Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AS8816

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
07-03-2005
Zaaknummer
268586
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Vraagstelling deskundige t.a.v. causaal verband tussen ongeval en klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

268586 / HAZA 03.1669

16 februari 2005

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

DERDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n :

[eiser], wonende te [woonplaats],

e i s e r ,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

t e g e n :

de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V., gevestigd te

Amsterdam,

g e d a a g d e ,

procureur mr. G.C. Endedijk.

Partijen worden hierna [eiser] en London ge-noemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- dagvaar-ding van 12 juni 2003, met bewijsstukken,

- akte overlegging bewijsstukken van [eiser],

- conclusie van antwoord,

- ambtshalve gewezen tussenvonnis van 1 oktober 2003, waarbij een comparitie van par-tijen is bepaald,

- proces-verbaal van de comparitie van partijen van 2 december 2003 en de daarin ge-noemde processtukken en/of proceshandelingen,

- akte van [eiser],

- antwoordakte van London,

- brief van de rechtbank aan de procureurs van partijen van 6 januari 2005,

- brief van mr. Endedijk van 10 januari 2005,

- brief van mr. Reinders Folmer van 11 januari 2005,

- brief van de rechtbank aan de procureurs van partijen van 13 januari 2005,

- brief van mr. Endedijk van 25 januari 2005,

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het volgende vast.

1.1. Op 22 mei 1999 is [eiser] fietsend in aanraking gekomen met de zijspiegel van een auto die werd bestuurd door een WAM-verzekerde van London. Hierdoor kwam [eiser] ten val. Hij is daarbij op zijn rechterzijde gevallen. [eiser] is direct na het ongeval naar een ziekenhuis vervoerd en heeft aansluitend twee dagen in het ziekenhuis verbleven.

1.2. [eiser] is van beroep internationaal vrachtwagenchauffeur. Hij heeft na het ongeval van 22 mei 1999 niet meer gewerkt.

1.3. Het ongeval is veroorzaakt doordat de WAM-verzekerde van London een verkeersfout heeft gemaakt.

1.4. In verband met de gezinsongevallenverzekering van [eiser] heeft dr. J.P.G.M. Maussen, orthopedisch chirurg, onderzoek gedaan naar de klachten van [eiser]. Bij rapport van 8 juni 2001 heeft Maussen daarvan verslag gedaan.

2. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, London veroordeelt tot betaling van € 46.900,21 wegens verlies van arbeidsvermogen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2002 als kapitalisatiedatum, € 5.250,-- wegens immate-riële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 1999, € 1.356,10 voor in het eerste jaar na het ongeval gemaakte extra kosten, te vermeerderen met wet-telijke rente vanaf 3 mei 2000, en € 4.468,23 wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 juni 2003, met veroordeling van London in de proceskosten.

2.1. [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Het letsel van [eiser] als gevolg van het ongeval bestaat uit rugklachten. [eiser] heeft in het verleden wel rugklachten ge-had, maar tot een jaar voor het ongeval was hij vrij van rugklachten. Sinds het ongeval is [eiser] arbeidsongeschikt. Hij heeft in de eerste periode na het ongeval veel pijn gehad. Toen de klachten niet verbeterden, is op 15 november 1999 operatief ingegrepen en op 29 mei 2000 is hij nogmaals geopereerd. De klachten zijn daarna nauwelijks afgenomen. Blij-kens het hiervoor onder 1.4 genoemde onderzoek van Maussen zijn de restverschijnselen continue pijnklachten van de onderrug en het linkerbeen met tintelingen in beide benen.

2.2. Met ingang van 11 januari 2000 heeft [eiser] recht op een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid voor gangbare arbeid. Ten tijde van het ongeval was hij klachtenvrij en volledig arbeidsgeschikt. De arbeidsvermogensschade stelt [eiser] op 50% van het berekende verlies van arbeidsvermogen, rekening houdend met de door Maussen geconstateerde preëxistente rugafwijking en de hierdoor verhoogde kans op het intreden van arbeidsongeschiktheid in de hypothetische situatie zonder ongeval. Aan de gevorderde immateriële schadevergoeding legt [eiser] ten grondslag dat zijn kwaliteit van leven ernstig achteruit is gegaan als gevolg van de arbeidsongeschiktheid, de diverse noodzakelijke me-dische ingrepen, de blijvende invaliditeit en de daarmee gepaard gaande pijn. Hij sportte regelmatig, zoals zwemmen en vissen, maar kan dat na het ongeval niet meer doen. De buitengerechtelijke kosten volgens urenspecificatie van 4 februari 2003 zijn gemaakt door-dat FNV Ledenservice [eiser] als schaderegelaar heeft bijgestaan.

3. London voert als volgt verweer tegen de vordering.

3.1. London bestrijdt dat de gestelde rugklachten als ongevalsgevolg zijn aan te merken en dat [eiser] arbeidsongeschikt is als gevolg van het ongeval. Vóór het ongeval kampte [eiser] al met zeer ernstige rugklachten en is hij daarvoor behandeld. Vóór het ongeval was er sprake van geregelde arbeidsongeschiktheid in verband met de rugklachten. Daarnaast komt uit de medische informatie van vóór het ongeval naar voren dat er sprake was van recidiverend niersteenlijden, een tenniselleboog en depressieve klachten. London is bij de expertise van Maussen niet betrokken geweest en daarom dienen zijn bevindingen in deze procedure buiten beschouwing te blijven, nog daargelaten dat London meent dat Maussen ten on-rechte is afgegaan op informatie van [eiser] zelf en dat London het met de conclusies van Maussen niet eens is.

3.2. London betwist de gestelde schade.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Tussen partijen staat vast dat London als WAM-verzekeraar aansprakelijk is voor eventuele schade van [eiser] als gevolg van het onder 1.1 genoemde ongeval. Hiervan gaat de rechtbank uit.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] rugklachten heeft en arbeidsongeschikt is, maar wel of de rugklachten en de arbeidsongeschiktheid gevolg zijn van het ongeval dat [eiser] op 22 mei 1999 op de fiets is overkomen.

7. Ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn rugklachten als ongevalsgevolg zijn aan te merken heeft [eiser] zich beroepen op het rapport van Mausser. Het feit dat het rapport van Mausser zonder betrokkenheid van London tot stand is gekomen, belemmert [eiser] in dit geval niet om zich in deze procedure op het rapport van Mausser te beroepen, om-dat het hem vrij staat zijn standpunt met een dergelijk schriftelijk stuk te onderbouwen. Het niet in geschil zijnde feit dat London niet bij de totstandkoming van het rapport is betrokken, betekent wel dat het rapport als partijrapport aan de zijde van [eiser] moet worden aangemerkt. De rechtbank is vrij in de waardering van de bewijskracht van het rapport van Maussen. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het rapport is opgemaakt in het kader van een ongevallenverzekering, waarin een ander causaliteitscriterium geldt dan in deze zaak. In deze zaak immers moet het causaliteitsgeschil van partijen worden beoordeeld met inachtneming van Boek 6 Titel 1 Afdeling 10 Burgerlijk Wetboek en is dus art. 6:98 BW maatgevend.

8. Het bewijs van het door [eiser] gestelde causaal verband tussen zijn rugklachten en het ongeval acht de rechtbank nog niet geleverd met het rapport van Maussen, reeds omdat met de vragen die aan Maussen zijn voorgelegd niet de informatie is verkregen is die nodig is om het causaal verband met inachtneming van art. 6:98 BW vast te stellen. Dit oordeel wordt niet anders indien het rapport van Maussen wordt bezien in samenhang met de stukken die [eiser] bij zijn eerste akte overlegging bewijsstukken in het geding heeft gebracht, waaronder stukken van het GAK en medische informatie uit de periode waarin FNV-ledenservice heeft getracht de zaak minnelijk te regelen. Ook dan laat zich het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde rugklachten thans onvoldoende uit de overgelegde bewijsstukken afleiden.

9. De rechtbank heeft behoefte aan deskundige voorlichting om verder te beoordelen of de door [eiser] gestelde klachten als ongevalsgevolg zijn aan te merken. Daarbij verdient het volgende reeds thans vermelding. Omdat vaststaat dat de WAM-verzekerde van London een verkeersfout heeft gemaakt en het ongeval daarvan het gevolg is, is het en-kele feit dat [eiser] vóór het ongeval ook rugklachten had of heeft gehad onvoldoende om te oordelen dat rugklachten na het ongeval geen ongevalsgevolg zouden zijn. Als in deze procedure komt vast te staan dat [eiser] rugklachten heeft als gevolg van het onge-val, is het uitgangspunt dat zijn schade als gevolg van die rugklachten in beginsel volle-dig aan London als WAM-verzekeraar wordt toegerekend. In dat geval zal de schade moeten worden begroot door een vergelijking te maken tussen de situatie na ongeval en de hypothetische situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd als het ongeval hem niet was overkomen. Komt tevens vast te staan dat [eiser] rugklachten had of heeft gehad vóór het ongeval, dan kunnen de risico’s, die daaruit in het algemeen voortvloeien voor de hypothetische arbeidsgeschiktheid van [eiser] zonder ongeval, wel een factor zijn waarmee bij de begroting van de schade rekening wordt gehouden. Bij een en ander zal te zijner tijd tevens van belang zijn, dat [eiser] de omvang van het geschil reeds heeft beperkt door in zijn vordering rekening te houden met een factor die zijn vordering we-gens arbeidsvermogensschade halveert.

10. Partijen hebben eensluidend voorgesteld als deskundige prof.dr. C.N. van Dijk, verbon-den aan het AMC te Amsterdam, te benoemen. Deze heeft zich desgevraagd niet bereid getoond de benoeming te aanvaarden. Vervolgens hebben partijen desgevraagd eenslui-dend voorgesteld als deskundige te benoemen dr. J. Huij, verbonden aan het Medisch Centrum Rijnmond-Zuid te Rotterdam. Deze heeft zich bereid getoond de benoeming te aanvaarden. De rechtbank zal hem als deskundige benoemen.

11. De rechtbank past de eensluidend door partijen voorgestelde vragen aan voor zover daarin onvoldoende rekening lijkt te zijn gehouden met de hiervoor onder 9 vermelde maatstaven. Voor het overige worden hun vragen zoveel mogelijk overgenomen.

12. Omtrent de vraag wie het voorschot van de deskundige moet betalen, wordt als volgt overwogen.

13. Tussen partijen is in geschil op wie van hen de bewijslast rust. [eiser] heeft betoogd dat de omkeringsregel van toepassing is. Daarin wordt hij niet gevolgd. Nu London gemoti-veerd heeft betwist dat [eiser] klachten heeft als gevolg van het ongeval is ook het con-dicio-sine-qua-non-verband in geschil. Voor toepassing van de omkeringsregel is reeds hierom geen aanleiding. De bewijslast van het causaal verband rust dan ook in dit stadi-um op [eiser], die zich op de rechtsgevolgen van het gestelde causaal verband tussen ongeval en klachten beroept.

14. London heeft aansprakelijkheid erkend. Het deskundigenbericht is noodzakelijk om vast te stellen of [eiser] schade lijdt als gevolg van het ongeval. Ook indien komt vast te staan dat London niet tot schadevergoeding is gehouden, is London niet reeds daarom als aansprakelijke WAM-verzekeraar bevrijd van de verplichting ex art. 6:96 lid 2 BW bij te dragen in de redelijke kosten ter vaststelling van de schade. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding ieder van partijen thans met de helft van het voorschot van de deskundige te belasten.

15. Het voorschot zal worden vastgesteld op het door de deskundige te bepalen bedrag, ten-zij binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffier aan partijen, waarbij een kopie van de voorschotnota van de deskundige wordt doorgezonden, schriftelijk be-zwaar tegen het voorschot ter griffie is ingekomen. In laatstgenoemd geval zal de recht-bank nader beslissen over de begroting van het voorschot.

16. De deskundige zal het onderzoek zelfstandig dienen te verrichten. Daarbij moet de des-kundige partijen in de gelegenheid stellen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit het deskundigenbericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Tevens zal in het deskundigenbericht melding dienen te worden gemaakt van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken van partijen. Indien een partij schriftelijk opmerkingen aan de deskundige doet toekomen, verstrekt deze partij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij.

17. Partijen zijn verplicht mee te werken aan het onderzoek van de deskundige. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht.

18. De rechtbank is reeds thans van oordeel dat indien partijen na het uitbrengen van het deskundigenbericht nog een conclusie willen nemen, zulks met het oog op hoor en we-derhoor is geboden. De zaak zal in afwachting van het deskundigenbericht op de par-keerrol worden geplaatst. Het staat ie-der van partijen vrij de zaak van de parkeerrol op de rol te doen plaatsen voor con-clusie na deskundigenbericht indien het deskundigenbe-richt ge-reed is of indien voortprocederen anderszins gewenst is.

19. Hoger beroep staat thans niet open. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank:

- beveelt met betrekking tot het hiervoor onder 9 behandelde geschilpunt een deskundi-genonderzoek;

- bepaalt dat aan de hierna te noemen deskundige de volgende vragen zullen worden voorgelegd:

1.

a. Hoe luidt de anamnese?

b. Wat zijn uw bevindingen bij lichamelijk onderzoek en eventuele hulponderzoeken? Wilt u de functiestoornissen/het functieverlies zo uitgebreid mogelijk uitdrukken in maat en getal volgens de parameters van de AMA en indien van toepassing links en rechts vergelijken?

c. Kunt u de op uw vakgebied geconstateerde functiestoornissen/het functieverlies uit-splitsen en separaat benoemen?

d. Hoe luidt uw diagnose?

2.

a. Welke zijn de huidige klachten en verschijnselen op uw vakgebied?

b. Zijn er op uw vakgebied klachten en symptomen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook zouden kunnen zijn ontstaan, als het ongeval betrokkene niet was overkomen?

c. Voor zover u de vorige vraag bevestigend beantwoordt (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven

- met welke mate van waarschijnlijkheid,

- op welke termijn en

- in welke omvang

de klachten of beperkingen dan zouden kunnen zijn ontstaan? Hierbij wordt niet van u verlangd zekerheid te bieden, maar wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en erva-ring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Dit geldt ook voor de hierna volgende vragen voor zover u daarin u wordt gevraagd naar mate van waarschijnlijkheid, termijn en omvang.

3.

a. Acht u de huidige toestand van [eiser] zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belang-rijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde klachten?

b. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

c. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel ver-slechtering verwacht?

d. Heeft u nog therapeutische suggesties?

4.

a. Wilt u de huidige mate van functiestoornis (impairment) op uw vakgebied uitdruk-ken in een percentage (van armen/been/mens) ongeacht enig beroep?

b. Indien u onder vraag 3 heeft geantwoord dat nog geen eindtoestand is bereikt, wilt u dan vermelden of uw antwoord op vraag 4.a hierdoor nog kan veranderen en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang u welke wijziging in de bij 4.a door u vermelde functiestoornis verwacht?

5.

a. Welke beperkingen heeft [eiser] in zijn huidige toestand bij activiteiten van het da-gelijkse leven, in de vrije tijdsbesteding en bij de beroepsuitoefening?

b. Indien u vraag 2.b bevestigend heeft beantwoord, kunt u dan aangeven of de beper-kingen die u in antwoord op vraag 5.a heeft vermeld, zonder ongeval ook zouden zijn opgetreden en zo ja,

- met welke mate van waarschijnlijkheid,

- op welke termijn en

- in welke omvang?

c. Indien u onder vraag 3 heeft geantwoord dat nog geen eindtoestand is bereikt, wilt u dan vermelden of de beperkingen die u in antwoord op vraag 5.a heeft vermeld, hierdoor nog kunnen wijzigen en zo ja,

- met welke mate van waarschijnlijkheid,

- op welke termijn en

- in welke omvang?

6.

a. Heeft u nog andere opmerkingen die voor de beoordeling van belang kunnen zijn?

b. Acht u beoordeling door een arts op een ander vakgebied gewenst? Zo ja, waarom?

- benoemt tot deskundige:

dr. J. Huij, orthopeed,

Medisch Centrum Rijnmond-Zuid

Locatie Clara

Groene Hilledijk 315

3075 EA Rotterdam

010 2903449

- bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal verrichten en dat dit zal plaats-vinden op een door de deskundige te bepalen plaats en tijd;

- bepaalt dat de deskundige partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, dat uit het deskundigenbericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan en dat daarbij tevens melding zal worden gemaakt van de inhoud van de op-merkingen en verzoeken van partijen;

- bepaalt dat de partij die schriftelijke opmerkingen en verzoe-ken aan de deskundige doet toekomen daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij verstrekt;

- bepaalt dat ieder van partijen in afwachting van de eindbeslissing een voorschot ter zake van de kosten van de deskundige aan de griffier van deze rechtbank zal dienen te beta-len, welk voorschot zal worden vastgesteld op het door de deskundige te bepalen be-drag, tenzij binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffier aan partijen, waarbij een kopie van de voorschotnota van de deskundige wordt doorgezonden, schriftelijk bezwaar tegen het voorschot ter griffie is ingekomen;

- bepaalt dat beide partijen vóór 2 maart 2005 kopieën van de gedingstukken aan de des-kundige zullen doen toekomen; kopieën van andere door de deskundige noodzakelijk geachte stukken zullen partijen zo spoedig mogelijk aan de deskundige doen toekomen;

- bepaalt dat het door de deskundige uit te brengen bericht uiterlijk op 16 mei 2005 zal worden ingeleverd ter griffie van deze rechtbank;

- verwijst de zaak naar de parkeerrol van 5 april 2006, voor conclusie na deskundigenbe-richt; voor het eerst aan de zijde van [eiser] daarna van London;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Gewezen door mr. G. de Groot, lid van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openbare te-recht-zitting van 16 februari 2005 in tegen-woordig-heid van de griffier.