Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AS9599

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
21-03-2005
Zaaknummer
AWB 05/866 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in het weekblad Echo van 5 januari 2005 gepubliceerd dat vanaf maandag 17 januari 2005 de Dienst Waterbeheer en Rioleringen (DWR) de rioolleiding in de Adriaan Loosjesstraat en de Stentostraat, tussen de Pandorinastraat en de Eudorinastraat vervangt. Daarbij is bericht dat tijdens het werk er geen doorgaand verkeer over de Adriaan Loosjesstraat en de Stentorstraat mogelijk is en dat er een omleidingsroute geldt via het Zuideinde en de nieuwe busbaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg. nr. AWB 05/866 BESLU

van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

tegen:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 21 februari 2005 het verzoek ontvangen een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 21 februari 2005 gericht tegen de brief van de portefeuillehouder voor Leefbaarheid, Buurtgericht werken, Verkeer & Vervoer, Volkshuisvesting (beheer) en Recreatie van verweerders stadsdeel van 18 februari 2005.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 24 februari 2005.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Verweerder heeft in het weekblad Echo van 5 januari 2005 gepubliceerd dat vanaf maandag 17 januari 2005 de Dienst Waterbeheer en Rioleringen (DWR) de rioolleiding in de Adriaan Loosjesstraat en de Stentostraat, tussen de Pandorinastraat en de Eudorinastraat vervangt. Daarbij is bericht dat tijdens het werk er geen doorgaand verkeer over de Adriaan Loosjesstraat en de Stentorstraat mogelijk is en dat er een omleidingsroute geldt via het Zuideinde en de nieuwe busbaan. Volgens planning en afhankelijk van de weersomstandigheden duurt het werk tot eind april 2005.

Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechter) gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers bezwaren richtten zich tegen de beslissing van verweerder om regulier verkeer gebruik te laten maken van de busbaan.

Nadat verweerder zijn beslissing om regulier verkeer gebruik te laten van de busbaan heeft ingetrokken heeft verzoeker bij brief van 13 januari 2005 het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Bij brief van 18 februari 2005 heeft de portefeuillehouder voor Leefbaarheid, Buurtgericht werken, Verkeer & Vervoer, Volkshuisvesting (beheer) en Recreatie van verweerders stadsdeel (hierna: de portefeuillehouder) aan omwonenden van de busbaan Twiske Kadoelen medegedeeld dat in verband met de verkeersveiligheid en na overleg met de politie de busbaan wordt opengesteld voor verkeer. Voorts is bericht dat, omdat verkeersveiligheid voor alle bewoners van Twiske Kadoelen voorop staat, met de politie de volgende maatregelen worden getroffen:

- De verkeerslichten op de busbaan worden aangepast. Om de kruisingen te beveiligen komen er stoplichten die gelden voor zowel bussen als automobilisten;

- De maximumsnelheid op de busbaan wordt aangepast op maximaal 30 km/uur;

- De bussluizen worden volgestort zodat behalve de bussen, ook het overige verkeer gebruik kan maken van de busbaan;

- De politie gaat controleren op verkeersovertredingen.

Tevens is medegedeeld dat de busbaan vanaf woensdagmiddag 23 februari 2005 opengaat en dat naar verwachting de werkzaamheden aan de A. Loosjesstraat eind maart 2005 gereed zijn.

Tegen deze brief heeft verzoeker bezwaar gemaakt en heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft (onder meer) het volgende aangevoerd. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid aangezien verweerder in eerste instantie heeft besloten de busbaan open te stellen voor regulier verkeer, vervolgens heeft beslist om deze beslissing terug te draaien en thans weer heeft beslist om de busbaan wel open te stellen voor regulier verkeer. Nu verweerder is teruggekomen van zijn eerder ingenomen standpunt, is tevens sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. Voorts ontbeert het bestreden besluit alleen al een draagkrachtige motivering omdat verweerder de verkeersveiligheid op en rond de busbaan niet heeft onderzocht. Als de busbaan wordt opengesteld voor het reguliere verkeer zullen op de kruisingen van de busbaan met andere wegen levensgevaarlijke situaties ontstaan, temeer nu de busbaan door een woonwijk loopt waarin veel gezinnen met kinderen wonen. Voorts is er een goede omleidingsroute via de A10 mogelijk. De omstandigheid dat personen gebruik maken van de sluiproute over de Stoombootweg en aldaar overtredingen begaan, dient tegengegaan te worden door handhavend optreden van de zijde van de politie.

De rechter heeft bij uitspraak van 23 februari 2005 bepaald dat de beslissing van 18 februari 2005 wordt geschorst totdat de voorzieningenrechter op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft beslist.

Overwogen wordt als volgt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hier sprake is van een tijdelijke verkeersmaatregel als bedoeld in de artikelen 34, 35 en 37 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) en dat voor deze maatregel, aangezien de duur hiervan minder is dan vier maanden, geen verkeersbesluit nodig is. Tevens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Awb aangezien de beslissing van de portefeuillehouder slechts feitelijke gevolgen heeft.

Artikel 34 van het BABW luidt als volgt:

1. Door het bevoegd gezag dan wel door het openbaar lichaam, dat het beheer heeft over een weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, door de eigenaar van de weg kunnen in de hierna genoemde omstandigheden en voor de duur van die omstandigheden verkeerstekens als bedoeld in artikel 12, worden geplaatst alsmede maatregelen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, worden uitgevoerd:

a. ingeval van de uitvoering van werken, opdooi, de doorweekte toestand van een weg of weggedeelte, dreigend gevaar of andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard;

b. ingeval van een door het wegverkeer veroorzaakte ernstige aantasting van voorbijgaande aard van de in het tweede lid, onder a, van artikel 2 van de wet genoemde belangen.

Ingevolge artikel 35 van het BABW kunnen de plaatsing van verkeerstekens en het uitvoeren van maatregelen, bedoeld in artikel 34, geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 37 van het BABW geschieden in afwijking van artikel 35 de tijdelijke plaatsing en de tijdelijke maatregel krachtens een verkeersbesluit indien de omstandigheden die tot de tijdelijke plaatsing of tot de tijdelijke maatregel leiden van langere duur zijn dan vier maanden dan wel zich regelmatig voordoen. Paragraaf 6 is alsdan van toepassing.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Blijkens de wetsgeschiedenis is met het woord ‘rechtshandeling’ in dit artikellid bedoeld aan te geven dat het moet gaan om een rechtshandeling die is gericht op rechtsgevolg. Daarvan is sprake indien is beoogd om een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel om de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen. Het is derhalve niet beslissend of een bepaald besluit rechtsgevolgen voortvloeien; de rechtshandeling moet zijn gericht op het ontstaan van die rechtsgevolgen.

De rechter acht voldoende aannemelijk dat de beoogde duur van de maatregel dan wel tijdelijke plaatsing van verkeerstekens korter is dan vier maanden zodat, indien de artikelen 34 en 35 van het BABW al op de onderhavige situatie van toepassing zijn, voor deze maatregel dan wel plaatsing geen verkeersbesluit vereist is.

Met betrekking tot de vraag of de brief van de portefeuillehouder op rechtsgevolg is gericht wordt het volgende overwogen. De rechter heeft geconstateerd dat van de zijde van het stadsdeel een aantal verkeersmaatregelen is genomen. De getroffen maatregelen behelzen onder meer het plaatsen van verkeerslichten en het beperken van de maximumsnelheid op en rond de busbaan. Bij deze verkeersmaatregelen gaat het om het dwingend reguleren van de verkeersstroom door verboden dan wel het beperken of opheffen daarvan, welke maatregelen kunnen worden gehandhaafd met behulp van de sterke arm. Het betreft hier dan ook maatregelen die op rechtsgevolg zijn gericht. De brief van 18 februari 2005 behelst een beslissing tot het instellen van deze maatregelen door of namens het bevoegde gezag en is dan ook te beschouwen als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarmee is deze brief te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De onderhavige maatregelen behelzen geen vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift aangezien deze slechts van toepassing zijn op de aangegeven plaats(en). Verzoeker kan derhalve in zijn bezwaar worden ontvangen. In het navolgende zal de rechter ervan uitgaan dat de portefeuillehouder als lid van het dagelijks bestuur van het stadsdeel namens dit college (verweerder) is opgetreden.

Als gevolg van het feit dat er in de Adriaan Loosjesstraat werkzaamheden moeten plaatsvinden aan de riolering is deze straat met ingang van 17 januari 2005 tot eind april gesloten voor alle verkeer. Genoemde straat is een verbindingsstraat tussen twee wijken en verweerder heeft zich beraden over alternatieve routen om een verbinding tussen de twee wijken te behouden. Verweerder gaat er daarbij vanuit dat er twee alternatieve routen zijn, namelijk de route via de ring A10 en de route via de busbaan van Twiske Kadoelen.

Verweerder heeft naar voren gebracht dat het (toenmalige) dagelijks bestuur eind vorig jaar heeft gekozen voor een tijdelijke openstelling van de busbaan omdat dit de beste oplossing leek. Vanwege de vele bezwaren heeft de (nieuwe) portefeuillehouder echter in januari van dit jaar toegezegd dat voor deze oplossing niet zou worden gekozen en dat is toen ook niet gedaan.

Vervolgens is gebleken dat als gevolg van de afsluiting van de Adriaan Loosjesstraat automobilisten gebruik maken van sluiproutes waardoor verkeersonveilige situaties zijn ontstaan. Om die reden heeft de politie geadviseerd de busbaan voor het reguliere verkeer open te stellen. Gelet op dit advies heeft verweerder besloten de onderhavige verkeersmaatregelen te nemen.

Verweerder heeft ter zitting erkend dat de portefeuillehouder in januari 2005 duidelijk en ondubbelzinnig de toezegging heeft gedaan dat de busbaan niet wordt opengesteld voor het reguliere verkeer. Verweerder meent dat hij niet langer aan de toezegging kan worden gehouden aangezien er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Hij beroept zich daarbij onder meer op een emailbericht van de politie Amsterdam-Amstelland van 15 februari 2005, waarin onder meer het volgende is te lezen. Eén van de sluiproutes waarvoor automobilisten kiezen is de Stoombootweg en deze weg en ook de andere wegen in de Kadoelen hebben een infrastructuur uit de jaren ‘30. De stoombootweg is een weg zonder trottoirs; auto’s staan aan een zijde geparkeerd waardoor er weinig doorgang overblijft. Veel verkeer maakt momenteel gebruik van deze sluiproute en daarbij worden hogere snelheden gebruikt dan verantwoord is. Er zijn meldingen van twisten, vechtpartijen en doodgereden dieren. Ook vernielingen zijn gemeld. Er zijn nog geen persoonlijke ongelukken gebeurd maar dit alles leidt wel tot een verkeersonveilige situatie. De politie heeft vervolgens de portefeuillehouder geadviseerd om de busbaan open te stellen en daarbij maatregelen te treffen om te veiligheid te waarborgen, zoals het plaatsen van verkeerslichten, het terugbrengen van de rijsnelheid en het regelmatig uitvoeren van controles op naleving van de voorgestelde maatregelen. Gelet hierop heeft de portefeuillehouder besloten om de busbaan alsnog met ingang van 23 februari 2005 open te stellen voor het reguliere verkeer.

Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het hierbij gaat om zodanige verkeersgedragingen dat die hem noopten om op zijn eerdere besluitvorming terug te komen. De rechter is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van zodanig gewijzigde omstandigheden dat hij zich niet langer gebonden hoefde te achten aan eerder gedane toezeggingen, hoe stellig en ongeclausuleerd deze in dit geval ook zeker zijn gedaan. Tot die gewijzigde omstandigheden behoren in dit geval de kennis en ervaring die zijn opgedaan met de gekozen oplossing waarbij een geprojecteerde alternatieve route via de ring A10 kennelijk niet, en sluiproutes door de wijk wel door automobilisten zijn gebruikt met alle onveilige situaties van dien. Onder deze omstandigheden is de rechter van oordeel dat het beroep van verzoeker, hoe zeer zijn ergernis op dit punt ook is te begrijpen, op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet voor honorering in aanmerking komt.

Vervolgens is de rechter van oordeel dat, gelet op de bevindingen van de politie en de gegeven alternatieve omrijroutes, niet gesteld kan worden dat verweerder de relevante belangen onredelijk tegen elkaar heeft afgewogen. Daarbij is meegewogen dat verweerder onder ogen heeft gezien dat het openstellen van de busbaar voor regulier verkeer nadelige gevolgen heeft voor de omwonenden, maar heeft gemeend dat deze niet opwegen tegen andere bezwaren. Tevens is meegewogen dat voor de omwonenden het openstellen van de busbaan ontegenzeggelijk extra overlast met zich zal brengen. Nu het in dit verband om een beperkte periode gaat, is de rechter van oordeel dat de gemaakte belangenafweging ook voor wat betreft dit punt niet onredelijk is.

Verzoeker heeft gesteld dat verweerder het begaan van overtredingen door automobilisten in de Stoombootweg kan tegengegaan door te bewerkstelligen dat de politie handhavend optreedt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechter voldoende aannemelijk gemaakt dat met het handhaven van voorschriften op de Stoombootweg, en de Landsmeerderdijk en omgeving niet voldoende tegemoetgekomen kan worden aan de nadelige en verkeersonveilige gevolgen die het vele malen hogere verkeersaanbod in genoemde straten met zich brengt. Er zouden dan ingrijpende handhavingsmaatregelen moeten worden getroffen die, gezien de beperkte politiecapaciteit, redelijkerwijs niet van de politie en/of verweerder gevergd kunnen worden.

Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid en genomen overweegt de rechter het volgende. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de communicatie met de omwonenden van de busbaan, zeker gelet op de aan de onderhavige verkeersmaatregel voorafgaande besluitvorming, te wensen heeft overgelaten. Het vorenstaande doet echter niet af aan de argumenten van verweerder om uit het oogpunt van verkeersveiligheid de busbaan te willen openstellen. Het ligt in de rede dat verweerder in de toekomst als er, zoals thans wordt voorzien, weer een afsluiting van de Adriaan Loosjesstraat plaatsvindt, aan de communicatie met omwonenden over een te treffen maatregel zorgvuldig en tijdig aandacht besteedt.

De rechter overweegt voorts dat verzoeker met betrekking tot verkeersveiligheid van de open te stellen busbaan een aantal serieus te nemen bezwaren naar voren heeft gebracht die erop neer komen dat er met name gevaarlijke situaties ontstaan bij kruisingen van de busbaan met het overige verkeersareaal, mede ten gevolge van het niet adequaat plaatsen van verkeerslichten en het negeren van deze verkeerslichten door automobilisten. Dit is verzoeker uit eigen waarneming gedurende de eerdere openstelling van de busbaan voor het (overige) verkeer gebleken.

De rechter acht het niet onredelijk dat verweerder op korte termijn de kans wil hebben om deze punten opnieuw te bezien en ervaring op te doen met de nieuwe verkeerssituatie. Wel gaat de rechter ervan uit dat bijzondere aandacht zal worden besteed aan de handhaving van de verkeersvoorschriften op bedoelde punten, waarbij ook de toegestane snelheid van 30 km/h als wezenlijk mag worden beschouwd.

Verweerder heeft ter zitting melding gemaakt van de noodzaak om in de nabije toekomst opnieuw de Adriaan Loosjesstraat af te sluiten. Hierbij merkt de rechter op dat het voor de hand ligt dat verweerder daarbij opnieuw beziet welke alternatieve omrijroute het meest in aanmerking komt. Daarbij zou ook moeten worden meegenomen de door verzoeker ter zitting genoemde mogelijkheid om, in overleg met de gemeente Landsmeer, de bussluis onder de A10 voor het reguliere verkeer te openen. Tevens wordt opgemerkt dat verweerder een te houden evaluatie van de openstelling van de busbaan voor het reguliere verkeer bij zijn oordeelsvorming kan betrekken.

Uit het vorenstaande volgt, dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar stand zal kunnen houden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

De rechter ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht door verweerder moet worden vergoed.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. J.J. Bade, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nubé, griffier,

en openbaar gemaakt op: 25 februari 2005

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: C