namen van die docenten en/of medewerker(s) van het Marcanticollege met daarin onder andere de tekst: “Voor elke gezakte scholier een meester neer", en een afbeelding van een pistool met daaronder een patroonhouder en die brief en een pistoolpatroon in een enveloppe gedaan en die enveloppe met inhoud en met daarop de tekst: "Voor de [heer B.]", onder de deur van het kantoor van genoemde [benadeelde partij1] geschoven;

ten aanzien van feit 2:

op of omstreeks 15 januari 2004 te Amsterdam voorhanden heeft gehad drie scherpe knalpatronen, kaliber 9 mm, zijnde munitie in de zin van de Wet wapens en munitie van Categorie III.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten onder meer zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 42 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest en met de bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun voor de duur van een jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 120 uur.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft tezamen met zijn mededaders een dreigbrief opgesteld met daarin een top tien van “neer te leggen” docenten en medewerkers van het Marcanticollege. Vervolgens hebben zij een kogel bij de brief gestopt en deze onder de deur van een van die docenten geschoven. De bedreiging heeft de docenten en medewerkers zwaar geshockeerd, angstig gemaakt en heeft het leven van een aantal van hen dusdanig beïnvloed dat zij niet meer konden werken op het Marcanticollege. Daarnaast heeft hun vertrouwensrelatie met hun eigen leerlingen schade opgelopen. Dit alles had een extra impact omdat twee dagen daarvoor een docent in Den Haag op school was doodgeschoten.

Ter terechtzitting heeft een woordvoerster van alle slachtoffers namens hen een brief voorgelezen die door hen allen was ondertekend om duidelijk te maken hoe zij de dreigbrief hadden ervaren en wat voor invloed de brief op hun leven had en in sommige gevallen nog steeds heeft. Tevens is verklaard dat het plaatje van een vuurwapen en een patroonhouder dat de daders onder de brief hadden geplaatst de brief nog schokkender heeft gemaakt.

Verdachte en zijn mededaders hebben ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoel voor veiligheid op school en in hun privé-leven ernstig aangetast. De rechtbank acht een dergelijke bedreiging zeer ernstig, mede omdat deze voor veel maatschappelijke onrust zorgt. De school behoort een veilige omgeving te zijn; aantasting van juist de veilige schoolomgeving door een bedreiging als deze werkt door in vele geledingen van de maatschappij.

Daarnaast heeft verdachte een aantal patronen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van munitie is een ernstig feit en kan een onaan-vaardbaar risico voor de veilig-heid van personen met zich brengen.

Voornoemde omstandigheden rechtvaardigen de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op:

- een rapport d.d. 17 januari 2004 opgemaakt door P.C. van Weert van de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam;

- twee rapporten van respectievelijk 27 januari 2004 en 22 februari 2005 opgemaakt door J. Prijor, jeugdreclasseerder, van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam.

Mw. Prijor heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdachte zich redelijk begeleidbaar heeft opgesteld, dat alle eerder gestelde werkdoelen zijn behaald en dat verdere begeleiding in eerste instantie niet nodig wordt geacht. Zij is echter, gelet op het feit dat de verdachte recent weer meermalen in aanraking met de politie is geweest, bereid de verdachte nog enige tijd te begeleiden.

In de persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie, die de verdachte reeds als voorlopige hechtenis heeft uitgezeten, en de werkstraf die verdachte reeds naar behoren heeft verricht, een flink voorwaardelijk deel op te leggen als stok achter de deur en om begeleiding van de jeugdreclassering mogelijk te maken.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de [benadeelde partij6], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze bij wijze van voorschot voor immateriële schade op een bedrag van € 600,= (zeshonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat die zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [benadeelde partij6] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een enveloppe die onder verdachte in beslag is genomen, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 1 bewezen geachte is voorbereid.

Onttrekking aan het verkeer

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: munitie, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dit voorwerp is bestemd tot het begaan van het onder 1 bewezen geachte en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een dreigbrief, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezen geachte is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 285(oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26 eerste van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van tweeënveertig (42) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot dertig (30) dagen, van deze jeugddetentie niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende het eerste jaar van de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat veroordeelde zich (onverwijld) stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam en zich gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt.

Geeft aan genoemde instelling opdracht veroordeelde bij de naleving van die aanwijzingen hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie, welke reeds naar behoren is verricht.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij6], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 600,= (zeshonderd euro). Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij6], te betalen de som van € 200,= (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van acht (8) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan Marcanticollege van:

een documentenmap met proefwerken van leerlingen 4e Marcanticollege.

Verklaart verbeurd:

een enveloppe “voor de [heer B.]”.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

munitie en een dreigbrief.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H. de Vries, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. A.M.I. van der Does en W.A.C. Crijns-van der Graaf, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gordon, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2005.