Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2005:AS8346

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
13/127086-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Amsterdam heeft in een ontnemingsvordering een betalingsverplichting opgelegd aan de pleger van de schilderijendiefstal uit het Van Goghmuseum van € 50.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/127086-03 (ontnemingsvordering)

Datum uitspraak: 28 februari 2005

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, vierde meervoudige kamer B, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/127086-03, tegen:

[verdachte],

hierna te noemen [verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring

“Haarlem” te Haarlem.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 18 mei 2004, 1 november 2004, 6 december 2004 en 24 januari 2005.

1. De vordering

De ter terechtzitting van 18 mei 2004 overgelegde ongedateerde vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 100.000,-.

Ter terechtzitting van 18 mei 2004 heeft de rechtbank besloten de behandeling van de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aan te houden en aan de inhoudelijke behandeling van de vordering een schriftelijke voorbereiding vooraf te doen gaan. In dit kader is op 22 september 2004 namens [verdachte] een conclusie van antwoord ingediend. De officier van justitie heeft vervolgens op 8 oktober 2004 een nadere toelichting op de vordering overgelegd in de vorm van een schrijven van financieel rechercheur [J.]. In reactie hierop is namens [verdachte] op 17 november 2004 een conclusie van dupliek ingediend.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft diefstal van de schilderijen van Van Gogh uit het Van Gogh museum te Amsterdam op 7 december 2002. Voor dit feit is [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

2. Voorvragen

...

3. Grondslag van de vordering

[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 26 juli 2004 veroordeeld terzake van het navolgende strafbare feit:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Dit feit betreft de inbraak in het Van Gogh Museum te Amsterdam op 7 december 2002.

Tegen het vonnis van 26 juli 2004 is door of namens verdachte hoger beroep ingesteld.

4. Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Ten aanzien van de vordering is de rechtbank van oordeel dat tussen het bewezen verklaarde strafbare feit en de vordering voldoende causaal verband bestaat. De rechtbank acht hiervoor de navolgende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van belang.

Bij vonnis van 26 juli 2004 is bewezen verklaard dat [verdachte] op 7 december 2002 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, heeft weggenomen twee schilderijen van Vincent van Gogh, getiteld: ‘Zeegezicht bij Scheveningen’ en ‘Het uitgaan van de Hervormde Kerk te Nuenen’, toebehorende aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Stichting Vincent van Gogh, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door via een ladder het dak van het museum te betreden en met hamers een ruit van dat museum in te slaan en door de aldus ontstane opening het museum te betreden.

Naast dit vonnis, waarvan een afschrift aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt, acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

In een telefoongesprek (volgnummer 01296) op 7 mei 2003 spreekt [de vriendin van verdachte], met haar zus [de vriendin] van [betrokkene]. In dit gesprek wordt onder meer gesproken over het feit dat [verdachte] de helft van zijn geld heeft gekregen en dat hij een bedrag van 50.000 voorhanden had. Voorts wordt er gesproken over 50.000 gulden en 50 ruggen en dat hij volgende week de rest zou krijgen.

De verklaringen die zowel [de vriendin van verdachte] als [de vriendin van betrokkene] ter terechtzitting van 6 december 2004 als getuigen omtrent het in het telefoongesprek van 7 mei 2003 genoemde bedrag van 50.000 hebben afgelegd, zijn niet consistent. Zij hebben naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk kunnen maken dat het niet om een bedrag van € 50.000 ging en dat dit bedrag niet van de diefstal van schilderijen uit het Van Gogh Museum afkomstig was, maar ergens anders vandaan moet zijn gekomen. De rechtbank acht hierbij zeker van belang de toon, en dan met name de stelligheid, waarmee termen als “de rest”, “de helft” en “50.000” in het telefoongesprek zijn gebezigd.

In een telefoongesprek van 31 maart 2003 (volgnummer 00758) belt [verdachte] naar [betrokkene] en zegt tegen [betrokkene] dat het zover is, hij om zes uur ergens MOET zijn en dat [betrokkene] hem MOET brengen.

In een ander telefoongesprek van 31 maart 2003 (volgnummer 00761) wordt [verdachte] gebeld door zijn [vriendin] en zegt [verdachte] dat hij een heel belangrijke afspraak heeft en daar dus om zes uur moet zijn.

In een volgend telefoongesprek van 31 maart 2003 (volgnummer 00764) spreken [verdachte] en medeveroordeelde [mededader] met elkaar en zegt [verdachte] dat hij om zes uur met hem heeft afgesproken en dat [mededader] hem moet halen bij de brandweer. [verdachte] zal dan bij [mededader] in de auto stappen.

Desgevraagd heeft [betrokkene] ter terechtzitting van 24 januari 2005 als getuige over voornoemd telefoongesprek met volgnummer 00758 van 31 maart 2003 verklaard dat hij met [verdachte] ging chillen, rondrijden in Amsterdam en dat het die avond wel een chill-avond geweest zal zijn. Voorts heeft [betrokkene] verklaard dat het telefoongesprek waarschijnlijk ging over coke dat ze zouden gebruiken bij het chillen en dat moest worden opgehaald in Amsterdam-West. Tenslotte heeft [betrokkene] verklaard dat hij nog geld tegoed had van [verdachte] en dat hij dit heeft gekregen nadat deze geld had verdiend met een ripdeal. [verdachte] heeft ter terechtzitting van

24 januari 2005 over voornoemde telefoongesprekken verklaard dat hij die avond een afspraak had en dat [betrokkene] hem had weggebracht. Volgens hem heeft hij die avond geld gekregen waar hij al tijden op zat te wachten en is hij vervolgens bij [mededader] in de auto gestapt. Volgens [verdachte] ging het om een bedrag van € 17.000,-.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank het volgende af. [verdachte] is op 31 maart 2003 gehaast en heeft een belangrijke afspraak waar hij om 18.00 uur moet zijn. [betrokkene] moet hem daar naartoe brengen. [verdachte] zegt tegen [mededader] om 17.53 uur dat hij om 18.00 uur heeft afgesproken en dat hij nu naar de brandweer rijdt en dan bij [mededader] in de auto zal stappen. Nergens blijkt dat het hier over een avond chillen met [betrokkene] gaat. [verdachte] heeft verklaard over die afspraak dat het over een bedrag van € 17.000 ging. De rechtbank concludeert daaruit dat hij die avond het geld zal gaan krijgen.

In een telefoongesprek van 3 april 2003 (volgnummer 00867) belt [verdachte] medeveroordeelde [mededader] over het feit dat ze iets te vieren hebben met elkaar. Dit gesprek wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat er geld ontvangen is.

Naar het oordeel van de rechtbank is de lezing van [verdachte], [mededader] en [betrokkene] niet geloofwaardig. Niets wijst op een avond chillen met [betrokkene]. [verdachte] en zijn mededader hebben niet aannemelijk kunnen maken dat voornoemde gesprekken geen betrekking hadden op (de gevolgen van) de inbraak in het Van Gogh Museum.

De rechtbank acht voorts van belang dat er na 31 maart 2003 klaarblijkelijk geld beschikbaar is. Uit het dossier komen, kort samengevat, de volgende grote uitgaven van [verdachte] naar voren:

- buitenlandse reizen naar Thailand, Parijs/Eurodisney, Ibiza en Dominicaanse Republiek ([verdachte] erkent op de terechtzitting van 18 mei 2004 deze reizen te hebben gemaakt (zie proces-verbaal terechtzitting in de hoofdzaak).

- schenkingen aan [vriendin] van aanzienlijke geldbedragen ([verdachte] erkent dit op de terechtzitting van 18 mei 2004 (proces-verbaal terechtzitting; zie ook verklaring [de vriendin] 12 november 2003, p. 73 t/m 79 van Persoonsdossier P-2).

- aangetroffen Daytona- en Yachtmeister-horloges in woning [adres 2] (zie proces-verbaal en kennisgeving inbeslagneming, p. 693 van Persoonsdossier P-2)

Aldus bestaan er voor de rechtbank voldoende aanwijzingen dat het plegen van de diefstal door dit delict er op enigerlei wijze toe heeft geleid dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en dat dat voordeel ook door [verdachte] is genoten. Het voordeel moet derhalve worden beschouwd als voordeel verkregen uit een strafbaar feit, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank schat voornoemd voordeel op een bedrag van

€ 50.000,-, te weten het bedrag dat [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval voor de schilderijen heeft ontvangen.

De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De verplichting tot betaling

Door [verdachte] is ter terechtzitting van 24 januari 2005 – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft en dat hij, indien de vordering wordt toegewezen, wordt gedwongen zich in het criminele circuit te begeven.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat er geen feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat [verdachte] naar redelijke verwachting in de toekomst niet in staat zou zijn om op reguliere wijze inkomsten te verwerven en derhalve over geen of onvoldoende draagkracht zal beschikken het geschatte voordeel te voldoen.

Voorts is gesteld noch gebleken dat [verdachte] het wederrechtelijk verkregen voordeel volledig heeft opgesoupeerd zodat de rechtbank ervan uitgaat dat een deel van het voordeel nog aan [verdachte] ter beschikking staat.

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 50.000,-.

6. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7. Beslissing:

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 50.000,-.

Legt op aan [verdachte] de verplichting tot betaling van € 50.000,- aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. L.C. Bachrach en C.M. Degenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. Vriethoff, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2005.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.