Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AS8384

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
13/127085-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Amsterdam heeft een ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie afgewezen. De rechtbank acht niet aannemlijk dat verdachte inkomsten heeft genoten uit de door hem gepleegde strafbare feiten, waaronder de inbraak in het Van Goghmuseum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/127085-03 (ontnemingsvordering)

Datum uitspraak: 28 februari 2005

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam], vierde meervoudige kamer B, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/127085-03, tegen:

[verdachte],

hierna te noemen [verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring

“Almere Binnen” te Almere.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 18 mei 2004, 1 november 2004, 6 december 2004 en 24 januari 2005.

1. De vordering

De ter terechtzitting van 18 mei 2004 overgelegde ongedateerde vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 228.000,-.

Ter terechtzitting van 18 mei 2004 heeft de rechtbank besloten de behandeling van de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aan te houden en aan de inhoudelijke behandeling van de vordering een schriftelijke voorbereiding vooraf te doen gaan. In dit kader is op 22 september 2004 namens [verdachte] een conclusie van antwoord ingediend. De officier van justitie heeft vervolgens op 8 oktober 2004 een nadere toelichting op de vordering overgelegd in de vorm van een schrijven van financieel rechercheur [J.]. In reactie hierop is namens [verdachte] op 17 november 2004 een conclusie van dupliek ingediend.

Ter terechtzitting van 24 januari 2005 heeft de officier van justitie zijn - gewijzigde - vordering definitief bekendgemaakt. De officier van justitie heeft daartoe de berekening als weergegeven in het financieel rapport van 12 mei 2004 als volgt aangepast. In voornoemd financieel rapport wordt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel nog uitgegaan van voordeel uit een aantal strafbare feiten, te weten een inbraak in het Van Gogh Museum te Amsterdam op 7 december 2002, een inbraak bij bedrijf Ppgh/Jwt te Amsterdam in de periode van 17 oktober 2001 tot en met 18 oktober 2001, een inbraak in Sportschool Optifit te Den Dolder in de periode van 6 oktober 2001 tot en met 7 oktober 2001, een inbraak bij Fito Products te Wijk bij Duurstede in de periode van 22 juni 2000 tot en met 23 juni 2000 en een inbraak bij Interatio Keukenarchitektuur te Amsterdam op 21 januari 2002. De officier van justitie heeft medegedeeld dat hij thans uitgaat van een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 170.000, verkregen door de inbraken in het Van Gogh Museum en bij Ppgh/Jwt.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het voordeel verkregen uit de diefstal van twee schilderijen van Van Gogh uit het Van Gogh Museum te Amsterdam op 7 december 2002 en de heling van een groot aantal goederen die afkomstig zijn van een inbraak bij Ppgh/Jwt in de periode van 17 oktober 2001 tot en met 18 oktober 2001. Voor deze feiten is [verdachte] in de onderliggende strafzaak veroordeeld.

2. Voorvragen

...

3. Grondslag van de vordering

[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 26 juli 2004 onder meer veroordeeld terzake van de navolgende strafbare feiten:

Ten aanzien van feit 1.:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van feit 2. subsidiair:

Opzetheling.

De officier van justitie heeft zijn uiteindelijke vordering uitgesplitst in twee onderdelen. Onderdeel 1 betreft een vordering van € 100.000 en heeft betrekking op de inbraak in het Van Gogh Museum te Amsterdam op 7 december 2002. Onderdeel 2 betreft een vordering van

€ 70.000,- en heeft betrekking op heling van goederen afkomstig van Ppgh/Jwt te Amsterdam in de periode van 17 oktober 2001 tot en met 18 oktober 2001.

Tegen het vonnis van 26 juli 2004 is door of namens verdachte hoger beroep ingesteld.

4. Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Onderdeel 1

Bij vonnis van 26 juli 2004 heeft de rechtbank onder meer wettig en overtuigend bewezen geacht dat [verdachte] op 7 december 2002 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, heeft weggenomen twee schilderijen van Vincent van Gogh, getiteld: ‘Zeegezicht bij Scheveningen’ en ‘Het uitgaan van de Hervormde Kerk te Nuenen’, toebehorende aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Stichting Vincent van Gogh, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door via een ladder het dak van het museum te betreden en met hamers een ruit van dat museum in te slaan en door de aldus ontstane opening het museum te betreden.

Ten aanzien van het eerste onderdeel acht de rechtbank weliswaar bewezen dat [verdachte] een aandeel heeft gehad bij de diefstal uit het Van Gogh Museum maar naar het oordeel van de rechtbank is niet met zekerheid vast te stellen of, en zo ja, hoeveel, voordeel [verdachte] hiervan heeft verkregen.

Gelet op vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat [verdachte] uit voornoemd strafbaar feit voordeel heeft verkregen.

Onderdeel 2

Bij vonnis van 26 juli 2004 heeft de rechtbank onder meer wettig en overtuigend bewezen geacht dat [verdachte] in de periode van 17 oktober 2001 tot en met 18 oktober 2001 te Amsterdam een projector, zeven luidsprekers, elf portable computers, vier computers, een plasmascherm, twaalf afstands-bedieningen, een DVD-speler en drie flatscreens voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

In het financieel rapport van 12 mei 2004 wordt uitgegaan van betrokkenheid van [verdachte] bij de inbraak bij bedrijf Ppgh/Jwt te Amsterdam. Ingevolge het schrijven van 8 oktober 2004 van financieel rechercheur [J.], voornoemd, wordt uitgegaan van de heling van de goederen door [verdachte] en dient de totale waarde van de goederen als wederrechtelijk verkregen voordeel te worden aangemerkt, aldus voornoemd schrijven.

Een van de bewijsmiddelen ten aanzien van dit feit betreft een ter terechtzitting van

18 mei 2004 door [verdachte] afgelegde verklaring welke als volgt luidt:

De Mercedes met kenteken [nummer] had ik te leen. Op 17 oktober 2001 heb ik die auto uitgeleend aan iemand. Heel vroeg in de ochtend kwam die jongen met een andere jongen en hij vroeg mij of ik een grote auto te leen had omdat hij een boel spullen had die vervoerd moesten worden. Ik begreep dat ze ergens hadden ingebroken. Ik heb de auto meegegeven. Zij zijn een uurtje weggeweest en hebben de spullen vervolgens voor een deel bij mij in de box van de woning op de [adres] gezet. Ik wist wel dat het foute boel was dat ik de auto uitleende en het opslaan van die spullen toestond.

De rechtbank acht het, gelet op de eigen verklaring van [verdachte], niet aannemelijk dat [verdachte] inkomsten heeft genoten uit voornoemd strafbaar feit. De goederen zijn slechts gedurende een korte periode, te weten de periode van 17 oktober 2001 tot en met 18 oktober 2001, in het bezit geweest van [verdachte]. Weliswaar zijn er bij een huiszoeking op 18 oktober 2001 bij [verdachte] een groot aantal goederen in beslag genomen, maar voornoemde goederen zijn daar niet bij aangetroffen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat [verdachte] uit voornoemd strafbaar feit voordeel heeft verkregen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Wijst de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. L.C. Bachrach en C.M. Degenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. Vriethoff, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2005.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.